Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508485/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:7244, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2014, voor zover thans van belang, heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete van € 7.500,00 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508485/1/A3.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015 in zaak nr. 15/2508 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2014, voor zover thans van belang, heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete van € 7.500,00 opgelegd.

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft [appellant] de boete opgelegd wegens het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot woning zonder de daarvoor benodigde vergunning. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat bij een controle van de [appellant] in eigendom toebehorende woning aan de [locatie] te Utrecht op 30 september 2014 door inspecteurs van de afdeling Toezicht en Handhaving Bebouwde Omgeving is vastgesteld dat de woning als seksinrichting werd gebruikt. Dat is in strijd met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 3.1.2, aanhef en onder a, van de Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht (hierna: de Huisvestingsverordening), aldus het college.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank met het oordeel dat het college zich terecht op dat standpunt heeft gesteld, heeft miskend dat de melding die tot de controle van de woning heeft geleid onvoldoende concrete en specifieke feiten betrof om het binnentreden van de woning te rechtvaardigen, zodat de bevindingen van de derhalve onrechtmatig verrichte controle van de woning niet als grondslag voor de boete kunnen dienen.

2.1. [appellant] heeft met zijn betoog niet onderkend dat dit is gericht tegen het besluit van de burgemeester tot afgifte van de machtiging tot binnentreden van de woning, dat blijkens het besluit van 26 maart 2015 is genomen. Nu dat besluit van de burgemeester in deze procedure niet ter toetsing voorligt, wordt aan dit betoog voorbijgegaan.

De rechtbank heeft, met het oordeel dat de burgemeester op basis van de melding een machtiging tot binnentreden heeft mogen afgeven, het vorenstaande niet onderkend.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank met het oordeel dat er geen aanleiding is voor matiging van de boete heeft miskend dat hij door zijn geringe financiële draagkracht onevenredig zwaar door de boete wordt getroffen. Volgens hem heeft de rechtbank bij dat oordeel ten onrechte mede veronderstelde inkomsten uit de verweten gedraging in aanmerking genomen, omdat die veronderstelling al mede bepalend is geweest bij de bepaling van de hoogte van de boete, neergelegd in de bijlage bij artikel 4.2 van de Huisvestingsverordening. Door ook bij de toets of de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is met de vermeende inkomsten rekening te houden, heeft de rechtbank een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Bovendien is op grond van de verklaringen van de drie vrouwen, neergelegd in het bevindingenrapport, slechts aannemelijk dat hij door de verweten gedraging € 275,00 aan inkomsten heeft gegenereerd, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 5:46, derde lid, van de Awb legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

3.2. [appellant] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank bij de beoordeling van zijn beroep op onvoldoende financiële draagkracht om de boete te kunnen voldoen ten onrechte rekening heeft gehouden met het vermeende voordeel dat hij uit de overtreding heeft genoten.

Voor zover [appellant] daartoe betoogt dat de hoogte van de boete mede is gebaseerd op de aanname van een substantieel voordeel door de onttrekking van woonruimte, faalt dat betoog. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting bij de Afdeling onweersproken heeft uiteengezet, heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boete mogelijk gewin door het onttrekken van woonruimte niet of nauwelijks een rol gespeeld, maar is de hoogte van de boete afgestemd op het feit dat, gelet op de schaarse woningvoorraad en de grote druk op de woningmarkt in Utrecht, het onttrekken van woonruimte reeds op zichzelf genomen een ernstige overtreding is.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2996, kan bij gebrek aan inzicht in het uit een overtreding genoten voordeel aanleiding bestaan om niet tot matiging van de daarvoor opgelegde boete over te gaan, omdat niet kan worden beoordeeld of deze onevenredig hoog is. Gelet op de bevindingen bij de controle, als vermeld onder 2.1 en overigens neergelegd in het bevindingenrapport, is aannemelijk dat de gehele woning voor prostitutie werd gebruikt en dat [appellant] daaruit inkomsten heeft verkregen. Onbestreden is dat de woning in elk geval meerdere dagen door drie vrouwen voor prostitutie werd gebruikt. De door [appellant] genoemde inkomsten uit het gebruik van de woning als seksinrichting van € 275,00 acht de Afdeling onwaarschijnlijk laag. [appellant] heeft niet kenbaar gemaakt hoeveel die inkomsten daadwerkelijk bedragen. Nu geen inzicht in die inkomsten bestaat, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij niet voldoende financiële draagkracht heeft om de boete te voldoen en dat hij hierdoor onevenredig wordt getroffen. Gelet hierop is de Afdeling evenals de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. Daarbij wordt nog ten overvloede overwogen dat ter zitting van de Afdeling is gebleken dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid te verzoeken om een betalingsregeling, zodat de boete in termijnen kan worden betaald.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Michiels w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

598.