Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201509422/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2015, kenmerk 15bb8713, heeft de raad het bestemmingsplan "Hart van Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7265
ABkort 2016/258
JOM 2017/940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509422/1/R6.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):

1. de vereniging Vereniging van eigenaars gebouw Zuiderterras (hierna: VVE Zuiderterras), gevestigd te Rotterdam,

2. de stichting Stichting Bewoners Zuidpleingebied (hierna: Stichting Zuidpleingebied), gevestigd te Rotterdam,

3. de vereniging Vereniging van Eigenaars woningen aan het Zuidplein 324-410, even nummers, en 424-510, even nummers, gevestigd te Rotterdam, en anderen (hierna: VVE woningen Zuidplein),

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NSI Winkels B.V. (hierna: NSI), gevestigd te Hoorn,

5. [appellant sub 5], wonend te Rotterdam,

6. de vereniging Vereniging van Eigenaars Winkelcentrum Zuidplein, gevestigd te Rotterdam, en andere (hierna: VVE Winkelcentrum Zuidplein),

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid M&V Handelsonderneming B.V. (hierna: M&V), gevestigd te Willemstad,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2015, kenmerk 15bb8713, heeft de raad het bestemmingsplan "Hart van Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben VVE Zuiderterras, Stichting Zuidpleingebied, VVE woningen Zuidplein, NSI, [appellant sub 5], VVE Winkelcentrum Zuidplein en M&V beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

M&V heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2016, waar VVE Zuiderterras, vertegenwoordigd door mr. J.M. Schipper en P.J. Hiddink, Stichting Zuidpleingebied, vertegenwoordigd door E. Hilgers, VVE woningen Zuidplein, vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, NSI, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra en mr. G.M. Blanken, advocaten te Amsterdam, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. A.T.A.M. Schouw, VVE Winkelcentrum Zuidplein, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra en mr. G.M. Blanken, advocaten te Amsterdam, M&V, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en A.P.C. Beemster, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, mr. A.J.J. van der Vlist en W. Verhagen, allen werkzaam bij de gemeente, en mr. R. Begheyn, werkzaam bij Kuiper Compagnons, drs. J.T. van Kooten, werkzaam bij Van Kooten Akoestisch Advies, drs. W.M.A. Kroesen, werkzaam bij Ecorys, en ir. F. Sanders, werkzaam bij Ballast Nedam Concessies & Ontwikkeling, zijn verschenen. Voorts is Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij B.V. (hierna: Ballast Nedam), vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton en P. Klevering, als partij gehoord.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Hoofdlijnen

2. Het project Hart van Zuid betreft een grootscheepse transformatie van het gebied rondom het winkelcentrum Zuidplein en de evenementenaccomodatie Ahoy in Rotterdam. De huidige stedenbouwkundige opzet en uitstraling worden volgens de raad als rommelig ervaren. De ambitie van de raad is dit gebied de komende 20 jaar te ontwikkelen tot een volwaardig centrum voor Rotterdam‐Zuid. Met het project wil de raad het gebied een kwaliteitsimpuls geven, zorgen voor extra banen en betere voorzieningen voor de bewoners. In het bestemmingsplan wordt beschreven welke functies in het gebied Hart van Zuid in de komende tien jaar zijn toegestaan.

Het plan voorziet in een uitbreiding van het winkelcentrum Zuidplein en omgeving met maximaal 7.000 m2 winkelvloeroppervlak. Ook biedt het plan de mogelijkheid om hier een bioscoop te realiseren. Daarnaast kan de entree van het winkelcentrum op maaiveldniveau worden veranderd waardoor een looproute ontstaat door het winkelcentrum van het OV‐knooppunt naar het Ikaziaziekenhuis.

Op het OV‐knooppunt wordt voorzien in een nieuwe busterminal, een betere koppeling met de metroperrons, een kiosk en een fietsenstalling met minimaal 700 plaatsen. Onder de metrobaan worden gefaseerd ruimten voor (startende) ondernemers toegevoegd.

Aan de westzijde van het OV‐knooppunt is het Kunstenpand voorzien, dat het Theater Zuidplein, een bibliotheek en horecavoorzieningen zal huisvesten. Ten zuiden van het Kunstenpand wordt beoogd een nieuw zwembad te realiseren.

Op het noordoostelijk deel van het Ahoyterrein zijn een hotel van maximaal 200 kamers en leisure (bijvoorbeeld een bioscoop met een bruto vloeroppervlak van maximaal 10.000 m2) voorzien. De bestaande hallen van Ahoy worden vernieuwd en aan het complex worden een congrescentrum en muziekhal toegevoegd.

Verder wordt in het plan een uitbreiding van het Hoornbeeck College meegenomen. Op een deel van het perceel van het Hoornbeeck College en de tennisbanen ten zuiden daarvan, wordt de bouw van 95 grondgebonden woningen voorzien.

Naast de herstructurering van gebouwen en functieveranderingen, beoogt het project Hart van Zuid ook de buitenruimte te verbeteren. In de huidige situatie is de openbare ruimte volgens de raad stenig en armoedig, waarbij het maaiveldniveau voornamelijk is ingericht op logistiek, transport en expeditie. Door onder meer het terugdringen van het autoverkeer en het toevoegen van een programma in de plinten, wordt getracht een verschuiving tot stand te brengen van verkeersruimte naar verkeers‐ en verblijfsruimte. Er ontstaan twee pleinen: een meer intiem Plein op Zuid, gericht op verpozen, en een extraverter evenementenplein bij Ahoy, dat ruimte biedt aan bijvoorbeeld skaten, straattheater en festivals. Een verbeterde aanhechting van het winkelcentrum op het Plein op Zuid wordt voorzien door de aanleg van een brede trappartij.

De Gooilandsingel wordt voorzien als ruggengraat van de publieke ruimte en verliest aldus grotendeels zijn verkeersfunctie. Hier is uiteindelijk alleen expeditieverkeer en verkeer van hulp- en gemeentelijke diensten aanwezig. De ontsluitingsroute van de panden aan de Gooilandsingel is voorzien via de Van Swietenlaan. De expeditie van het winkelcentrum Zuidplein vindt plaats via de entree vanaf de Strevelsweg, de Meierijstraat en de route onder de zogeheten terrasflats. De realisatie van een nieuw busstation leidt ook tot aanpassingen van de routering van de lijnbussen. De ontsluiting van het parkeerterrein van Ahoy verandert hiermee ook.

3. Het bestemmingsplan heeft een globaal karakter. Het werkt niet met uit te werken bestemmingen, maar met globale eindbestemmingen. Exacte locaties van functies worden niet vastgelegd. Wel is per thema − zoals detailhandel, woningbouw, recreatie − een maximaal aantal m2 bruto vloeroppervlak vastgelegd. Voorts zijn in de artikelen 4, lid 4.3.4, en 16, lid 16.3.2, van de planregels voorwaardelijke verplichtingen gesteld ter beperking van geluidbelasting.

4. M&V handelsonderneming is eigenaar en exploitant van een fietsenstalling op het Metroplein 45. Zij keert zich ertegen dat het plan binnen de gehele bestemming "Gemengd - 3" en ondergeschikt binnen nagenoeg alle overige bestemmingen fietsenstalling toestaat.

NSI is eigenaar en verhuurder van delen van het Winkelcentrum Zuidplein. Dit winkelcentrum bevindt zich op de tweede verdieping van de desbetreffende bebouwing. VVE Winkelcentrum Zuidplein behartigt de gemeenschappelijke belangen van de eigenaren van Winkelcentrum Zuidplein. De mede-indieners van het beroepschrift van VVE Winkelcentrum Zuidplein zijn eigenaar en verhuurder van delen van het Winkelcentrum Zuidplein. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein kunnen zich niet verenigen met het plan. Hun beroepsgronden hebben met name betrekking op de actuele regionale behoefte aan detailhandel en andere voorzieningen, alsmede op de planregeling voor de uitbreiding en het bestaande deel van het winkelcentrum. VVE Winkelcentrum Zuidplein voert ook beroepsgronden aan over de parkeerregeling in het plan.

VVE Zuiderterras behartigt de gemeenschappelijke belangen van de gerechtigden van de appartementen van het Zuiderterrascomplex. Het Zuiderterrascomplex is volledig boven het maaiveld gebouwd, zonder eigen grond rondom het complex. Onder het complex is een onderdoorgang aanwezig met een laad- en losplaats en een eenrichtingsweg, die hoofdzakelijk ten behoeve bestemmingsverkeer wordt gebruikt. VVE Zuiderterras kan zich niet verenigen met de bestemmingen voor de onderdoorgang en de gronden rond haar complex en de parkeerregeling in het plan. Haar beroepsgronden hebben met name betrekking op de behoefte aan wijziging van het busstation, aantasting van het woon- en leefklimaat bij de woningen Zuiderterras/Carnissesingel door het verleggen van busroutes (geluid, toegankelijkheid en verkeersveiligheid) en op parkeren.

[appellant sub 5] woont in het Zuiderterrascomplex. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de bestemmingen van de gronden voor de onderdoorgang en de gronden rond haar woning. Haar beroepsgronden hebben met name betrekking op aantasting van het woon- en leefklimaat bij haar woning door verlegging van de busroutes (geluid, bereikbaarheid en verkeersveiligheid) en op parkeren.

Stichting Zuidpleingebied stelt zich ten doel informatie te verstrekken over veranderingen aan bewoners en bedrijven van het Zuidpleingebied en deze samen te brengen. Stichting Zuidpleingebied kan zich niet verenigen met het plan. Haar beroepsgronden hebben met name betrekking op coördinatie, aantasting van het woon- en leefklimaat in het plangebied (geluid, luchtkwaliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid) en op parkeren.

VVE woningen Zuidplein behartigt de gemeenschappelijke belangen van de gerechtigden van de appartementen aan het Zuidplein 324-410, even nummers en 424-510, even nummers. Ten zuiden van deze appartementen beschikken de gerechtigden over 53 buitenparkeerplaatsen op maaiveldniveau. VVE woningen Zuidplein kan zich met name niet verenigen met het de bestemmingen van de gronden rond haar complex en de parkeerregeling in het plan. Haar beroepsgronden hebben met name betrekking op aantasting van haar rechten door de bouw van een parkeergarage ter plaatse van de buitenparkeerplaatsen en aantasting, door die parkeergarage en andere ontwikkelingen, van het woon- en leefklimaat bij de woningen Zuidplein (geluid, bereikbaarheid en lichtinval).

Intrekking ter zitting

5. Ter zitting hebben NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hun beroepsgrond ingetrokken dat de goedkeuring van de distributieve toets door het provinciebestuur ten onrechte niet ter inzage is gelegd bij het ontwerpbesluit. Voorts hebben zij hun beroepsgrond ingetrokken dat verschillende voorwaarden die in de distributieve toets en de structuurvisie worden gesteld aan de uitbreiding van het winkelcentrum, zoals kwaliteitsslag, verbetering compactheid, verbeterde uitstraling en verbetering passantenstromen, ten onrechte niet in de planregels zijn vastgelegd. VVE Zuiderterras heeft haar beroepsgrond ingetrokken dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de aanname dat in de toekomst alle bussen elektrisch worden. Daarnaast heeft VVE Zuiderterras haar beroepsgrond ingetrokken dat het plan ten onrechte meebrengt dat de verbinding tussen deel A (Gooilandsingel) van het appartementencomplex Zuiderterras en het metrostation op 6 meterniveau moet verdwijnen. Voorts heeft VVE Zuiderterras haar beroepsgrond ingetrokken dat het plan ten onrechte op elk punt langs deel A (Gooilandsingel) van het appartementencomplex Zuiderterras een steile hellingbaan voor bussen mogelijk maakt, doordat naast de maximum hoogte van 9 m geen minimum hoogte is bepaald.

Partijstelling

6. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben ter zitting aangevoerd dat de Afdeling ten onrechte Ballast Nedam in de gelegenheid heeft gesteld als partij aan het geding deel te nemen, aangezien zij volgens NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein niet is aan te merken als belanghebbende. Daarbij voeren zij aan dat Ballast Nedam geen gronden in het plangebied heeft en slechts over een afgeleid belang beschikt.

6.1. Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6.2. Ballast Nedam is geen eigenaar of anderszins gerechtigde van gronden in of in de nabijheid van het plangebied, zodat zij niet uit dien hoofde als belanghebbende kan worden aangemerkt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:235, overweegt de Afdeling dat zich niettemin omstandigheden kunnen voordoen waaronder een rechtstreeks betrokken belang bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan bestaat. In het jaar 2014 heeft Ballast Nedam na een aanbesteding, in het kader van publiek private samenwerking als ontwikkelende partij met de gemeente een zogeheten hoofdovereenkomst gesloten, welke gerelateerd is aan de uit te geven gronden. Op grond van de overeenkomt zullen de gemeente en Ballast Nedam nauw samenwerken om de ambities en plannen te realiseren, waarbij Ballast Nedam een aanzienlijk deel van het beoogde programma (vastgoed en openbare ruimte) zal realiseren en verantwoordelijk is voor beheer, onderhoud en het sociaal programma. Ballast Nedam treedt ook op als aanvraagster van vergunningen. Van de hoofdovereenkomst maakt een Prestatiegericht Programma van Eisen integraal onderdeel uit, waarin is vastgelegd aan welke eisen de prestaties in het gebied Hart van Zuid minimaal moeten voldoen.

De Afdeling is van oordeel dat Ballast Nedam onder deze omstandigheden een rechtstreeks en actueel belang heeft als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en belanghebbende is bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding Ballast Nedam niet als partij aan het geding deel te laten nemen.

Procesorde

7. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben ter zitting verzocht het verweerschrift van 17 maart 2016 met bijlagen, alsmede de schriftelijke uiteenzetting van Ballast Nedam van 24 maart 2016 met bijlagen buiten beschouwing te laten. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het verweerschrift twee maanden te laat is ingediend en een groot deel van de bijlagen al veel eerder toegezonden had kunnen worden. Zo is de reactie van Ecorys op de beroepsgronden inzake detailhandel gedateerd op 15 februari 2016. Nu deze niet eerder is toegezonden, stellen NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein ter zake hiervan geen eigen deskundigenrapport meer te hebben kunnen laten opstellen. Verder zijn delen van de bijlagen met parkeergegevens volgens hen volkomen onleesbaar wegens een te klein lettertype, onnavolgbare tabellen en het ontbreken van kleurenkopieën. De bijlagen bij de schriftelijke uiteenzetting van Ballast Nedam, die eveneens zien op parkeergegevens, hadden volgens NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein ook veel eerder kunnen worden ingezonden.

7.1. In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt en een verweerschrift indient.

Ingevolge artikel 8:43, tweede lid, stelt de bestuursrechter andere partijen dan de in het eerste lid bedoelde in de gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Hij stelt hiervoor een termijn vast.

Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

7.2. Hoewel de Awb geen gevolgen verbindt aan het indienen van een verweerschrift dan wel een schriftelijke uiteenzetting buiten de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb onderscheidenlijk artikel 8:43, tweede lid, van de Awb vermelde termijn, moet daarbij evenwel artikel 8:58, eerste lid, van de Awb in acht worden genomen. Gelet op artikel 8:58 van de Awb kan een partij nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken indienen. Dit kan echter niet wanneer dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

7.3. Het verweerschrift met bijlagen en de schriftelijke uiteenzetting van Ballast Nedam met bijlagen zijn weliswaar in een laat stadium, maar meer dan tien dagen voor de zitting ingediend. Hetgeen hierin naar voren wordt gebracht betreft gegevens die in wezen al zijn opgenomen in de stukken die behoren bij het bestreden besluit. Zo is als bijlage bij de plantoelichting het rapport Rotterdam Hart van Zuid; Distributieve toets en effecten uitbreiding retailprogramma van Bureau Stedelijke Planning van 24 juli 2015 opgenomen (hierna: het DPO). Desgewenst hadden NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hierover in het kader van hun beroepen een contra-expertise kunnen laten uitbrengen. Verder is als bijlage bij de plantoelichting het rapport Hart van Zuid; Document Verkeer van Witteveen + Bos van 20 augustus 2015 gevoegd (hierna: het verkeersrapport), dat reeds de voornaamste gegevens betreffende de parkeerbalans bevat.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein niet adequaat op de genoemde stukken hebben kunnen reageren. Er bestaat dan ook geen aanleiding om deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Toetsingskader

8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Procedurele beroepsgronden

9. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat het REO-advies als bedoeld in artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening Ruimte 2014), in strijd met artikel 3:11 van de Awb, niet ter inzage is gelegd bij het ontwerpbesluit.

9.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 6:22 kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

9.2. Ingevolge artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening Ruimte 2014 voldoet de nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, aan de eis dat, voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 2.000 m2 bruto vloeroppervlak, het bestemmingsplan hier uitsluitend in voorziet als onder meer advies is gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.

9.3. Uit de stukken blijkt dat de stuurgroep REO op 11 december 2014 een REO-advies heeft uitgebracht aan het gemeentebestuur van Rotterdam. Ter zitting heeft de raad erkend dat dit een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb en dat dit ten onrechte niet ter inzage is gelegd bij het ontwerpbesluit. Op blz. 11-12 van de toelichting op het ontwerpplan wordt de inhoud van het advies echter gedeeltelijk weergegeven. Derhalve konden belanghebbenden van het bestaan van het advies, en deels ook van de inhoud daarvan, op de hoogte zijn. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hadden het stuk gedurende de terinzagelegging van het ontwerp kunnen opvragen en kunnen verkrijgen, opdat zij dit konden betrekken bij hun zienswijze dan wel het gebrek in een zienswijze over het ontwerp van het plan aan de orde kunnen stellen. Niet aannemelijk is dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze zouden hebben ingediend indien het advies ter inzage zou zijn gelegd. Aangenomen mag worden dat deze eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage gelegd zijn van het advies, dan wel dat zij, na desgevraagd daarin inzage te hebben gekregen, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling de schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De betogen falen.

10. Stichting Zuidpleingebied betoogt dat, hoewel al omgevingsvergunningen zijn aangevraagd voor de nieuwbouw van het Hoornbeeck College (eerder in 2015) en het nieuwe zwembad (16 december 2015), hiervoor, ondanks de toepasselijkverklaring van de coördinatieregeling, niet gelijktijdig met het bestemmingsplan omgevingsvergunningen ter inzage zijn gelegd.

10.1. De raad stelt dat omgevingsvergunningen onder de coördinatieregeling kunnen worden gecoördineerd, maar coördinatie van die vergunningen niet tegelijkertijd met het bestemmingsplan hoeft plaats te vinden.

10.2. Uit de stukken blijkt dat de raad op 6 november 2014 een coördinatiebesluit heeft genomen als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, van de Wro. Vast staat dat geen coördinatie heeft plaatsgevonden met omgevingsvergunningen voor de nieuwbouw van het Hoornbeeck College en het nieuwe zwembad. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de aanvraag die ziet op het zwembad nog niet ingediend. In haar uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit artikel 3.35 van de Wro en uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat toepassing van deze regeling ertoe verplicht dat alle besluiten die benodigd zijn ter uitvoering van het daar betrokken plan gelijktijdig dienen te worden voorbereid en bekendgemaakt. In dit licht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het kader van de regeling van artikel 3.30 van de Wro bedoelde vergunningen gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage hadden moeten worden gelegd. Hierbij betrekt de Afdeling dat tegen de besluiten tot vaststelling van de omgevingsvergunningen zelfstandige rechtsmiddelen openstaan. Het betoog faalt.

Fietsenstalling

11. M&V betoogt dat het plan ten onrechte overal binnen de gehele bestemming "Gemengd - 3" en ondergeschikt binnen nagenoeg alle overige bestemmingen fietsenstalling toestaat, in plaats van alleen op haar locatie Metroplein 45. Gezien de onzekerheden met betrekking tot de precieze inrichting van het gebied had de raad volgens M&V moeten kiezen voor een uit te werken bestemming, met uitzondering van de locatie Metroplein 45 waar de bestaande fietsenstalling rechtstreeks dient te worden bestemd. Door de planregeling worden haar bestaande rechten onnodig geweld aangedaan, aldus M&V. Het plan staat veel meer stallingsruimte toe dan nodig, terwijl maar twee stallingen worden beoogd. Naast een stalling van 800 plaatsen die door de gemeente wordt ontwikkeld, kan M&V in de andere voorzien. Door de huidige wijze van bestemmen zal haar stallingsruimte minder courant worden, aldus M&V. Haar huidige stalling kan worden ingepast "in de loop". Overigens heeft M&V er bezwaar tegen dat de stalling van 800 plaatsen wordt voorzien op gronden van de gemeente.

In haar nadere memorie betoogt M&V dat de stelling van de raad dat er een toenemende behoefte is aan fietsparkeervoorzieningen, niet is onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat met het realiseren van 800 plekken zal worden voorzien in (voldoende) toekomstige vraag. Er is volgens haar ten onrechte slechts onderzoek gedaan naar parkeerplaatsen van auto’s. Er is volgens haar dan ook niet aangetoond dat het realiseren van de extra plaatsen niet in haar nadeel is.

Voorts is met de realisering en exploitatie van 800 fietsparkeerplaatsen op gronden van de gemeente volgens M&V sprake van oneerlijke concurrentie. Het gaat hierbij volgens M&V om een economische activiteit van de gemeente, bij de uitoefening waarvan de gemeente de kosten integraal dient door te berekenen op grond van artikel 25i van de Mededingingswet (ingevoegd bij Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Mededingingswet ter invoering van regels inzake ondernemingen die deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon of die hiermee zijn verbonden; aanpassing Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid). Nu hieromtrent een onderbouwing ontbreekt is volgens M&V niet uitgesloten dat zich strijd met de Mededingingswet voordoet en is het plan volgens M&V niet zorgvuldig voorbereid.

11.1. De raad stelt dat ook de voorgaande planologische situatie niet uitsloot dat op andere locaties dan die van M&V een fietsenstalling kon worden gerealiseerd zonder enige beperking. De raad stelt voorts dat op grond van de beoogde ontwikkelingen de verwachting bestaat dat er een toename zal zijn van de benodigde capaciteit voor fietsparkeervoorzieningen. Hij verwacht dat met het realiseren van 800 plaatsen voorzien wordt in de toekomstige vraag. Tegelijk wijst de trend volgens de raad in heel Nederland op een mogelijke verdere toename van de behoefte aan fietsparkeren. In dit stadium acht de raad het onwenselijk om de bestemming voor fietsparkeervoorzieningen te beperken tot specifieke locaties of een maximum aantal. Voorts stelt de raad dat nog niet bekend is of de gemeente de beoogde stalling van 800 plaatsen zelf gaat exploiteren, zodat niet kan worden gezegd of het doorberekenen van de kosten een uitvoeringsprobleem oplevert.

11.2. Aan de gronden van het plangebied waarbinnen de fietsenstalling van M&V zich bevindt is de bestemming "Gemengd - 3" toegekend. Voorts zijn aan de gronden van het plangebied onder meer de bestemmingen "Gemengd - 1", "Gemengd - 2", "Gemengd - 4", "Gemengd - 5", "Gemengd - 6", "Gemengd - 7", "Maatschappelijk" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 3" aangewezen gronden bestemd voor berg- en (fietsen)stallingsruimten.

Ingevolge verschillende planregels zijn de voor "Gemengd - 1", "Gemengd - 2", "Gemengd - 4", "Gemengd - 5", "Gemengd - 6", "Gemengd - 7", "Maatschappelijk" aangewezen gronden ondergeschikt bestemd voor berg- en (fietsen)stallingsruimten.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor fietsenstallingen.

11.3. Ingevolge artikel 25i, eerste lid, van de Mededingingswet brengt een bestuursorgaan dat economische activiteiten verricht, de afnemers van een product of dienst ten minste de integrale kosten van dat product of die dienst in rekening.

11.4. Nu onder het plan de fietsenstalling van M&V onveranderd mogelijk blijft, worden haar bestaande rechten naar het oordeel van de Afdeling niet aangetast. Voor het overige verslechtert de planologische situatie voor haar evenmin, aangezien fietsenstallingen voorheen in het plangebied ook al - niet-ondergeschikt - mogelijk waren.

In het verkeersrapport wordt ingegaan op fietsroutes en -voorzieningen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met de ontwikkelingen in de tijd het fietsgebruik zal toenemen en worden gestimuleerd, maar dat het nog niet goed mogelijk is om te bepalen hoeveel fietsparkeervoorzieningen waar nodig zullen zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de mogelijkheid binnen het plangebied fietsparkeervoorzieningen te realiseren.

Voorts staat niet vast dat de beoogde fietsenstalling van 800 plaatsen door de gemeente zal worden geëxploiteerd en zijn er geen indicaties dat exploitatie slechts mogelijk zal zijn zonder aan de Mededingingswet te voldoen. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Mededingingswet op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de getroffen planregeling, in plaats van een uit te werken bestemming voor de andere gronden dan de locatie Metroplein 45. Het betoog faalt.

Planregeling winkelcentrum (oppervlakte detailhandel in "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4" en kleinschaligheid detailhandel in "Gemengd - 2")

12. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein staan op het standpunt dat de oppervlakte van de uitbreiding van het winkelcentrum in de bestemmingen "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4" en de kleinschaligheid van de detailhandel in "Gemengd - 2" ten onrechte niet of niet juist in de planregeling zijn verankerd. Voor zover dit niet is gebeurd omdat de raad heeft gekozen voor een globaal plan, komt dit volgens hen niet overeen met de gedetailleerde invulling in de plantoelichting en bijbehorende onderzoeken. Indien daadwerkelijk een globaal plan is beoogd, is volgens hen ten onrechte de ruimtelijke aanvaardbaarheid van andere scenario’s niet onderzocht.

12.1. De raad heeft blijkens de plantoelichting gekozen voor een globale juridisch‐planologische regeling, zodat flexibiliteit bestaat om de geplande herontwikkeling te realiseren. Flexibiliteit is volgens de raad nodig om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en veranderde omstandigheden, nu het proces van Hart van Zuid stapsgewijs gaat plaatsvinden. Als gevolg hiervan is niet gekozen voor een traditionele blauwdruk, maar voor een globaal kader. De raad stelt dat de wijze waarop NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein in detail wensen te bestemmen niet past in het globale eindplan dat de raad voorstaat en derhalve beperkend zou kunnen werken bij de uitwerking van de plannen.

12.2. Aan de gronden ten westen van het OV-knooppunt is de bestemming "Gemengd - 2" toegekend. Aan de gronden ten noordwesten van het Winkelcentrum Zuidplein en ten zuiden van het OV-knooppunt is de bestemming "Gemengd - 4" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel, behoudens detailhandel in de vorm van een supermarkt.

Ingevolge lid 4.3.1 is ten aanzien van de maximum toegestane oppervlakte het volgende bepaald:

a. het totale bruto vloeroppervlak aan maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, horeca, detailhandel, kantoren en bedrijven mag in de bestemmingen "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4" samen niet meer bedragen dan 13.300 m², met dien verstande dat:

1. het totale vloeroppervlak voor detailhandel niet meer dan 7.000 m² winkelvloeroppervlak mag bedragen;

2. op de in artikel 4.1 bedoelde gronden niet meer dan 2.000 m² winkelvloeroppervlak detailhandel is toegestaan;

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, zijn de voor "Gemengd - 4" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel.

Ingevolge lid 6.3.1 is ten aanzien van de maximum toegestane oppervlakte het volgende bepaald:

a. het totale bruto vloeroppervlak aan maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, horeca, detailhandel, kantoren en bedrijven mag in de bestemmingen "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4" samen niet meer bedragen dan 13.300 m², met dien verstande dat:

1. het totale winkelvloeroppervlak voor detailhandel niet meer mag bedragen dan 7.000 m²;

[…].

12.3. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

12.4. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat binnen de bestemming "Gemengd - 4" ten onrechte 7.000 m2 wvo detailhandel mogelijk wordt gemaakt, in plaats van de 5.000 m2, waarvan in de distributieve toets, de structuurvisie en de nota van zienswijzen wordt gesproken. Hoewel 7.000 m2 voor "Gemengd - 4" en "Gemengd - 2" gezamenlijk geldt en voor "Gemengd - 2" een maximum van 2.000 m2 wvo detailhandel geldt, bij invulling waarvan nog 5.000 m2 resteert binnen "Gemengd - 4", is het ook mogelijk de totale 7.000 m2 wvo detailhandel in "Gemengd - 4" te realiseren, hetgeen volgens hen geen louter theoretische mogelijkheid is.

12.5. De raad stelt dat het gezien de aard van de kavels en de benodigde oppervlakte voor een reguliere detailhandelsvestiging fysiek niet mogelijk zal zijn dat binnen de bestemming "Gemengd - 4" meer dan 5.000 m2 wvo aan reguliere detailhandel wordt gerealiseerd. De raad stelt voorts dat aan de centrale as (Gooilandsingel), dat wil zeggen: niet alleen in de bestemming "Gemengd - 2" maar ook in de bestemming "Gemengd - 4", kleinschalige detailhandel zoals "Grab & Go" winkels komt. Dit sluit aan op de distributieve toets uit het DPO, aldus de raad.

12.6. In het DPO wordt ervan uitgegaan dat het bestaande winkelcentrum wordt uitgebreid met 2.000 m² wvo aan reguliere dagelijkse detailhandel en 3.000 m² wvo aan reguliere niet-dagelijkse detailhandel. Dit betreft in totaal 5.000 m2 wvo detailhandel, waarvoor het DPO ervan uitgaat dat deze wordt gerealiseerd in de bestemming "Gemengd - 4". Het berust echter op een onjuiste lezing van het DPO dat er daarin van zou worden uitgegaan dat uitsluitend die 5.000 m2 wvo reguliere detailhandel wordt gerealiseerd in "Gemengd - 4". In het DPO wordt aangenomen dat 2.000 m² wvo aan "Grab & Go" langs de centrale as (Gooilandsingel) zal worden toegevoegd. De centrale as valt zowel in "Gemengd - 2" als in "Gemengd - 4". Nu van "Grab & Go" ook detailhandel deel uitmaakt is het niet in strijd met het DPO, dan wel de structuurvisie of de Nota van beantwoording zienswijzen, dat binnen "Gemengd - 4" meer dan 5.000 m2 wvo detailhandel mogelijk wordt gemaakt. Gezien de fysieke beperkingen van de kavels moet het echter niet mogelijk worden geacht dat binnen de bestemming "Gemengd - 4" meer dan 5.000 m2 wvo aan reguliere detailhandel wordt gerealiseerd. De raad heeft er dan ook in redelijkheid van kunnen afzien detailhandel binnen de bestemming "Gemengd - 4" te beperken tot 5.000 m2 wvo. De hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van detailhandel zijn naar het oordeel van de Afdeling in zoverre uit het oogpunt van rechtszekerheid voldoende neergelegd in de planregels. De betogen falen.

12.7. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat binnen de bestemming "Gemengd - 2" de kleinschaligheid van de detailhandel ten onrechte niet is verankerd, door middel van bijvoorbeeld een maximum oppervlakte voor een bedrijf, terwijl uit de plantoelichting en de distributieve toets volgt dat hier geen reguliere detailhandel wordt beoogd. In de distributieve toets wordt in dit kader gesproken over "Grab & Go", hybride concepten, startende ondernemers en winkels die zijn geënt op functies in Hart van Zuid, zoals Ahoy, het theater en het zwembad.

12.8. In het DPO wordt ervan uitgegaan dat er 2.000 m² wvo aan "Grab & Go" alsmede hybride concepten, startende ondernemingen en specifieke winkels, komen langs de centrale as (Gooilandsingel). Zoals de Afdeling hiervoor onder 12.6 heeft overwogen valt de centrale as zowel in "Gemengd - 2" als in "Gemengd - 4". Ter zitting heeft de raad erkend dat binnen de bestemming "Gemengd - 2" geen reguliere detailhandel wordt beoogd. Nu artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, en lid 4.3.1, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels reguliere detailhandel binnen de bestemming "Gemengd - 2" niet uitsluiten, zijn de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van detailhandel naar het oordeel van de Afdeling in zoverre uit het oogpunt van rechtszekerheid niet voldoende neergelegd in de planregels en is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De betogen slagen.

Ladder voor duurzame verstedelijking, alsmede provinciale regelgeving en provinciaal en regionaal beleid inzake detailhandel

13. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat niet wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). In de plantoelichting en de distributieve toets wordt volgens hen onvoldoende aangetoond dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

In dit verband voeren zij aan dat het plan ook andere invullingen mogelijk maakt dan waaraan volgens de distributieve toets behoefte bestaat. In het DPO is de behoefte berekend op tussen 3.500 m2 en 4.000 m2 wvo voor de branchegroep "dagelijks", 3.150 m2 wvo voor "mode & luxe" en 4.532 m2 wvo voor "vrije tijd & electro". Op grond van de planregels is het echter mogelijk om voor elk van deze branches of niet onderzochte branches het totale oppervlak van 7.000 m2 wvo aan detailhandel toe te voegen, aldus NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein. Uit de distributieve toets volgt niet dat daaraan ook behoefte bestaat.

Verder is volgens hen ten onrechte het feitelijk gevestigde aanbod tot uitgangspunt genomen, waarin bestaande leegstaande panden die ook als winkel kunnen worden gebruikt niet zijn meegenomen. Ook voeren zij aan dat de gehanteerde getallen voor het gevestigde aanbod niet kunnen kloppen, alleen al omdat binnen de distributieve toets wordt uitgegaan van verschillende getallen.

Nu de invulling van het winkelcentrum waarvan het DPO uitgaat niet vastligt in het plan, zodat ook andere scenario’s denkbaar zijn, zijn volgens NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein voorts de effecten van het plan op de leegstand en het woon-, leef- en ondernemingsklimaat onvoldoende onderzocht. Ook is volgens hen ten onrechte niet gekeken naar de effecten van de verschillende scenario’s op het winkelcentrum zelf.

Gelet op het vorenstaande voldoet het plan volgens NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein evenmin aan artikel 2.1.1 van de Verordening Ruimte 2014. Omdat niet is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en niet is aangetoond dat geen onaanvaardbare leegstand ontstaat, voorziet het plan volgens hen tevens in strijd met artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening Ruimte 2014 in de ontwikkeling van nieuwe detailhandel met een omvang van meer dan 2.000 m2 bruto vloeroppervlak. Voorts is het, nu ook in het REO-advies van een programma wordt uitgegaan dat niet in het bestemmingsplan is verankerd, de vraag of het provinciebestuur bij zijn goedkeuring van dat advies ook heeft beoogd in te stemmen met de ontwikkelingen die het plan daadwerkelijk mogelijk maakt, aldus NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein.

13.1. De raad stelt dat uit de distributieve toets volgt dat er voldoende marktruimte is om de gewenste ontwikkelingen te realiseren. De raad stelt niet gehouden te zijn het gemaakte onderscheid in detailhandel zoals aangegeven in de berekeningen van de distributieve toets één op één over te nemen in het bestemmingsplan. Het vastleggen van een gedetailleerde invulling van detailhandel in het plan staat, voor zover dit al mogelijk zou zijn (hetgeen de raad betwist), het realiseren van de gewenste ontwikkeling in de weg, aldus de raad. Bij het bepalen van de actuele regionale behoefte is volgens de raad wel terecht rekening gehouden met een bepaalde branchering van detailhandel, omdat dit een beter beeld geeft van de behoefte dan een algemene benadering. Uit de distributieve toets volgt dat er gelet op de totale behoefte aan detailhandel meer ruimte is dan in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, aldus de raad.

De raad stelt verder dat in het DPO zorgvuldig het bestaande aanbod is getoetst in relatie tot de vraag. De raad verwijst daartoe naar de paragrafen 1.2 en 2.2, 2.4 van het DPO.

De raad stelt voorts dat uit de distributieve toets volgt dat de herontwikkeling van Zuidplein distributief verantwoord is, maar dat er mogelijk sprake is van enige verdringing. Afgezet tegen het totale winkelaanbod in Rotterdam-Zuid gaat het om een verdringingseffect van 2,8% tot 3,2%, dat in de praktijk kan leiden tot sluiten van enkele winkels. Ook zonder uitbreiding van Zuidplein is er volgens de raad reeds onvoldoende toekomstperspectief voor deze winkels. De raad kan NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein niet volgen in hun grond dat in de distributieve toets de effecten ten opzichte van het huidige winkelcentrum niet zijn onderzocht, nu daarin wordt bezien of de actuele regionale behoefte kan worden gerealiseerd door het huidige winkelcentrum.

13.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

13.3. Ingevolge artikel 2.1.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2014 voldoet een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende eisen:

a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;

b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of

c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,

i gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,

ii passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en

iii zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Ingevolge artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder b, voldoet de nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, aan de eis dat, voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 2.000 m2 bruto vloeroppervlak, het bestemmingsplan hier uitsluitend in voorziet als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat en mede met het oog hierop advies is gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.

13.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:743), dient volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro bij de beoordeling of sprake is van een actuele regionale behoefte de behoefte te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. Voor detailhandel betekent dit dat wordt gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van winkelleegstand. Inzichtelijk moet zijn gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in de betrokken regio zal leiden.

13.5. In het DPO wordt in paragraaf 2.5 geconcludeerd dat winkelcentrum Zuidplein over ontwikkelingsmogelijkheden beschikt van ongeveer 3.500 m² wvo (heden) tot 4.000 m² wvo (2020 en verder) in de dagelijkse sector en van 10.000 m² wvo (heden) tot 7.600 m² wvo (2020 en verder) in de niet-dagelijkse. De ontwikkelingsmogelijkheden van reguliere detailhandel belopen dus ongeveer 13.500 m2 wvo (heden) tot 11.600 m2 wvo (2020 en verder). Meer specifiek staat in paragraaf 2.3 dat het winkelcentrum in 2020, als de geplande uitbreiding van Zuidplein start, over een indicatieve marktruimte zal beschikken van maximaal 4.000 m² wvo in de sector "dagelijks", 3.150 m2 wvo in de sector "mode & luxe" en 4.500 m² wvo in de sector "vrije tijd & electro". Verder wordt in het DPO verondersteld dat "Grab & Go" alsmede hybride concepten, startende ondernemingen en specifieke winkels niet direct concurreren met reguliere detailhandel. Zij voorzien in een zeer specifieke behoefte, gelieerd aan de OV-knoop en andere publieksvoorzieningen in Hart van Zuid. De effecten hiervan op de reguliere detailhandel zijn volgens het DPO dan ook te verwaarlozen. Deze maken daarom geen deel uit van de distributieve berekening.

13.6. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein verwijzen ter ondersteuning van hun betoog dat leegstaande winkelpanden niet zijn meegenomen in de distributieve toets naar Bijlage 3 van het DPO. Deze bijlage bevat een Distributieve berekening Zuidplein, waarin het gevestigde aanbod is meegenomen (48.266 m2 wvo). Op blz. 14-17 van het DPO wordt ingegaan op leegstand, welke volgens het DPO op Winkelcentrum Zuidplein 1.347 m2 wvo bedraagt. Op blz. 15 en in tabel 3 op blz. 16 wordt uitgegaan van een gevestigd aanbod van 51.748 m2 (met leegstand: 53.095 m2). In het verweerschrift heeft de raad verduidelijkt dat in het DPO abusievelijk is vermeld dat het getal van 51.748 m2 wvo exclusief leegstand was. Dit had "inclusief leegstand" moeten zijn. Daarom had in tabel 3 in plaats van 50.401 m2 wvo moeten staan: 51.748 m2 wvo. Hoewel het getal van 51.748 m2 inclusief leegstand hoger is dan het getal van 48.266 m2 in Bijlage 3, leidt dit, anders dan NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein menen, niet tot de conclusie dat in Bijlage 3 leegstand niet is meegenomen. Het getal in Bijlage 3 ziet immers op detailhandel in de sectoren dagelijks, mode & luxe en vrije tijd & electro, terwijl het getal op blz. 16 van het DPO mede betrekking heeft op overige niet-dagelijkse detailhandel. De desbetreffende betogen falen.

13.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421) is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Uit hetgeen hiervoor werd overwogen volgt dat het niet mogelijk moet worden geacht dat binnen de bestemming "Gemengd - 4" meer dan 5.000 m2 wvo aan reguliere detailhandel wordt gerealiseerd. Binnen de bestemming "Gemengd - 2" wordt geen reguliere detailhandel beoogd. De totaliteit van de berekende behoefte aan reguliere detailhandel overstijgt bedoelde 5.000 m2 wvo in beduidende mate. Het DPO gaat ervan uit dat deze 5.000 m2 wvo wordt ingevuld met 2.000 m² wvo aan reguliere dagelijkse detailhandel en 3.000 m² wvo aan reguliere niet-dagelijkse detailhandel. Deze invulling valt blijkens het DPO binnen de berekende behoefte. Het plan staat er echter niet aan in de weg dat bedoelde 5.000 m2 wvo geheel wordt ingevuld met reguliere dagelijkse detailhandel of reguliere niet-dagelijkse detailhandel uit de sector "mode & luxe" dan wel uit de sector "vrije tijd & electro". Ingeval van dergelijke invullingen zou de berekende behoefte voor de sectoren "dagelijks, "mode & luxe" of "vrije tijd & electro" in zekere mate worden overschreden, zodat een zeker risico op leegstand ontstaat.

De raad acht dit risico op zichzelf evenwel aanvaardbaar. Het verdringingseffect is in dat geval volgens de raad enkele procenten groter dan in het DPO is berekend bij het realiseren van 4.000 m² wvo in de sector "dagelijks", 3.150 m2 wvo in de sector "mode & luxe" dan wel 4.500 m² wvo in de sector "vrije tijd & electro", maar volgens de raad nog steeds acceptabel. Daarbij merkt de raad op dat het verdringingseffect zich zal voordoen in andere delen van Rotterdam(-Zuid) die nu al zwak zijn en waar reeds wordt ingezet op transformatie. Ook zonder het onderhavige plan zijn de vooruitzichten voor detailhandel daar ongunstig, zodat niets doen volgens de raad geen optie is. De raad hecht belang aan de omstandigheid dat juist in het plangebied behoefte bestaat aan winkels in de nabijheid van culturele functies en andere voorzieningen en zet daarom in op revitalisering van het Hart van Zuid. Voorts wijst de raad erop dat voor het bestaande deel van het winkelcentrum, waar het plan 53.100 m2 wvo detailhandel toestaat, evenmin een brancheringsregeling is opgenomen, zodat branchering voor de uitbreiding weinig effect zou hebben. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Mede gelet op het hierboven weergegeven beoordelingskader is de Afdeling van oordeel dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling verenigbaar is met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro en artikel 2.1.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2014. Voorts acht de Afdeling voldoende aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat als bedoeld in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening Ruimte 2014. De betogen falen.

13.8. Ten aanzien van de betogen van NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein dat niet duidelijk is of het provinciebestuur bij zijn goedkeuring van het REO-advies als bedoeld in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening Ruimte 2014 heeft beoogd in te stemmen met de ontwikkelingen die het plan daadwerkelijk mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat de Verordening Ruimte 2014 niet voorziet in goedkeuring van het REO-advies door het provinciebestuur. De betogen falen.

14. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein voeren verder aan dat voor andere functies dan detailhandel de actuele regionale behoefte ten onrechte in het geheel niet inzichtelijk is gemaakt. De beleidskaders waarnaar de raad verwijst zijn volgens hen onvoldoende, omdat daarin geen afweging plaatsvindt van de behoefte tegen het bestaande aanbod.

14.1. De raad deelt niet het standpunt van NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein dat het plan geen onderbouwing biedt voor een actuele regionale behoefte aan andere functies dan detailhandel. In hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan en in de Structuurvisie Hart van Zuid wordt uitgebreid ingegaan op de beleidskaders, voornemens, en behoefte aan woningen, horeca, evenementen, hotels en cultuur, aldus de raad.

14.2. Hoofdstuk 3 van de plantoelichting betreft het beleidskader. De Structuurvisie Hart van Zuid schetst met name een ontwikkelvisie. De raad heeft geen cijfermatige onderbouwing gegeven van de regionale behoefte aan andere voorziene functies dan detailhandel. Ter zitting heeft de raad gesteld dat een groot deel van de functies reeds aanwezig is en wordt verschoven, en de rest past bij wat al aanwezig is. Nu hetgeen de raad naar voren heeft gebracht geen helder en eenduidig standpunt oplevert ten aanzien van het inzichtelijk maken van de actuele regionale behoefte aan andere functies dan detailhandel, acht de Afdeling het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De betogen slagen.

15. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen voorts dat het plan strijdig is met provinciaal en regionaal beleid dat sprake moet zijn van verbetering van de bestaande detailhandelsfuncties. Zij voeren daartoe aan dat het plan ontwikkelingen mogelijk maakt die niet per definitie een versterking van het bestaande winkelcentrum inhouden. Indien zich solitaire winkels vestigen op korte afstand van het bestaande winkelcentrum, in het noordelijk deel van het bestemmingsvlak "Gemengd - 4", kan het effect volgens hen zelfs negatief zijn.

15.1. De raad stelt dat het plan in lijn is met de vigerende provinciale en regionale beleidskaders. De beoogde uitbreiding op Zuidplein komt tegemoet aan de door de provincie gewenste versterking, wat ook blijkt uit de goedkeuring door de provincie en regio van het DPO, aldus de raad.

15.2. In paragraaf 2.3.4 van het Programma ruimte van de provincie Zuid-Holland staat dat het provinciale detailhandelsbeleid erop is gericht om de detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken. Voor te ontwikkelen centra (waaronder Rotterdam Zuidplein) wordt gestreefd naar een opwaardering van de detailhandelsfunctie in termen van kwaliteit (winkelbestand en openbare ruimte), parkeren en bereikbaarheid en imago/beleving door deze vooral kwalitatief te verbeteren en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Onder voorwaarde van het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, kan voor deze categorie sprake zijn van uitbreiding van het winkelareaal.

Op blz. 35 van het Beleid detailhandelsstructuur 2012 van de Stadsregio Rotterdam wordt als criterium genoemd dat aangetoond moet kunnen worden dat het initiatief geen (blijvende) negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur en/of in het beleid aangegeven ontwikkeling daarvan.

15.3. In verband met de samenhang tussen de detailhandelsfuncties en de overige functies zal de Afdeling, gelet op hetgeen is overwogen onder 14.2, de behandeling van deze grond aanhouden tot de einduitspraak.

Planregeling winkelcentrum (voor het overige)

16. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat het ten onrechte binnen het gehele gebied met de bestemming "Gemengd - 4" is toegestaan om 7.000 m2 wvo detailhandel toe te voegen, ook solitair en op de begane grond. Hierdoor is de aansluiting van de uitbreiding van het winkelcentrum op het bestaande winkelcentrum - dat zich op de tweede etage bevindt - ten onrechte niet verankerd. Een dergelijke invulling betekent volgens hen geen versterking maar eerder een afbreuk aan het bestaande winkelcentrum. In het DPO wordt uitgegaan van een uitbreiding in aansluiting op het bestaande winkelcentrum, aldus NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein.

16.1. De raad acht de stelling dat het op grond van de planregels ook mogelijk is om een of meerdere solitaire winkelvestigingen of winkelclusters te vestigen, een louter theoretische situatie. Zelfs indien daarvan al sprake zou zijn, dan is er in het kader van het bestemmingsplan nog steeds sprake van een versterking van het winkelcentrum, aldus de raad.

16.2. Uit hetgeen de Afdeling hiervoor onder 12.6 heeft overwogen volgt dat het fysiek niet mogelijk moet worden geacht dat binnen de bestemming "Gemengd - 4" meer dan 5.000 m2 wvo aan reguliere detailhandel wordt gerealiseerd. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat in de plantoelichting en de Structuurvisie Hart van Zuid een versterking van het winkelcentrum wordt voorgestaan en dat in het DPO wordt uitgegaan van 5.000 m² wvo voor de uitbreiding van het huidige winkelcentrum, boven het huidige busstation, direct aansluitend aan en op hetzelfde niveau als het winkelcentrum Zuidplein. Zoals de raad heeft gesteld wordt op blz. 33 van het DPO evenwel aandacht besteed aan het aspect versterking, zonder daarbij specifiek uit te gaan van bedoelde aansluiting. Hiervoor onder 13.7 heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling verenigbaar is met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro en artikel 2.1.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2014. Voorts zijn de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van detailhandel naar het oordeel van de Afdeling in zoverre uit het oogpunt van rechtszekerheid voldoende neergelegd in de planregels. De betogen falen.

17. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat door middel van de bestemming "Gemengd - 3" het bestaande winkelcentrum ten onrechte op slot wordt gezet, aangezien een maximum is opgenomen van 53.100 m2 wvo voor detailhandel, hetgeen volgens de nota zienswijzen overeenkomt met het aantal winkelmeters dat volgens de meest actuele gegevens van Locatus aanwezig is. Volgens NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein kan er niet van worden uitgegaan dat deze gegevens exact aansluiten op de feitelijke situatie, nu de gegevens van Locatus doorgaans voor andere doelen worden gebruikt. Doordat niet inzichtelijk is of Locatus dezelfde definitie van detailhandel hanteert als het bestemmingsplan, wordt mogelijk ten onrechte winkeloppervlakte niet langer als zodanig bestemd zonder dat daarvoor een ruimtelijke noodzaak aanwezig is, aldus NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein. Voorts is het opgenomen maximum volgens hen niet uitvoerbaar, aangezien niet bepaalbaar is welke winkel de oorzaak is van een eventuele overschrijding. Verder is volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met het overgangsrecht. Ook is de regeling van artikel 5, lid 5.3.1, aanhef en onder a, van de planregels volgens hen rechtsonzeker, omdat onduidelijk is of een winkel alleen meetelt als deze daadwerkelijk in gebruik is genomen of ook in de periode dat een huurcontract is getekend en er nog wordt verbouwd. De maximum oppervlakte beperkt hun bewegingsruimte onaanvaardbaar doordat bij een herindeling van het winkelcentrum nauwelijks winkelmeters kunnen worden toegevoegd, terwijl er voldoende distributieve ruimte is, aldus NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein. Ten slotte achten zij artikel 1, Iid 1.50, van de planregels onbegrijpelijk.

17.1. De raad stelt dat binnen de bestemming "Gemengd - 3" een maximum is opgenomen voor winkeloppervlak, ter voorkoming dat winkelruimte wordt toegevoegd, die er nu niet is. Uitbreiding van het huidige winkelcentrum binnen de bestemming "Gemengd - 3", door bijvoorbeeld verblijfruimte alsnog te betrekken bij winkeloppervlakte, acht de raad een ongewenste ontwikkeling. De raad meent dat de gehanteerde cijfers juist zijn. Hij ziet niet in waarom de gegevens van Locatus niet zouden kunnen worden gebruikt, enkel vanwege het feit dat deze gegevens ook voor andere doeleinden worden gebruikt.

17.2. Aan de gronden van het Winkelcentrum Zuidplein is de bestemming "Gemengd - 3" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 3" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel.

Ingevolge artikel 5, lid 5.3.1, aanhef en onder a, is ten aanzien van de maximum toegestane oppervlakte bepaald dat het totale winkelvloeroppervlak voor detailhandel niet meer dan 53.100 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.50, wordt onder "Winkelvloeroppervlakte" verstaan: de voor het winkelend publiek toegankelijke verkoopruimte van een detailhandelsbedrijf, inclusief zichtbare ruimte achter toonbanken en kassa's, die exclusief bergingen 84% en inclusief bergingen 77% van het brutovloeroppervlakte mag bedragen.

17.3. De raad heeft het in artikel 5, lid 5.3.1, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen getal gebaseerd op gegevens van Locatus. Daarbij heeft de raad gesteld dat het toegestane aantal winkelmeters 3.000 m2 extra ruimte omvat ten opzichte van wat feitelijk aanwezig is, zodat de bewegingsruimte juist wordt bevorderd, temeer omdat ook detailhandel uit de dagelijkse sector en horeca mogelijk wordt gemaakt. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben ter zitting verklaard dat, hoewel het getal vermoedelijk niet veel afwijkt van hetgeen juist is, zij dit niet weten. Zij hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het getal van 53.100 m2 wvo niet ten minste overeenstemt met het feitelijke aantal winkelmeters en voorziet in een uitbreiding met 3.000 m2 wvo. Het enkele feit dat de gegevens van Locatus ook voor andere doeleinden worden gebruikt, leidt niet tot die conclusie. Voor zover NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben betoogd dat de regeling van artikel 5, lid 5.3.1, aanhef en onder a, van de planregels rechtsonzeker is, treft dit geen doel, aangezien deze bepaling op gebruikelijke wijze is geformuleerd. Blijkens het verhandelde ter zitting keren NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein zich tegen artikel 1, lid 1.50, van de planregels omdat zij vrezen dat hun bewegingsruimte wordt aangetast doordat onder meer bergingen niet meer kunnen worden benut als winkels. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat op blz. 17 van het DPO wordt onderbouwd waarom de benutting van bergingen en openbare verblijfsruimten voor winkels niet realistisch wordt geacht. NSI en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben niet aannemelijk gemaakt waarom de raad niet in redelijkheid van dat standpunt heeft kunnen uitgaan. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat door de betrokken planregeling winkelmeters niet langer als zodanig zijn bestemd. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat zich overgangsrechtelijke problemen voordoen of dat bewegingsruimte onevenredig wordt aangetast. De betogen falen.

Behoefte wijziging busstation

18. VVE Zuiderterras voert aan dat de verplaatsing van het busstation − ingegeven door uitbreiding van het winkelcentrum tot de plaats waar nu het busstation is − vanwege afnemende vraag naar winkelruimte niet noodzakelijk is. De uitgangspunten omtrent bezoekersaantallen staan volgens haar niet vast, zodat risico bestaat op verlieslijdende exploitatie van voorzieningen, hetgeen leidt tot verloedering.

18.1. De raad stelt dat aanleiding voor de herinrichting van het busstation niet de uitbreiding van het winkelcentrum, maar de verbetering van het busstation is in verband met de ontwikkeling van het openbaar vervoer en het bevorderen van de sociale veiligheid, waarbij ook kansen ontstaan voor het autovrij maken van de Gooilandsingel.

18.2. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan wijziging van het busstation. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat (geluid algemeen)

19. Stichting Zuidpleingebied en VVE woningen Zuidplein betogen dat ten onrechte niet voor alle bestaande woonlocaties een waarde van 68 dB voor de cumulatieve geluidbelasting is gesteld, in plaats van uitsluitend een waarde van 68 dB voor woningen bij de onderdoorgang van het Zuiderterras, van welke waarde niet duidelijk is of deze op de cumulatieve geluidbelasting betrekking heeft of alleen op geluidbelasting vanwege openbaar vervoer.

Voorts betogen Stichting Zuidpleingebied en VVE woningen Zuidplein dat ten onrechte geen maximale binnenwaarde van 35 dB is gesteld voor alle woningen waarvoor een grenswaarde is gesteld en voor alle geluidbronnen, in plaats van alleen een maximale binnenwaarde van 35 dB voor de Van Swietenlaan/Zuidplein vanwege vrachtverkeer.

Stichting Zuidpleingebied betoogt voorts dat voor de locatie Van Swietenlaan/Zuidplein ten onrechte geen grenswaarde van 50 dB voor de cumulatie met andere geluidbronnen, zoals metro, busverkeer en installaties van gebouwen is opgenomen, in plaats van alleen een waarde van 50 dB voor vrachtverkeer van en naar de inrichtingen.

19.1. De raad stelt dat uit het rapport Hart van Zuid in Rotterdam van Van Kooten akoestisch advies van 19 augustus 2015 (hierna: het akoestisch rapport) volgt dat het woon- en leefklimaat op sommige plekken enigszins onder druk komt te staan, maar op andere plekken wordt verbeterd, doordat er een verschuiving optreedt. Voor de locaties met een risico op dit punt zijn in planregels voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, waarbij grenswaarden zijn vastgesteld. Dit betreft de locaties van de onderdoorgang van het Zuiderterras en van de bestaande woningen aan de Van Swietenlaan/Zuidplein. De raad stelt zich op het standpunt dat het opnemen van een voorwaardelijke verplichting voor alle woningen in het plangebied niet noodzakelijk is, aangezien uit de onderzoeken niet naar voren komt dat op andere plekken sprake is van een risico op het overschrijden van de norm. De raad stelt dat blijkens blz. 38-39 van het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met cumulatie van geluidbronnen.

19.2. Aan de gronden waar het kunstenpand ter plaatse van de Van Swietenlaan is voorzien is de bestemming "Gemengd - 2" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3.4, van de planregels is het gebruik van de gronden ten behoeve van cultuur en ontspanning uitsluitend toegestaan indien:

a. […]

b. de binnen de bestemming "Gemengd - 2" gelegen inrichtingen op de gevels van woningen aan de Van Swietenlaan door het vrachtverkeer van en naar de inrichtingen een maximale geluidbelasting veroorzaken van niet meer dan 50 dB(A);

van de in lid b. genoemde waarde kan slechts worden afgeweken als in de geluidgevoelige ruimten een binnenwaarde van 35 dB(A) is gegarandeerd, tenzij niet is ingegaan op het aanbod tot het treffen van geluidwerende voorzieningen. Het aanbod dient rekening te houden met de bestaande gevel en dient tijdig te worden gedaan. Er wordt geacht niet op het aanbod te zijn ingegaan als bij het aanbod overeenkomstig artikel 6.9 van het Besluit geluidhinder is gehandeld.

19.3. Aan de gronden ter plaatse van de onderdoorgang bij de Zuiderterrasflats is de aanduiding "onderdoorgang" toegekend. Aan de gronden ten noorden en zuiden van de onderdoorgang is de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de bouwaanduiding "onderdoorgang" tevens bestemd voor een onderdoorgang.

Ingevolge artikel 16, lid 16.3.2, is ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" het gebruik van de gronden voor openbaar vervoer toegestaan indien de geluidbelasting op de gevel van de nabij en bovengelegen woningen niet meer dan 68 dB bedraagt, zo nodig met behulp van maatregelen.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder g, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor overhangende bouwdelen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming.

Ingevolge artikel 13, lid 13.2.1, aanhef en onder d, van de planregels mag op de in artikel 13, lid 13.1, bedoelde gronden niet worden gebouwd, behoudens overhangende bouwdelen aan gebouwen als bedoeld in het artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder g, niet dieper dan 9 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld, inclusief een constructieve voorziening ten behoeve daarvan.

19.4. In het akoestisch rapport is bezien wat de geluidgevolgen zijn voor de bestaande en nieuw te bouwen woningen. In het akoestisch rapport is vermeld dat de Wet geluidhinder alleen van toepassing is op de nieuw te bouwen woningen op het tennispark en nabij het Hoornbeeckcollege en de uitbreiding van het Hoornbeeckcollege, alsmede op de reconstructie van de Vaanweg. Voor het overige geschiedt de beoordeling aan de hand van het Gemeentelijk Geluidbeleid, de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering en de goede ruimtelijke ordening.

Op blz. 8 van het akoestisch rapport wordt het op grond hiervan gehanteerde toetsingskader voor de bestaande woningen nabij 30 km/uur wegen, zoals de wegen in het centrum van het plangebied, omschreven: "Bij de beoordeling van de invloed van 30 km/uur wegen, als ook cumulatie wordt zo goed mogelijk aangesloten bij de normering van de Wet geluidhinder. Dit houdt in dat in het algemeen een maximale gecumuleerde geluidbelasting LCUM van 68 dB (of 63 dB bij toepassing van de aftrek van 5 dB conform artikel 110 van de Wet geluidhinder) nog aanvaardbaar wordt geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Bij een toename in geluidbelasting ten opzichte van de autonome ontwikkeling sluit de beoordeling aan bij wegaanpassingen en saneringssituaties in het kader van de Wet geluidhinder. Concreet houdt dit in dat een toename van afgerond minder dan 2 dB(A) toelaatbaar is zonder afweging van maatregelen en dat toename vanaf 2 dB(A) wel als relevant wordt beoordeeld, en aanleiding om te bezien of er maatregelen kunnen worden genomen. Gezien de stedelijke situatie rond Hart van Zuid zullen bron- en overdrachtsmaatregelen veelal nauwelijks haalbaar zijn. Bij de aanvaardbaarheid van een toename in geluidbelasting kunnen te verwachten binnenwaarden een belangrijke rol spelen. Deze bepalen immers in hoge mate de daadwerkelijke hinder die kan worden ondervonden. In aansluiting op door het rijk gefinancierde saneringsregelingen wordt een binnenwaarde van 38 dB als streefwaarde gezien. Bij binnenwaarden hoger dan 43 dB is er daadwerkelijk sprake van een onwenselijke situatie waar het treffen van maatregelen voor de hand ligt."

In het akoestisch rapport zijn verschillende alternatieven en varianten onderzocht. In de selectie van een voorkeursalternatief is volgens het rapport sterk rekening gehouden met de geluidssituatie. Het gekozen ambitiealternatief, optimalisatievariant "patio" voor de busroutering, in combinatie met behoud van de bussluis in de Carnissesingel, is volgens het rapport relatief gunstig voor geluid. In het rapport wordt geconcludeerd dat uiteindelijk twee specifieke aandachtspunten resteren: de onderdoorgang ter hoogte van de Zuiderterrasflat en het laden en lossen ter plaatse van het kunstenpand aan de zijde van de Van Swietenlaan. Voor de onderdoorgang bij de Zuiderterrasflat is in het plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die strekt tot maximering van de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op 68 dB. Voor het laden en lossen bij het kunstenpand is een verplichting opgenomen die ziet op inpandig laden en lossen en het borgen van maximale binnenwaarden van nabij gelegen woningen, zo nodig door het treffen van geluidsisolerende maatregelen aan die woningen.

19.5. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

19.6. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

19.7. VVE woningen Zuidplein voert mede bezwaren aan met betrekking tot geluidoverlast bij andere woningen dan ter plaatse van de Van Swietenlaan/Zuidplein. De bezwaren hebben in zoverre geen betrekking op het eigen belang van de leden van VVE woningen Zuidplein, maar zien uitsluitend op de belangen van de gebruikers van die woningen in het plangebied. Voor VVE woningen Zuidplein gaat het om het belang van het behoud van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de gronden van haar leden. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond in zoverre buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit in verband daarmee zou worden vernietigd.

19.8. Ten aanzien van het betoog van Stichting Zuidpleingebied dat ten onrechte niet voor alle bestaande woonlocaties een waarde van 68 dB voor de cumulatieve geluidbelasting is gesteld en ten onrechte voor alle woningen waarvoor een grenswaarde is gesteld geen maximale binnenwaarde van 35 dB voor alle geluidbronnen is gesteld, alsmede ten aanzien van het dienovereenkomstige betoog van VVE woningen Zuidplein voor de woningen ter plaatse van de Van Swietenlaan/Zuidplein, overweegt de Afdeling als volgt.

In hoofdstuk 6 van het akoestisch rapport zijn in het licht van het gehanteerde toetsingskader verschillende deellocaties onderzocht. Hierbij zijn twee situaties als aandachtspunt overgebleven: de onderdoorgang bij de Zuiderterrasflats en het laden en lossen bij het kunstenpand. Daarom worden voor die situaties aanvullende maatregelen aanbevolen. In overeenstemming hiermee zijn in het plan alleen voor die situaties voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. In hetgeen Stichting Zuidpleingebied en VVE woningen Zuidplein hebben aangevoerd is geen reden gelegen waarom de raad in redelijkheid voor de door hen bedoelde woningen de door hen verlangde voorwaardelijke verplichtingen had moeten opnemen. De betogen falen in zoverre.

De Afdeling begrijpt artikel 16, lid 16.3.2, van de planregels aldus dat, hoewel deze bepaling onder voorwaarden het gebruik van de onderdoorgang van het Zuiderterras voor openbaar vervoer toestaat, de geluidbelasting waarvan dit afhankelijk wordt gesteld ziet op het totale wegverkeerslawaai. De desbetreffende betogen missen feitelijke grondslag.

De norm van 50 dB voor het vrachtverkeer van en naar het kunstenpand in artikel 4, lid 4.3.4, van de planregels is blijkens blz. 30 van het akoestisch rapport ontleend aan de circulaire "Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m." van 29 februari 1996. De norm van 50 dB van die circulaire ziet alleen op de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting. De installaties van gebouwen waarop Stichting Zuidpleingebied doelt zijn onderworpen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. De binnenwaarde van 35 dB van voornoemde circulaire heeft betrekking op het totale wegverkeer (zie onder meer uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1031). Gelet hierop dient artikel 4, lid 4.3.4, van de planregels eveneens aldus te worden uitgelegd en falen de desbetreffende betogen.

Woon- en leefklimaat (plandeel Zuiderterras)

20. VVE Zuiderterras betoogt dat het plan er ten onrechte in voorziet dat de busroute die thans langs het appartementencomplex van haar leden loopt, wordt verlegd tot direct onder de delen B en C (Sallandweg) van het appartementencomplex. Door de busbaan onder het complex zal de bestaande laad- en loszone een dubbelfunctie krijgen en het verkeer er toenemen. Hierdoor vreest zij voor milieuoverlast, aantasting van de toegankelijkheid van het complex en van de verkeersveiligheid. Volgens haar wordt niet voldaan aan het in de raad aangenomen amendement "Geen voorkeursvariant Patio B", nu het plan niet uitsluit dat er vanaf twee kanten onder het appartementengebouw kan worden gereden door bussen.

20.1. Stichting Zuidpleingebied betoogt dat nu het plan het mogelijk maakt dat er een nieuw busstation komt en de bussen niet meer over de Gooilandsingel, maar over het Metroplein of de Sallandweg rijden, langs en onder woningen aan het Zuiderterras en de Carnissesingel, grote gevolgen optreden voor de geluidbelasting, de luchtkwaliteit, de bereikbaarheid van deze woningen en de verkeersveiligheid. De bewoners worden volgens de Stichting Zuidpleingebied onevenredig benadeeld door het autoluw maken van de Gooilandsingel ten behoeve van de bezoekers van het gebied. Volgens haar is het handhaven van de huidige busroutes of het slechts gedeeltelijk autoluw maken van de Gooilandsingel (bij het zwembad en het kunstenpand) ten onrechte niet nadrukkelijker als variant opgenomen in het plan.

Stichting Zuidpleingebied voert aan dat in het verkeersrapport onvoldoende is onderzocht hoe de entrees op maaiveld van de woningen aan het Zuiderterras en de Carnissesingel bereikbaar blijven voor taxi- en personenbusvervoer en goederentransport. Volgens haar is onvoldoende onderzocht of de benodigde capaciteit voor het busverkeer toelaat dat één busstrook zonodig dienst kan doen als laad- en loszone. Op de verbeelding en in de planregels dient volgens haar te worden opgenomen dat de huidige laad- en loszone ter plaatse van de onderdoorgang van de terraswoningen wordt gerespecteerd dan wel elders wordt gecompenseerd.

Stichting Zuidpleingebied betoogt voorts dat onvoldoende is onderzocht of de Sallandweg de verkeerstoename aankan als hier tweerichtingsverkeer en bussen komen. Door de wijziging van de verkeerssituatie ter plaatse van de onderdoorgang en daarna richting de Zuiderparkweg, waar het verkeer zich moet verdelen over meerdere rijstroken, kunnen zich volgens Stichting Zuidpleingebied verkeersinfarcten en gevaarlijke verkeerssituaties voordoen.

20.2. [appellant sub 5] betoogt dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt dat de busroute wordt verlegd van langs het appartementencomplex tot onder het appartementencomplex Zuiderterras. Aangezien haar woning boven en naast de geplande busroute is gelegen, ziet zij zich geconfronteerd met een enorme toename van verkeersbewegingen onder en naast haar woning. Dit zal leiden tot geluidoverlast en luchtvervuiling. Ook zal het balkon onbruikbaar worden en haar appartement onverkoopbaar. Volgens haar zijn ten onrechte geen maatregelen in het plan opgenomen om overlast te voorkomen. [appellant sub 5] betoogt voorts dat het plan ten onrechte meebrengt dat de laad- en losplek zal verdwijnen, waardoor haar woning onbereikbaar wordt voor verhuiswagens, taxi’s en dergelijke. Verder is volgens haar de verkeersveiligheid in het geding, aangezien men vanuit het appartementencomplex direct de busbaan oploopt.

20.3. De raad stelt dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat voor de verschillende alternatieven voor het verleggen van de busroute de belasting op de buitengevels van de woningen minder is dan 68 dB, behalve ter plaatse van de onderdoorgang (Sallandweg). Voor deze locatie geeft het akoestisch onderzoek aan dat indien er maatregelen worden getroffen, de belasting minder dan 68 dB is. Voor deze locatie is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 16, lid 16.3.2, van de planregels. De raad merkt hierbij op dat in het bestemmingsplan ten aanzien van deze locatie is voorzien in het mogelijk maken van een langere luifel van maximaal 9 m, voor de situatie dat de busroute daadwerkelijk wordt verlegd naar de Sallandweg.

Ten aanzien van de laad- en loszone aan de Sallandweg stelt de raad dat in het bestemmingsplan de huidige mogelijkheid voor laden en lossen, evenals de bereikbaarheid van de woningen in stand blijft, bij alle varianten van de busroute.

De raad stelt dat het op grond van de conclusies van het verkeersrapport voldoende aannemelijk is dat de verkeerskundige effecten van het plan neutraal tot positief zijn, afhankelijk van de locatie. Niet is aangevoerd op welke punten de bevindingen van het onderzoek onjuist zouden zijn, aldus de raad.

20.4. In het in 7.3 reeds genoemde verkeersrapport zijn voor het busstation verschillende varianten onderzocht: R1. Alle vertrekkende en komende bussen onder terrasflats door; R2. Busstation op maaiveld (met drie subvarianten); R3. Ontsluiting busstation tussen metrobaan en patioflats (met twee subvarianten); R4. Geen verbinding Carnissesingel (behoud bussluis). In de paragrafen 3.1.3 en 3.2.1 van het verkeersrapport worden deze varianten verder besproken.

In paragraaf 2.2 van de plantoelichting wordt, onder verwijzing naar het Milieueffectrapport Hart van Zuid Rotterdam van Tauw bv van 28 augustus 2015 (hierna: het milieueffectrapport), vermeld dat bovenop het zogeheten basisalternatief (de vorming van het Plein op Zuid en het Ahoyplein) en het ambitiealternatief (waarin toevoegingen zijn opgenomen zoals een extra uitbreiding van het winkelcentrum Zuidplein en gemengd programma aan de Gooilandsingel) optimalisatievarianten zijn uitgewerkt. Optimalisatievariant 1 betreft een clustering van maatregelen die een verbetering zijn van de openbare ruimte, waaronder verlegging van de busbaan, waardoor de Gooilandsingel busvrij wordt. Voor de locatie van het busstation en de route van de bussen zijn subvarianten ontwikkeld, die uitgaan van een busstation op maaiveld (maaiveld A, B en C) en verlegging van de bushelling nabij de terrasflats (patio A en B). Ook is een subvariant ontwikkeld die uitgaat van het behouden van de bussluis in de Carnissesingel.

Paragraaf 2.4 van de toelichting op het vastgestelde plan vermeldt dat de uitwerking van de maatregelen in de volgende fasen van de planvorming gebeurt, in overleg met bewoners en gebruikers van het gebied tijdens de werkgroepsessies. Onderdeel van het voorkeursalternatief is dat de functie van de bussluis in de Carnissesingel wordt gehandhaafd. Ten aanzien van de busvarianten zijn volgens paragraaf 2.4 van de plantoelichting nog diverse varianten mogelijk in dit bestemmingsplan en zal een definitieve afweging gemaakt worden bij de uitwerking van de plannen. Hoofdstuk 5 van de plantoelichting beschrijft en onderbouwt het gekozen voorkeursalternatief. In de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken zijn echter alle varianten doorgerekend.

20.5. Volgens het amendement "Geen voorkeursvariant Patio B" zal variant Patio B niet langer als voorkeursvariant worden gezien. In de toelichting op het ontwerpplan stond: "Ten tijde van het afronden van het MER (april 2015) is nog geen definitieve keuze gemaakt uit de (sub)varianten voor de bussen. Het voorkeursalternatief gaat daarom vooralsnog uit van twee subvarianten (maaiveld B en patioflats B) voor het busstation. De definitieve keuze moet nog worden vastgesteld." Gelet op de gewijzigde tekst in de toelichting op het vastgestelde plan, waarin niet langer staat dat "patio B" deel uitmaakt van het voorkeursalternatief, is, anders dan VVE Zuiderterras stelt, bij de vaststelling van het plan rekening gehouden met bedoeld amendement.

20.6. In paragraaf 5.3 van de plantoelichting staat dat in een aantal van de mogelijke alternatieven en varianten van Hart van Zuid de bussen van en/of naar de OV-knoop Zuidplein gebruik zullen maken van de onderdoorgang onder de Zuiderterrasflat. Deze route blijft volgens de plantoelichting tevens dienst doen als toegang tot de parkeergarage en voor de bevoorrading. In sommige varianten komen de bussen dichter langs de noord- of westzijde van de terrasflats te rijden. Dit leidt ten opzichte van de huidige situatie tot extra verkeersbewegingen ter plaatse en ook tot een toename van de geluidbelasting, aldus de plantoelichting. In verband daarmee is in artikel 16, lid 16.3.2, van de planregels de maximumwaarde van 68 dB opgenomen.

Het plan legt geen specifieke busroute vast. Voor het geval de busroute wordt verlegd naar de Sallandweg en de onderdoorgang onder de terrasflats, is artikel 16, lid 16.3.2, van de planregels opgenomen. Uit hetgeen eerder is overwogen volgt dat de raad bij het stellen van de waarde in artikel 16, lid 16.3.2, van de planregels aansluiting heeft gezocht bij de systematiek van de Wet geluidhinder. Voorts voorziet artikel 13, lid 13.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in een luifel van maximaal 9 m bij de onderdoorgang om aan deze waarde te kunnen voldoen. Gelet op de aard van de omgeving, die wordt gekenmerkt door een stedelijk karakter, heeft de raad in redelijkheid kunnen kiezen voor het stellen van deze planregels, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zoverre niet is gewaarborgd.

In het milieueffectrapport is ten aanzien van luchtkwaliteit vermeld dat met name op het busstation, in de nabijheid van stationair draaiende bussen licht verhoogde concentraties verontreinigende stoffen kunnen voorkomen. Overschrijding van grenswaarden is hierbij niet aan de orde. De afstand van de bussen tot de woningen is dusdanig, dat de verhoogde concentraties daar niet meer merkbaar zijn. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is.

20.7. Ten aanzien van de vrees dat de toegankelijkheid van het appartementencomplex Zuiderterras wordt aangetast doordat de laad- en loszone bij de onderdoorgang zal verdwijnen of zal worden belemmerd, overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat het plan aan het voortbestaan van de laad- en loszone niet in de weg staat. De precieze inrichting van het plangebied en de verkeersmaatregelen die nodig zijn, zijn een kwestie van uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. VVE Zuiderterras, Stichting Zuidpleingebied en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat geen aanvaardbare uitvoering van het plan in zoverre kan plaatsvinden. Overigens leent het feitelijk aanwezige deel van de onderdoorgang dat wordt gebruikt door fietsers en voetgangers zich niet voor de doorgang van bussen.

20.8. Met betrekking tot de vrees dat de verkeersveiligheid bij de onderdoorgang en op de Sallandweg wordt aangetast overweegt de Afdeling dat in hoofdstuk 7 van het verkeersrapport wordt ingegaan op het aspect verkeersveiligheid. Ondanks de aandachtspunten die volgens het verkeersrapport van belang zijn bij de uitwerking van alle ontwerpen, wordt in het verkeersrapport een positieve beoordeling van de verkeersveiligheid gegeven. De varianten hebben hierop volgens het rapport geen of slechts een minimale invloed. In hetgeen VVE Zuiderterras, Stichting Zuidpleingebied en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van dit rapport heeft mogen uitgaan.

20.9. De betogen falen.

Parkeren

Algemeen

21. VVE Zuiderterras, Stichting Zuidpleingebied, VVE woningen Zuidplein en VVE Winkelcentrum Zuidplein betogen dat het plan ten onrechte niet waarborgt dat voldoende parkeergelegenheid beschikbaar zal zijn, onder meer omdat in het gebied parkeerplaatsen verdwijnen en bij evenementen in Ahoy nu al een parkeertekort bestaat. Zij stellen dat de parkeerbalans niet verifieerbaar en op onderdelen onjuist is. VVE Zuiderterras, VVE woningen Zuidplein en VVE Winkelcentrum Zuidplein voeren voorts aan dat artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels weliswaar de voorwaardelijke verplichting bevat dat bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, maar een uitzondering omvat voor de bestemmingen "Gemengd - 1", "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4", zodat binnen deze bestemmingen ten onrechte geen verplichting geldt tot het realiseren van voldoende parkeergelegenheid. Dit klemt volgens VVE woningen Zuidplein temeer omdat de gemeentelijke bouwverordening geen regels meer stelt omtrent parkeren.

21.1. De raad stelt dat de parkeerbalans is meegenomen in het verkeersrapport. Uit het onderzoek blijkt volgens de raad een positieve parkeerbalans, uitgaande van het ambitiealternatief (het realiseren van alle voorgestane ontwikkelingen). Ten aanzien van artikel 22, lid 22.2.1, van de planregels stelt de raad dat uit de parkeerbalans volgt dat ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd zonder dat aan toekomstige vergunninghouders een parkeereis zou moeten worden gesteld. Gelet daarop is niet voor alle bestemmingen een parkeereis opgenomen, aldus de raad.

21.2. Ingevolge artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels is het gebruik op grond van de regels in hoofdstuk 2 (oprichting van een gebouw of verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik), met uitzondering van de bestemmingen "Gemengd ‐ 1", "Gemengd ‐ 2" en "Gemengd ‐ 4", slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen op eigen terrein, uitgezonderd bestaande functies.

Ingevolge dit lid, onder b, wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in de bijlage 2 Parkeernormen behorende bij deze regels.

21.3. Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) in werking getreden. Deze wet strekt tot het herstel van wetstechnische gebreken en leemten in een aantal wetten op het terrein van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst en op enkele aanverwante terreinen.

Ingevolge artikel XXIII, onder c, is het vijfde lid van artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen. Dit artikel voorzag in de mogelijkheid om in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard, zoals parkeernormen, op te nemen.

Ingevolge artikel 133 van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder h, van de Reparatiewet BZK 2014, blijft, voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro van toepassing is, artikel 8, vijfde lid, zoals dat laatstelijk luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018.

Het onderhavige bestemmingsplan is vastgesteld na de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014. Het plan behelst een zelfstandig plan. Artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, heeft derhalve voor dit plan zijn gelding verloren. Dit betekent dat de parkeernormen uit de bouwverordening geen gelding meer hebben voor het plangebied.

21.4. Uit artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels volgt dat het plan een parkeerregeling bevat voor het plangebied, met uitzondering van de bestemmingen "Gemengd ‐ 1", "Gemengd ‐ 2" en "Gemengd ‐ 4". Dit heeft tot gevolg dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning in zoverre niet kan worden getoetst aan door de raad vastgestelde parkeernormen.

In het verkeersrapport is het plangebied voor de beoordeling van het parkeren onderverdeeld in de deelgebieden 1 tot en met 5. De deelgebieden zijn bepaald op basis van aanvullende richtlijnen van het CROW. De bestemmingen "Gemengd ‐ 1", "Gemengd ‐ 2" en "Gemengd ‐ 4" − waarin de uitbreiding van Ahoy met een hotel, bioscoop, congrescentrum en muziekhal, het kunstenpand, het zwembad en de uitbreiding van het winkelcentrum zijn voorzien − zijn gelegen in de deelgebieden 5, 3 en 4. In het verkeersrapport wordt geconcludeerd dat de parkeerbalans positief is en blijft, voor het totale gebied en voor de deelgebieden.

Daargelaten hetgeen VVE Zuiderterras, Stichting Zuidpleingebied, VVE woningen Zuidplein en VVE Winkelcentrum Zuidplein over de parkeerbalans naar voren hebben gebracht, kon de raad ter zitting desgevraagd niet toelichten waarom in artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels een gedifferentieerde regeling is opgenomen waarbij, anders dan voor de overige bestemmingen binnen het plangebied, voor de bestemmingen "Gemengd ‐ 1", "Gemengd ‐ 2" en "Gemengd ‐ 4" geen parkeerregeling is getroffen in de planregels. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet artikel 3:46 van de Awb. De desbetreffende betogen slagen.

Plandeel Zuiderterras

22. [appellant sub 5] betoogt dat het plan geen uitkomst biedt voor de al bestaande parkeerproblematiek bij haar woning in het complex Zuiderterras en de bestaande problemen groter zal maken, omdat aan de Gooilandsingel en de Boerhavestraat parkeerplaatsen verdwijnen. In de aan het complex Zuiderterras grenzende parkeergarage, die aanvankelijk alleen toegankelijk was voor bewoners via een inpandige doorgang, kan sinds 2014 juist niet meer worden geparkeerd door bewoners. Voor bewoners met een parkeervergunning is het volgens [appellant sub 5] in de praktijk al moeilijk een parkeerplek te vinden, in het bijzonder bij evenementen in Ahoy en op koopavonden.

22.1. In verband met de samenhang tussen dit betoog, dat mede ziet op gevreesde parkeeroverlast van ontwikkelingen in de bestemmingen "Gemengd ‐ 1", "Gemengd ‐ 2" en "Gemengd ‐ 4", en hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels zal de Afdeling de behandeling van deze grond aanhouden tot de einduitspraak.

Plandeel Zuidplein

23. VVE woningen Zuidplein en Stichting Zuidpleingebied betogen dat het plan de rechten van de bewoners van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 op hun 53 op maaiveld gelegen buitenparkeerplaatsen onevenredig aantast, door daar de bouw van een openbare parkeergarage mogelijk te maken. Zij wijzen erop dat de appartementsgerechtigden de betrokken gronden in erfpacht hebben en hier thans een eigen parkeerterrein met een eigen toegang hebben. De raad gaat eraan voorbij dat hij geen beschikkingsmacht heeft over de in erfpacht uitgegeven gronden, aldus VVE woningen Zuidplein. Zij acht het onbegrijpelijk dat niet eerst privaatrechtelijke overeenstemming met haar is bereikt. Hierdoor is de financiële uitvoerbaarheid van het plan volgens haar onvoldoende aangetoond. Indien zich een evidente privaatrechtelijke belemmering voordoet om de garage te realiseren, bestaat reeds daarom een tekort aan parkeerplaatsen, aldus VVE woningen Zuidplein. Het plan dient volgens VVE woningen Zuidplein en Stichting Zuidpleingebied de parkeerplaatsen van de bewoners van Zuidplein 324-510 onder eigen beheer te waarborgen met een eigen ingang en ontsluiting naar het Zuidplein.

23.1. De raad stelt dat het realiseren van de parkeergarage mogelijk is en dat niet uit te sluiten valt dat op termijn overeenstemming wordt bereikt tussen de gerechtigden en de gemeente. De raad merkt ook op dat de overeenstemming die moet worden bereikt, nodig is voor het realiseren van slechts een gedeelte van de parkeergarage, namelijk een overkapping boven de huidige parkeerplaatsen van de eigenaren en dat de parkeergarage ook kan worden gerealiseerd zonder deze overkapping.

23.2. Aan de gronden van het bestaande winkelcentrum, waaronder zich een parkeergarage bevindt, is de bestemming "Gemengd - 3" toegekend. Aan de gronden ten zuiden van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 is de bestemming "Gemengd - 4" met de aanduiding "parkeergarage" toegekend. Aan de gronden van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 is de bestemming "Wonen - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 3" aangewezen gronden bestemd voor parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder h, zijn de voor "Gemengd - 4" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" tevens bestemd voor een (gebouwde) parkeervoorziening, waarbij het bestaande aantal parkeerplaatsen en de toegang tot de aangelegen functies dienen te worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, aanhef en onder b, geldt voor het bouwen van gebouwen de regel dat in afwijking van het bepaalde in artikel 6, lid 6.2.2, onder a en b, ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" een gebouwde parkeervoorziening mag worden gerealiseerd, mede ten behoeve van de aangrenzende bestemming "Wonen - 1", waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.

23.3. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1099) is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerstaangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Blijkens de stukken hebben de appartementsgerechtigden van de woningen Zuidplein 324-510 de gronden van hun parkeerplaatsen in erfpacht. Ter zitting heeft de raad gesteld dat het gemeentebestuur zal proberen in minnelijk overleg tot overeenstemming met de appartementsgerechtigden te komen en niet van zins is tot onteigening over te gaan. Indien geen overeenstemming mocht worden bereikt, zal tot een andere oplossing worden gekomen die niet ten koste gaat van het bestaande en in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder h, van de planregels geborgde aantal van 53 parkeerplaatsen. In dat verband stelt de raad dat de parkeergarage ook kan worden gerealiseerd zonder overkapping boven de bestaande 53 parkeerplaatsen, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk voorkomt. Gelet op het vorenstaande doet zich geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor, zodat voor de onuitvoerbaarheid van het plan in zoverre niet behoeft te worden gevreesd.

Uit artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder h, volgt dat de toegang van de bestaande parkeerplaatsen tot de aangelegen functies dient te worden gehandhaafd. Het plan waarborgt derhalve de ontsluiting van de bestaande parkeerplaatsen van de appartementsgerechtigden van de woningen Zuidplein 324-510 en staat niet in de weg aan handhaving hiervan onder eigen beheer en met een eigen ingang. De precieze inrichting van het plangebied en de verkeersmaatregelen die nodig zijn, zijn een kwestie van uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. VVE woningen Zuidplein en Stichting Zuidpleingebied hebben niet aannemelijk gemaakt dat geen aanvaardbare uitvoering van het plan in zoverre kan plaatsvinden.

De betogen falen.

Woon- en leefklimaat (plandeel Zuidplein)

Geluid en toegankelijkheid

24. VVE woningen Zuidplein voert aan dat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd waar de in- en uitgang van de parkeergarage Zuidplein komt. Hierdoor kan dit zo dicht bij de appartementen Zuidplein 324-510 zijn dat de geluidbelasting onaanvaardbaar is. Hiernaar is volgens haar onvoldoende onderzoek verricht, aangezien het akoestisch onderzoek maar met één invulling rekening houdt. Voorts voert VVE woningen Zuidplein aan dat de planregeling niet voorkomt dat de parkeergarage kan gaan conflicteren met de toegangen tot de bergingen, ruimtes voor huisvuil en uitgangen van de winkels, die via dezelfde kant verlopen.

Stichting Zuidpleingebied voert aan dat de ontsluiting van de Sallandweg, het Zuidplein en de Pleinweg naar en vanuit nieuw te bouwen parkeergelegenheid dan wel uitbreiding daarvan onvoldoende is. Stichting Zuidpleingebied betoogt voorts dat het appartementencomplex Zuidplein 324-510 in de nieuwe situatie minder goed toegankelijk wordt, nu de huidige ontsluiting naar de Pleinweg in het verlengde van de Sallandweg onzeker is.

VVE Winkelcentrum Zuidplein betoogt dat ten onrechte niet is vastgelegd dat de nieuwe parkeergarage bij het Zuidplein fysiek moet worden aangesloten op de bestaande parkeergelegenheid, nu in het verkeersrapport wordt uitgegaan van uitbreiding van de bestaande garage.

24.1. De raad stelt dat niet wordt bestreden dat een goede inpassing van de parkeergarage op de locatie ten zuiden van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 mogelijk is. De meest voor de hand liggende variant is een parkeergarage met ontsluiting aan de westzijde van de woningen aan het Zuidplein. De inrit kan op voldoende afstand van woningen worden gesitueerd, ook kunnen er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting te beperken, aldus de raad. Het gebouw zelf kan zo worden gerealiseerd dat het geluid wordt afgeschermd. Bij uitwerking zal het concrete bouwplan moeten voldoen aan de normen van het Activiteitenbesluit, aldus de raad. De raad merkt op dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat de verplaatsing van het busstation en het creëren van een extra toegang tot de parkeergarage aan de Pleinwegzijde ertoe kan leiden dat er bij de woningen enig extra geluid zal worden geproduceerd. De raad benadrukt dat deze toename van geluid echter niet zal leiden tot overschrijding van de geldende normen.

De raad stelt voorts, zoals hiervoor vermeld, dat het op grond van de conclusies van het verkeersrapport voldoende aannemelijk is dat de verkeerskundige effecten van het plan neutraal tot positief zijn, afhankelijk van de locatie. Niet is aangevoerd op welke punten de bevindingen van het onderzoek onjuist zouden zijn, aldus de raad.

24.2. In het verkeersrapport is de uitbreiding van het winkelcentrum met een nieuwe parkeervoorziening Zuidplein onderzocht. In paragraaf 3.1.6 wordt als onderdeel van het ambitiealternatief de variant beschreven waarin de parkeervoorziening bereikbaar is via de beschikbare entrees van de huidige parkeergarage Zuidplein tegenover de Motorstraat en vanaf de Zuiderparkweg, derhalve aan de oostzijde. In paragraaf 3.2.2 wordt als onderdeel V2 van Optimalisatievariant 2 de variant beschreven waarin de uitbreiding van parkeergarage Zuidplein wordt aangesloten op de Pleinweg, derhalve aan de westzijde.

In het akoestisch rapport zijn zowel het ambitiealternatief als de Optimalisatievariant 2 doorgerekend. In het akoestisch rapport worden wat deze parkeervoorziening betreft voor beide varianten geen knelpunten gesignaleerd. Volgens het akoestisch rapport kan de verplaatsing van het busstation en het creëren van een extra toegang tot de parkeergarage aan de Pleinwegzijde wel betekenen dat er meer en/of dichter bij de betrokken woningen enig geluid wordt geproduceerd, maar blijft het netto effect op de gecumuleerde geluidbelasting beperkt, in verband met het autoluw maken van de Gooilandsingel en de afscherming van geluid die de bouw van de parkeergarage en uitbreiding van het winkelcentrum gaat opleveren. De maximale toename bedraagt volgens het rapport 1 dB bij een gecumuleerde geluidbelasting van 62 dB, hetgeen volgens het rapport in het licht van het gehanteerde kader aanvaardbaar is. In hetgeen VVE woningen Zuidplein, Stichting Zuidpleingebied en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hier niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan. Nu in beide varianten geen knelpunten zijn gesignaleerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat vanuit akoestisch oogpunt bezien in het plan had moeten worden vastgelegd waar de in- en uitgang van de nieuwe parkeergarage Zuidplein komt.

Ten aanzien van de vrees dat de toegankelijkheid van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 dan wel bergingen, ruimtes voor huisvuil of (achter)uitgangen van winkels ontoereikend zal zijn, overweegt de Afdeling dat uit artikel 6, lid 6.1, van de planregels volgt dat de toegang tot de aangelegen functies dient te worden gehandhaafd. De precieze inrichting van het plangebied en verkeersmaatregelen die nodig zijn voor de ontsluiting van deze functies, alsmede van de nieuwe parkeervoorziening, zijn een kwestie van uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. VVE woningen, Stichting Zuidpleingebied en VVE Winkelcentrum Zuidplein hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet van het verkeersrapport heeft mogen uitgaan en geen aanvaardbare uitvoering van het plan in zoverre kan plaatsvinden. In verband hiermee ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat in het plan zou moeten worden vastgelegd dat de nieuwe parkeergarage bij het Zuidplein fysiek moet worden aangesloten op de bestaande parkeergelegenheid.

De betogen falen.

Schaduwhinder Zuidplein 324-510

25. VVE woningen Zuidplein betoogt dat de toegestane bouwhoogte van 6 m op het perceel met de parkeerplaatsen van haar leden, vlakbij de gevel van het appartementencomplex Zuidplein 324-510, leidt tot onaanvaardbare lichtwegneming en aantasting van de bruikbaarheid van de betrokken appartementen. De Bezonningsstudie Hart van Zuid van Kuiper Compagnons van 2 september 2015 (hierna: de bezonningsstudie) houdt volgens haar ten onrechte geen rekening met de bouw van een parkeergarage. Voorts leidt de toegestane bouwhoogte van 20 m in het plandeel ten zuidwesten van de voorziene parkeergarage eveneens tot verslechtering van de bezonning van het appartementencomplex, omdat dichterbij en hoger kan worden gebouwd dan de bebouwing die daar thans feitelijk aanwezig is. De bezonningsstudie toont ten onrechte slechts de bezonningssituatie in de periode vanaf 21 maart, terwijl de lichte TNO-norm die de raad hanteert uitgaat van een periode van 19 februari tot en met 21 oktober, aldus VVE woningen Zuidplein.

25.1. De raad stelt dat uit de bezonningsstudie volgt dat de woningen aan het Zuidplein door de uitbreiding van het winkelcentrum geen onaanvaardbare schaduwhinder zullen ondervinden.

25.2. Aan de gronden ten zuiden van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 is, zoals eerder werd vermeld, de aanduiding "parkeergarage" toegekend. Aan gronden ten zuiden van de gronden met de aanduiding "parkeergarage" is de aanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 20" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

[…];

b. ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven;

c. in afwijking van het bepaalde in 6.2.2 onder a en b mag ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" een gebouwde parkeervoorziening worden gerealiseerd, mede ten behoeve van de aangrenzende bestemming "Wonen - 1", waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m;

[…].

25.3. Ter zitting is aannemelijk geworden dat de appartementen van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 zich op een hoogte van meer dan 6 m bevinden, zodat ten aanzien van die appartementen niet voor vermindering van lichtinval door de bouw van een parkeergarage op de gronden met de aanduiding "parkeergarage" behoeft te worden gevreesd.

In de bezonningsstudie is de bezonningssituatie bepaald van het appartementencomplex Zuidplein 324-510 bij volledige benutting van de maximale bouwhoogte van 20 m zoals deze geldt ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (20 m)". In de bezonningsstudie zijn op blz. 14-17 de effecten van het definitieve plan op de bezonning bepaald voor 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. In de bezonningsstudie wordt op grond daarvan geconcludeerd dat, beoordeeld vanuit de lichte TNO-norm, de bezonningssituatie acceptabel is.

De lichte TNO-norm geeft een handvat voor wat als voldoende bezonning kan worden aangemerkt. Deze gaat uit van minimaal twee bezonningsuren per etmaal in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Hoewel in de bezonningsstudie de situatie op 19 februari niet is bepaald, toont de bezonningsstudie wel de situatie op 21 december. Hetgeen VVE woningen Zuidplein heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de situatie op 21 december onjuist is bepaald. Nu uit de bezonningstudie volgt dat op 21 december, de dag met het minste aantal zonuren, aan de lichte TNO-norm wordt voldaan, kan hieruit worden afgeleid dat op 19 februari eveneens aan deze TNO-norm wordt voldaan. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat sprake is van een stedelijke omgeving, heeft het de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met de uitvoering van het plan dan aan de beperkte schaduwhinder die daaruit voortvloeit voor de bewoners van het appartementencomplex Zuidplein 324-510.

Het betoog faalt.

Overig

26. Stichting Zuidpleingebied betoogt dat de afmetingen van het Plein op Zuid te beperkt zijn.

Aan de gronden waar het Plein op Zuid is voorzien, is de bestemming "Gemengd - 2" met de aanduiding "plein" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "plein" in ieder geval bestemd voor een pleinruimte met een minimale oppervlakte van 750 m2.

Stichting Zuidpleingebied heeft niet onderbouwd waarom een minimale oppervlakte van 750 m2 voor het beoogde plein volgens haar te beperkt is. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen Stichting Zuidpleingebied heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de betrokken aanduiding heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

27. Stichting Zuidpleingebied betoogt dat geen zekerheid bestaat over de komst van voldoende groen en blauw bij inrichting van de buitenruimte. Pas de komende tijd zal in de gesprekken met diverse werkgroepen en uit de concrete inrichtingsplannen en omgevingsvergunningen duidelijk worden in hoeverre wensen van de bewoners kunnen worden gerealiseerd.

De precieze inrichting van het plangebied is een kwestie van uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Stichting Zuidpleingebied heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zoverre geen aanvaardbare uitvoering van het plan kan plaatsvinden.

Het betoog faalt.

Zienswijzen ingelast

28. NSI, VVE Winkelcentrum Zuidplein en [appellant sub 5] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. NSI, VVE Winkelcentrum Zuidplein en [appellant sub 5] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Relativiteit

29. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepassing van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van toepassing is.

Bestuurlijke lus

30. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen door:

a. met inachtneming van hetgeen onder 12.8 is overwogen artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, en lid 4.3.1, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels aldus te wijzigen dat binnen de bestemming "Gemengd - 2" reguliere detailhandel is uitgesloten;

b. met inachtneming van hetgeen onder 14.2 is overwogen een deugdelijke motivering te geven ten aanzien van het inzichtelijk maken van de actuele regionale behoefte aan andere voorziene functies dan detailhandel, dan wel een andere planregeling vast te stellen voor andere voorziene functies dan detailhandel;

c. met inachtneming van hetgeen onder 21.4 is overwogen een deugdelijke motivering te geven waarom in artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels een gedifferentieerde regeling is opgenomen waarbij, anders dan voor de overige bestemmingen binnen het plangebied, voor de bestemmingen "Gemengd − 1", "Gemengd − 2" en "Gemengd − 4" geen parkeerregeling is getroffen in de planregels, dan wel artikel 22, lid 22.2.1, onder a, van de planregels te wijzigen.

31. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. Het nieuwe of gewijzigde besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

Proceskosten

32. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Rotterdam op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van hetgeen onder 12.8, 14.2, 21.4 en 30. is overwogen de daar omschreven gebreken in het besluit van 12 november 2015, kenmerk 15bb8713, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hart van Zuid" te herstellen, en

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Kuipers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

271.

Verzonden: 22 juni 2016