Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508133/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2014 heeft het college de aan [appellant] verleende bedrijfsparkeervergunning ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508133/1/A3.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2015 in zaak nr. 14/8199 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2014 heeft het college de aan [appellant] verleende bedrijfsparkeervergunning ingetrokken.

Bij besluit van 13 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.W. Kox, advocaat te Utrecht, en [zoon] van appellant, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, werkzaam bij Cition Parkeermanagement, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft de eenmanszaak van [appellant] samen met die van zijn op hetzelfde adres gevestigde zoon aangemerkt als één bedrijf. Omdat zij op één adres zijn gevestigd en samen minder dan tien werknemers hebben, kunnen zij gezamenlijk slechts één bedrijfsparkeervergunning krijgen. Daarom heeft het college de aan [appellant] verleende bedrijfsparkeervergunning ingetrokken.

In geschil is of de eenmanszaak van [appellant] als onderdeel van een constructie met de eenmanszaak van zijn zoon moet worden aangemerkt of dat zijn eenmanszaak een zelfstandig bedrijf is.

2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Parkeerverordening 2013 (hierna: de parkeerverordening) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bedrijf:

- elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht;

- de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf;

- een niet-commerciële organisatie die hieraan door het college is gelijkgesteld;

met dien verstande dat bedrijven worden beschouwd als één indien de vestigingsadressen dezelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, dan wel sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf betreft.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, trekt het college een vergunning in, indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

Ingevolge artikel 40 is het college bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college gehouden was de bedrijfsparkeervergunning in te trekken omdat niet wordt voldaan aan de parkeerverordening.

4. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat zijn eenmanszaak en die van zijn zoon twee afzonderlijke bedrijven zijn die apart staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat zij ieder een eigen administratie voeren, verschillende BTW-nummers hebben en hun eigen vaste klantenbestand hebben.

5. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college verklaard dat ingevolge de parkeerverordening bedrijven worden beschouwd als één bedrijf als zij op hetzelfde adres zijn gevestigd en dat daarnaast ook relevant wordt geacht of zich een (juridische) constructie voordoet waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf is. Het college doet dit omdat in Amsterdam ook zogenoemde bedrijfsverzamelgebouwen zijn waarin meerdere, volledig van elkaar gescheiden, bedrijven zijn gevestigd.

6. Het betoog van [appellant] slaagt niet.

Op het adres is blijkens het uithangbord aan de gevel gevestigd Herenkapper [appellant]. In die kapperszaak werken twee kappers, [appellant], de vader, en [zoon]. Beiden hebben een vaste klantenkring, hanteren dezelfde prijzen en toevallige passanten, vaak toeristen, worden bediend door degene die daarvoor gelegenheid heeft. Zij hebben verder één telefoonnummer en één kassa-apparaat, zij het met ieder een eigen aanslagregister voor de eigen, gescheiden, financiële administratie.

Gezien deze feiten en omstandigheden presenteren [appellant] en zijn zoon zich in het maatschappelijke verkeer als één kappersbedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank om die reden terecht overwogen dat het college terecht het bedrijf van [appellant] en zijn zoon als één bedrijf in de zin van de parkeerverordening heeft aangemerkt. Dat de financiële administratie van de bedrijven is gescheiden, leidt niet tot een ander oordeel. In het kader van de beoordeling of de eenmanszaak van [appellant] als onderdeel van een constructie met de eenmanszaak van zijn zoon als één bedrijf moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de parkeerverordening, is namelijk niet van doorslaggevende betekenis in welke rechtsvorm [appellant] en zijn zoon hun bedrijfsactiviteiten hebben ondergebracht. Dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1002), waarnaar [appellant] heeft verwezen, heeft geoordeeld dat in dat geval geen sprake is van één bedrijf, maakt dit oordeel niet anders.

De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat het college op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c. van de parkeerverordening gehouden was de vergunning van [appellant] in te trekken.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

290.