Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508845/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 23 juni 2015 hebben [appelant A] en [appellant B] het college verzocht om het treffen van maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting bij hun woning aan de [locatie].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/110 met annotatie van F. Arents
JOM 2016/600
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508845/1/R1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 23 juni 2015 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht om het treffen van maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting bij hun woning aan de [locatie].

Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft het college een hogere grenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor de woning aan de [locatie].

Bij brief van 21 oktober 2015 hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op hun verzoek van 23 juni 2015.

Vervolgens hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld tegen het besluit van 13 oktober 2015 tot vaststelling van een hogere grenswaarde voor de woning aan de [locatie].

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2016, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. Kenter, ing. F.W.G. Oomen, beiden werkzaam bij de gemeente, en ir. T. Vanhonacker, werkzaam bij D2S International, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op hun verzoek van 23 juni 2015 tot het treffen van maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting bij hun woning aan de [locatie], ingetrokken.

2. In het kader van de realisatie van de Noord-Zuidlijn wordt de Nieuwe Leeuwarderweg fysiek gewijzigd. De wijziging betreft onder meer een verbreding van de weg en een wijziging van het tracé.

De realisatie van het metrotracé en de bijbehorende ruimtelijke ingrepen zijn voorzien in het - thans in rechte onaantastbare - bestemmingsplan "Noord-Zuidlijn", vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van Amsterdam van 2 september 1998 en nadien op onderdelen herzien. Uit akoestisch onderzoek dat het college heeft laten verrichten in het kader van de uitvoeringswerkzaamheden is gebleken dat de fysieke wijziging van de Nieuwe Leeuwarderweg leidt tot een toename van de geluidsbelasting op de gevels van nabijgelegen woningen, waaronder de woning van [appellant A] en [appellant B], met meer dan 2 dB, zodat sprake is van een reconstructiesituatie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Naar aanleiding hiervan heeft het college een hogere grenswaarde vastgesteld voor de woning van [appellant A] en [appellant B]. Deze waarde bedraagt 63 dB.

[appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met de vastgestelde hogere grenswaarde. Zij wensen dat het college maatregelen treft die ertoe leiden dat de heersende geluidsbelasting wordt teruggebracht tot 60 dB, hetgeen in overeenstemming zou zijn met de in 1986 vastgestelde hogere waarde voor hun woning. Het college stelt daarentegen dat de waarde van 63 dB in ieder geval lager is dan de heersende geluidsbelasting van 65,3 dB. Verdergaande geluidsreducerende maatregelen zijn volgens het college buitenproportioneel kostbaar of zijn vanuit landschappelijk, stedenbouwkundig en/of verkeerskundig oogpunt ongewenst.

3. [ appellant A] en [appellant B] betogen dat het akoestisch onderzoek, dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, ondeugdelijk is. Zij voeren hiertoe aan dat bij het berekenen van de toename van de geluidsbelasting vanwege de reconstructie van de Nieuwe Leeuwarderweg het jaar 2020 ten onrechte als maatgevend is aangemerkt. Volgens hen is 2027 het maatgevende jaar, omdat dit het tiende jaar is na openstelling van de Noord-Zuidlijn. [appellant A] en [appellant B] betogen tevens dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting op de bovenste verdieping van hun woning.

3.1. Volgens het college is het akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, in overeenstemming met het "Meet- en rekenvoorschrift verkeerslawaai". De resultaten van het verrichte onderzoek zijn vastgelegd in de rapporten van D2S International van 5 december 2012 en 24 oktober 2013. Als referentiewaarde is 60 dB gehanteerd. Voor het maatgevende jaar is uitgegaan van 2020, omdat dit het tiende jaar is na de openstelling van de Nieuwe Leeuwarderweg. De bijdrage van de metroverbinding - die vanaf 2017 operationeel is - aan de totale geluidsbelasting is betrokken bij de berekening. Het college heeft toegelicht dat het geen meerwaarde heeft om 2027 als maatgevend jaar te nemen, omdat naarmate de maatgevende situatie meer in de toekomst ligt, de berekening minder betrouwbaar wordt.

De gekozen meetpunten liggen volgens het college op 1,5 m en 5 m hoogte, omdat dit representatief is voor de hoogte waarop een persoon in een verblijfsruimte in de woning van [appellant A] en [appellant B] het geluid waarneemt.

3.2. Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Wgh is, behoudens het tweede en derde lid, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

Ingevolge het tweede lid geldt, ingeval eerder bij of krachtens deze wet een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde waarde.

Ingevolge artikel 105 kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van geluid- of trillinghinder, veroorzaakt door het gebruik van een spoorweg, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld met betrekking tot aard, samenstelling, wijze van aanleg of gebruik van de spoorweginfrastructuur.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, onder a, is deze afdeling van toepassing op de aanleg en wijziging van spoorwegen die daartoe zijn aangegeven op een kaart.

Ingevolge het tweede lid wordt de kaart, bedoeld in het eerste lid, door Onze Minister vastgesteld.

3.3. In de toelichting bij het Reken- en meetvoorschrift verkeerslawaai staat dat in de gevallen waarin zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, als het maatgevende jaar wordt aangehouden het tiende jaar na openstelling of reconstructie van de weg of, in bestaande situaties, het tiende jaar na het akoestisch onderzoek. Dit geldt uiteraard niet bij de bepaling van de "heersende waarde" als bedoeld in de reconstructiebepalingen (artikel 100, tweede lid, onder a, van de wet). In dat geval wordt uitgegaan van de (jaargemiddelde) verkeersintensiteiten op het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de reconstructie, aldus het Reken- en meetvoorschrift verkeerslawaai.

3.4. Uit de hiervoor weergegeven toelichting bij het Reken- en meetvoorschrift verkeerslawaai volgt dat bij het onderzoek naar de gevolgen van de reconstructie van de Nieuwe Leeuwarderweg een vergelijking gemaakt dient te worden tussen de referentiewaarde en de geluidsbelasting in het tiende jaar na afronding van de reconstructie.

Met de aanpassing van de Nieuwe Leeuwarderweg is een aanvang genomen in 2004. De werkzaamheden zijn voltooid 2010. Gelet op artikel 100, tweede lid, van de Wgh is de referentiesituatie voor het berekenen van de gevolgen van de reconstructie, de feitelijke geluidsbelasting op de gevel van de woning voorafgaande aan de reconstructie of de op dat moment geldende hogere grenswaarde, indien deze lager was dan de feitelijke geluidsbelasting.

Niet in geschil is dat in 1986 voor de woning van [appellant A] en [appellant B] een hogere grenswaarde is vastgesteld van (thans) 60 dB en dat deze waarde als referentie dient voor de beoordeling van de gevolgen van de reconstructie.

Naar het oordeel van de Afdeling is bij het akoestisch onderzoek voor de maatgevende situatie terecht uitgegaan van het jaar 2020, overeenkomstig het Meet- en rekenvoorschrift verkeerslawaai. In dit verband is van belang dat de beoogde infrastructurele aanpassingen uitsluitend leiden tot een reconstructie van de Nieuwe Leeuwarderweg. Uit artikel 105 en 106 van de Wgh volgt dat de Wgh niet van toepassing is op het tracé van de Noord-Zuidlijn, nu deze "spoorweg" niet is aangegeven op de zonekaart als vastgesteld in de "Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder". Blijkens paragraaf 3.3 van het akoestisch rapport van 24 oktober 2013 is bij het geluidsonderzoek rekening gehouden met de geluidsemissie van de metrolijn. Dat, zoals appellanten hebben aangevoerd, de geluidsemissie vanwege de metrolijn mogelijk hoger zal zijn in 2027 dan in 2020, is geen bijzondere omstandigheid, zodat geen aanleiding bestaat om af te wijken van de in het Meet- en rekenvoorschrift verkeerslawaai vastgelegde methode voor het bepalen van het maatgevende jaar bij een reconstructiesituatie.

3.5. Wat betreft de gekozen meetpunten heeft het college toegelicht dat de woning van [appellant A] en [appellant B] een "dijkwoning" betreft. De meetpunten zijn gerelateerd aan de hoogte van de voorgevel. Het peilverschil tussen de voor- en achtergevel bedraagt ongeveer 3 m, zodat de gekozen meetpunten corresponderen met een meethoogte van ongeveer 4,5 en 8 m aan de achtergevel. Deze hoogten zijn representatief voor de ligging van de tweede en derde bouwlaag. Een extra meetpunt op een hoogte van ongeveer 1,5 m (eerste bouwlaag) aan de achtergevel heeft volgens het college geen meerwaarde vanwege de absorptie door de dijk. [appellant A] en [appellant B] hebben deze toelichting niet weersproken.

3.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken vertoont dat dit niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan het bestreden besluit. Het betoog faalt.

4. [ appellant A] en [appellant B] betogen dat de toename van de geluidsbelasting bij hun woning kan worden teruggebracht tot de referentiewaarde van 60 dB door het treffen van geluidsreducerende maatregelen. Het college stelt ten onrechte dat een langer en hoger geluidsscherm langs de Nieuwe Leeuwarderweg geen reële mogelijkheid is, gelet op onder meer de kosten hiervan in verhouding tot de te behalen geluidreductie. [appellant A] en [appellant B] wijzen in dit verband op de omstandigheid dat aan de overzijde van de Nieuwe Leeuwarderweg wel is voorzien in hogere schermen ter bescherming van de aldaar aanwezige woningen. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de extra kosten van het door hen gewenste geluidsscherm € 3 miljoen bedragen. Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat ook andere maatregelen mogelijk zijn, zoals het aanbrengen van geluidsabsorberend materiaal op de damwanden van de verlaagde weg en de "barriers" langs de metrobaan. Ook kunnen de metrorails worden voorzien van dempers. Indien deze bron- en overdrachtsmaatregelen worden getroffen kan ook met lagere geluidsschermen een geluidsreductie tot 60 dB worden bereikt, aldus [appellant A] en [appellant B].

4.1. Volgens het college is onderzoek verricht naar de mogelijkheden van geluidsreductie langs de Nieuwe Leeuwarderweg. De resultaten van de onderzochte scenario’s zijn vastgelegd in het akoestisch rapport van 5 december 2012. De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane reductiemaatregelen worden daarin beschreven. De kosten van het verhogen van de geluidsschermen in de nabijheid van de woning van [appellant A] en [appellant B] zijn buitenproportioneel in verhouding tot het daarmee te behalen resultaat. De overige maatregelen zijn als onvoldoende doeltreffend beoordeeld, aldus het college.

4.2. Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh vinden het eerste en tweede lid [het vaststellen van hogere grenswaarden] slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

4.3. Het staat vast dat langs de Nieuwe Leeuwarderweg ook aan de zijde van de woning van [appellant A] en [appellant B] geluidsschermen worden geplaatst, waardoor voldaan wordt aan de vastgestelde hogere grenswaarde voor hun woning. Niet in geschil is dat een reductie van de geluidsbelasting tot de referentiewaarde voor hun woning mogelijk is. Het college heeft onder verwijzing naar de akoestische rapporten toegelicht dat daartoe onder meer scherm nr. 094 dient te worden verhoogd van 3,7 m naar 8,0 m en verlengd van 217 m tot 326 m. Dit heeft tot gevolg dat het scherm niet kan worden geplaatst op het viaduct, maar een afzonderlijke en kostbare draagconstructie gerealiseerd dient te worden. Het college heeft toegelicht dat ook bezwaren van stedenbouwkundige aard bestaan tegen de verhoging van de geluidsschermen aan de zijde van de woning van [appellant A] en [appellant B]. Aan de andere zijde van de Nieuwe Leeuwarderweg worden weliswaar hogere geluidsschermen gerealiseerd, maar dit is noodzakelijk ter borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Ook gaat het in dat geval om appartementengebouwen van 13 bouwlagen, zodat geen sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de geluidsschermen en de hoogte van de daarachter gelegen bebouwing. Aan de zijde van de woning van [appellant A] en [appellant B] is sprake van laagbouw.

Het college heeft onder verwijzing naar paragraaf 5.5 van het akoestisch rapport van 5 december 2012 toegelicht dat andere geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van raildempers, onvoldoende doeltreffend zijn. Uit tabel 5.5 van het rapport van 5 december 2012 volgt dat het treffen van de door [appellant A] en [appellant B] gewenste maatregelen geringe gevolgen heeft voor in het bijzonder de hoogte van geluidscherm nr. 094. Zelfs in combinatie met de toepassing van geluidsabsorberend materiaal en de plaatsing van raildempers is nog steeds een scherm met een hoogte van 7,5 m noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de referentiewaarde van 60 dB voor de woning van [appellant A] en [appellant B]. Volgens het college weegt verder mee dat de plaatsing van raildempers vanuit verkeerskundig oogpunt niet gewenst is, omdat het periodieke onderhoud van de raildempers kostbaar is en veel tijd vergt. Gedurende de periode dat het onderhoud wordt verricht kan geen gebruik worden gemaakt van de verbinding, hetgeen verstrekkende gevolgen heeft voor de dienstregeling.

Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant A] en [appellant B] voorgestane geluidsreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zullen zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant A] en [appellant B] ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Milosavljević

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

739.