Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201505122/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:2329, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Regge en Dinkel aan de Dienst Landelijk Gebied een watervergunning verleend voor het wijzigen van de waterstaatkundige toestand van een aantal waterlopen ter plaatse van het plangebied "Herinrichting Enschede-Zuid, bestek Rutbeek" te Enschede.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2016/11
JOM 2016/597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505122/1/A1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 mei 2015 in zaak nr. 14/1697 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Regge en Dinkel aan de Dienst Landelijk Gebied een watervergunning verleend voor het wijzigen van de waterstaatkundige toestand van een aantal waterlopen ter plaatse van het plangebied "Herinrichting Enschede-Zuid, bestek Rutbeek" te Enschede.

Bij besluit van 16 juni 2014 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen (als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het waterschap Regge en Dinkel) het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door M. Wierenga, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door I.D. Grevelink, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt ambtshalve het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 6:24 van die wet, kan geen hoger beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld.

[appellant] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 16 juni 2014. De andere personen die hoger beroep hebben ingesteld, hebben geen beroep ingesteld. Niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door anderen dan [appellant].

2. De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2013 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift buiten de daarvoor geldende termijn van zes weken is ingediend en er geen reden is dit verschoonbaar te achten.

3. [appellant] betoogt dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar is. [appellant] stelt dat hij zo spoedig mogelijk bezwaar heeft gemaakt nadat hem duidelijk was geworden dat mede vergunning is verleend voor het plaatsen van een duiker in een gedeelte van de Boekelerbeek nabij zijn woning. Volgens hem kon hij dit op grond van de destijds gepubliceerde kennisgeving van de vergunning niet weten, omdat in die kennisgeving slechts een aantal met nummers aangeduide waterlopen is vermeld. Dat één van die nummers, 20-7-1, betrekking had op de Boekelerbeek, was op grond van de kennisgeving niet duidelijk, aldus [appellant]. Ook uit de vergunning zelf blijkt volgens hem niet dat de Boekelerbeek waterloop 20-7-1 is en dat mede wordt voorzien in een duiker in het gedeelte van de Boekelerbeek nabij zijn woning. Pas in januari 2015 heeft het dagelijks bestuur volgens [appellant] een tekening overgelegd waaruit dit blijkt.

3.1. Vast staat dat het bezwaarschrift van [appellant] buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Van de bij het besluit van 30 mei 2013 verleende watervergunning is, samen met een andere aan de Dienst Landelijk Gebied verleende watervergunning, kennis gegeven in De Twentsche Courant Tubantia van 1 juni 2013 en het Waterschapsblad van 10 juni 2013.

De tekst van de kennisgeving luidt:

"Het dagelijks bestuur van waterschap Regge en Dinkel heeft positief besloten op de aanvragen van Dienst Landelijk Gebied voor:

- het wijzigen van de waterstaatkundige toestand van de waterlopen 20-7-2, 20-5, 20-7-3, 20-9-1-1 en 20-8 ter plaatse van het plangebied Landinrichting Enschede Zuid, bekenbestek, te Enschede;

- het wijzigen van de waterstaatkundige toestand van de waterlopen 20-7-1, 20-0-7, 20-0-9 en 20-7-0-4, ter plaatse van het plangebied Herinrichting Enschede Zuid, bestek Rutbeek, te Enschede."

In de kennisgeving is verder vermeld waar de vergunningen ter inzage zijn gelegd, hoe en tot wanneer bezwaar kan worden gemaakt en langs welke weg nadere inlichtingen kunnen worden ingewonnen.

3.3. De rechtbank heeft [appellant] terecht niet gevolgd in zijn betoog dat in de kennisgeving de zakelijke inhoud van het besluit van 30 mei 2013 niet in voldoende mate is weergegeven. Uit de kennisgeving kan worden opgemaakt dat, als onderdeel van een herinrichtingsproject, vergunning is verleend voor het wijzigen van de waterstaatkundige toestand van vier waterlopen, gelegen in het plangebied "Herinrichting Enschede Zuid, bestek Rutbeek" te Enschede. Daarmee bevat de kennisgeving, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, voldoende informatie om te kunnen beoordelen of het wenselijk is om de ter inzage gelegde stukken te gaan inzien en eventueel naar aanleiding daarvan bezwaar te maken tegen het besluit. Dat niet de plaatselijk bekende namen van de waterlopen zijn vermeld, maakt niet dat de kennisgeving in zoverre onvoldoende informatie bevat. Verder is niet vereist dat alle afzonderlijke activiteiten waarin de vergunning voorziet in de kennisgeving worden vermeld. De kennisgeving bood geen grond voor de aanname van [appellant] dat de Boekelerbeek niet behoorde tot de in de kennisgeving vermelde waterlopen en het had op zijn weg gelegen om zich er op grond van de ter inzage gelegde stukken van te vergewissen of met een van de waterlopen de Boekelerbeek werd bedoeld en voor welke concrete activiteiten vergunning was verleend. Dat uit die stukken niet zou zijn gebleken dat de vergunning mede betrekking had op plaatsing van een duiker in de Boekelerbeek nabij zijn woning, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft inzichtelijk gemaakt welke stukken destijds ter inzage hebben gelegen en uit die stukken volgt dat de verleende vergunning mede betrekking heeft op deze duiker.

Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2013 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Het betoog faalt.

4. Nu het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2013 terecht niet-ontvankelijk is verklaard, wordt niet toegekomen aan het betoog van [appellant] dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan het nemen van dat besluit een zienswijze als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren te brengen.

5. Het hoger beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door anderen dan [appellant A] en [appellante B];

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Michiels w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

462-833.