Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201506526/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4899, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het college Motor Bike Center onder oplegging van een dwangsom gelast het illegale gebruik van het bedrijfspand aan de James Wattweg 34 te Vlaardingen (hierna: het perceel) als (motor)clubhuis en/of feestzaal terstond te staken en blijvend gestaakt te houden. Voorts heeft het college bij hetzelfde besluit Motor Bike Center onder oplegging van een dwangsom gelast de inrichting uit het horecalokaal in het bedrijfspand op het perceel te verwijderen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet ruimtelijke ordening
Grondwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/933
Module Ruimtelijke ordening 2016/7578
NJB 2016/1440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506526/1/A1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Motor Bike Center Vlaardingen B.V., gevestigd te Vlaardingen (hierna: Motor Bike Center),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2015 in zaak nr. 14/5133 in het geding tussen:

Motor Bike Center

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het college Motor Bike Center onder oplegging van een dwangsom gelast het illegale gebruik van het bedrijfspand aan de James Wattweg 34 te Vlaardingen (hierna: het perceel) als (motor)clubhuis en/of feestzaal terstond te staken en blijvend gestaakt te houden. Voorts heeft het college bij hetzelfde besluit Motor Bike Center onder oplegging van een dwangsom gelast de inrichting uit het horecalokaal in het bedrijfspand op het perceel te verwijderen.

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het college het door Motor Bike Center daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 december 2014 heeft het college het besluit van 11 december 2013 vervangen wegens de vaststelling op 18 september 2014 van het bestemmingsplan "Vergulde Hand Oost" (hierna: het bestemmingsplan). Het bestemmingsplan trad op 13 november 2014 in werking. Aan het pand is op grond van het bestemmingsplan de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. In zijn besluit van 19 december 2014 heeft het college Motor Bike Center onder oplegging van een dwangsom gelast de bar-, keuken- en vergaderinrichting uit het pand te verwijderen en verwijderd te houden, waarbij onder de bar-, keuken- en vergaderinrichting wordt verstaan: de bar, de statafels, de koelkasten, de licht- en geluidsinstallaties op de benedenverdieping, de keuken- en frituurinrichting, fornuizen, vriezers en overige professionele keukenapparatuur en de vergadertafel(s) en -stoelen op de bovenverdieping (hierna: de last om de inrichting uit het pand te verwijderen en verwijderd te houden). Voorts heeft het college Motor Bike Center onder oplegging van een dwangsom gelast om het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het pand, in de vorm van het daar (laten) houden van bijeenkomsten, achterwege te laten en/of te voorkomen en/of het staken en gestaakt te (doen) houden, waarbij onder bijeenkomsten wordt verstaan: horeca, feesten, partijen, zaalverhuur, vergaderingen van derden en gebruik als clubhuis (hierna: de last om het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het pand te staken).

Bij uitspraak van 10 juli 2015 heeft de rechtbank het door Motor Bike Center tegen het besluit van 10 juli 2014 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 december 2014 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Motor Bike Center hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het college besloten tot invordering van door Motor Bike Center verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 30.000,00.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2016, waar Motor Bike Center, vertegenwoordigd door M.B.A.J. Litsenburg, bijgestaan door mr. W.J. Wortelboer, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Islimani en ing. J.F. Vergeer, bijgestaan door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Motor Bike Center huurde het bedrijfspand op het perceel sinds augustus 2013 van de besloten vennootschap Vlaardingse Beleggingsmaatschappij B.V. en verhuurde de zelfstandig af te sluiten en van een eigen ingang voorziene vergaderruimte op de eerste verdieping sinds september 2013 onder aan motorclub No Surrender (hierna: de motorclub) voor het houden van vergaderingen van de motorclub op twee avonden per week. De onderhuurovereenkomst is medio januari 2016 beëindigd.

De huurovereenkomst is per 1 februari 2016 beëindigd.

Op 26 november 2013 heeft de politie een controle gehouden bij en in het bedrijfspand. Dit gebeurde vanwege aanhoudende signalen dat het gebruik van het bedrijfspand af zou wijken van hetgeen door Motor Bike Center daarover was verklaard. Uit het controlerapport blijkt dat in het bedrijfspand professionele horecavoorzieningen en -apparatuur alsmede uitgebreide vergadercapaciteiten aanwezig waren, die naar het oordeel van de politie geen relatie hadden met de ter plaatse toegelaten bedrijfsactiviteiten. In november 2013 is op de zender RTL4 het televisieprogramma "De keiharde werkelijkheid achter No Surrender" uitgezonden. In deze uitzending is aandacht besteed aan het bedrijfspand en de activiteiten aldaar. Naar aanleiding daarvan heeft het college de in het besluit van 11 december 2013 vermelde lasten opgelegd. Deze lasten zijn vervangen bij besluit van 19 december 2014. Het college heeft aan laatstgenoemd besluit ten grondslag gelegd dat het (laten) gebruiken van het bedrijfspand door Motor Bike Center voor bijeenkomsten, horeca, feesten, partijen, zaalverhuur, vergaderingen van derden en als clubhuis in strijd is met het bestemmingsplan en, aangezien Motor Bike Center niet over de vereiste omgevingsvergunning beschikt, artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) van toepassing is. Motor Bike Center komt tegen deze lasten op.

De last om met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het pand te staken

2. Motor Bike Center betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het bedrijfspand als vergaderruimte voor de motorclub in strijd was met het bestemmingsplan en, nu Motor Bike Center niet over de vereiste omgevingsvergunning beschikte, artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel onder andere de bestemming "Bedrijventerrein".

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven van een bepaalde milieucategorie, voor zover deze zijn vermeld op de bij de planregels behorende "Staat van bedrijfsactiviteiten-bedrijventerrein".

Ingevolge artikel 1.11 wordt onder bedrijf verstaan een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik door Motor Bike Center van de vergaderruimte in het bedrijfspand in het kader van de uitoefening van haar bedrijfsvoering niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dit is naar het terechte oordeel van de rechtbank anders indien de vergaderruimte los van de bedrijfsvoering van Motor Bike Center wordt verhuurd aan de motorclub en voor twee avonden per week wordt gebruikt als feestzaal en vergaderruimte van de motorclub. Het houden van bijeenkomsten van de motorclub heeft naar het terechte oordeel van de rechtbank niets van doen met de bedrijfsactiviteiten van Motor Bike Center en is daaraan ook niet ondergeschikt te achten. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het (laten) gebruiken van de vergaderruimte in het pand door de motorclub voor niet aan het bedrijf van Motor Bike Center gerelateerde bijeenkomsten, zoals vergaderingen en feesten van de motorclub, in strijd was met het ingevolge artikel 3.1 van de planregels toegestane gebruik. Nu Motor Bike Center voor dit gebruik niet over de vereiste omgevingsvergunning beschikte, was sprake van strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Dat, zoals Motor Bike Center betoogt, de vergaderzaal aan de motorclub als vergaderruimte was onderverhuurd, en niet ten behoeve van het gebruik als feestzaal en motorclubhuis, leidt niet tot een ander oordeel, nu, zoals uit de bevindingen van de bouwinspecteur van de gemeente van 14 november 2014 en 12 december 2014 blijkt, het pand op deze data als motorclubhuis en feestzaal werd gebruikt. Voorts leiden, anders dan Motor Bike Center betoogt, de omstandigheden dat zij de onderverhuur van de vergaderruimte in het bedrijfspand beschouwde als een investering in de leden van de motorclub, die haar klanten zijn, en de motorclub de vergaderruimte slechts gedurende twee avonden per week gebruikte, niet ertoe dat geen sprake was van met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Anders dan Motor Bike Center nog aanvoert, is het ontbreken van het begrip vergaderruimte in de planregels van het bestemmingplan niet vereist om een gebruik op grond van het bestemmingplan toelaatbaar te achten. Indien een op een perceel rustende bestemming en de daarbij behorende planregels het gebruik door een motorclub toestaan, impliceert dit dat een motorclub daar vergaderingen mag houden.

Het betoog faalt.

3. Motor Bike Center betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het verbod op het gebruik van het bedrijfspand door de motorclub als motorclubhuis en feestzaal in strijd is met het in artikel 9 van de Grondwet neergelegde recht van vergadering en betoging. Ter ondersteuning van dit betoog wijst Motor Bike Center op de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3682. Volgens Motor Bike Center heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat gesteld noch gebleken is dat er elders in de gemeente Vlaardingen geen vergaderruimte beschikbaar is voor het houden van bijeenkomsten van de motorclub.

3.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Ingevolge het tweede lid kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

3.2. Het feit dat dit grondrecht in het geding zou kunnen zijn, betekent nog niet dat het verbod om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, ter zijde wordt gesteld. Daartoe is van belang dat het in dit artikel opgenomen gebruiksverbod niet is gericht op regeling van de inhoud van het grondrecht of de wijze waarop daaraan invulling wordt gegeven (vergelijk de door Motor Bike Center aangehaalde uitspraak en de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2084).

De rechtbank heeft terecht overwogen dat gesteld noch gebleken is dat er elders geen vergaderruimte voor de motorclub beschikbaar is. De verschillende in Vlaardingen geldende bestemmingsplannen laten het houden van bijeenkomsten door de motorclub op andere plaatsen in de gemeente dan het perceel toe. Niet aannemelijk is derhalve dat het houden van dergelijke bijeenkomsten onmogelijk is. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat de grondwettelijke vrijheid van vergadering en betoging aan de rechtmatigheid van het besluit van 19 december 2014 niet in de weg staat.

Het college was derhalve bevoegd om handhavend op te treden tegen het gebruik van het bedrijfspand als vergaderruimte door de motorclub.

Het betoog faalt.

De last om de inrichting uit het pand te verwijderen en verwijderd te houden

4. Motor Bike Center betoogt tevergeefs dat zij het als huurster niet in haar macht had om aan de last te voldoen. Daargelaten dat dit betoog deels feitelijke grondslag mist, nu Motor Bike Center ter zitting heeft verklaard dat zij met toestemming van de eigenaresse van het pand, de Vlaardingse Beleggingsmaatschappij B.V., is overgegaan tot het deels verwijderen van de inrichting in het bedrijfspand, komt het ontbreken van voor uitvoering van de last benodigde privaatrechtelijke toestemming in beginsel voor risico van de overtreder (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3985).

5. Anders dan Motor Bike Center voorts nog betoogt, blijkt uit het besluit van 19 december 2014 dat de vergadertafels en -stoelen onder de last om de inrichting uit het bedrijfspand te verwijderen, vallen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

De invorderingsbeschikking

7. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

8. Motor Bike Center heeft ter zitting gesteld dat aan de last om de inrichting in het bedrijfspand te verwijderen en verwijderd te houden is voldaan. Het college heeft zich ter zitting onder verwijzing naar de door de ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente op 16 februari 2015 en 8 juli 2015 in het bedrijfspand verrichte controles, waarbij is vastgesteld dat de bar-, keuken- en vergaderinrichting niet geheel uit het bedrijfspand waren verwijderd, op het standpunt gesteld dat Motor Bike Center niet aan de last heeft voldaan. Motor Bike Center heeft dit niet gemotiveerd betwist. Ook overigens heeft Motor Bike Center geen gronden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college niet tot invordering van door Motor Bike Center verbeurde dwangsommen mocht overgaan.

9. Het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2015 is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2015 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Borman w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

531-828.