Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201600691/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2015 heeft het college het wijzigingsplan "Schoolstraat 13 Huizen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600691/1/R1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Huizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Huizen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2015 heeft het college het wijzigingsplan "Schoolstraat 13 Huizen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door M. Beuving en W. Menzel, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in de realisatie van vier woningen op het perceel aan de Schoolstraat 13.

Het geschil

2. [appellant] en anderen zijn omwonenden van het plangebied. Zij zijn het niet eens met de bouw van de woningen op het perceel. [appellant] en anderen vinden dat de woningen niet passen in de omgeving. Daarnaast vrezen zij onder andere voor verlies van privacy en bezonning, parkeeroverlast en waardevermindering van hun woningen.

Inpassing in de omgeving

3. [appellant] en anderen betogen dat de in het plan voorziene woningen wat betreft hoogte en massaliteit niet passen binnen de omgeving. De maximale goothoogte en de nok van de woningen zijn volgens hen hoger dan die van woningen in de omgeving. Doordat er twee woonblokken worden gerealiseerd ontstaat er volgens [appellant] en anderen een massaal geheel. Daarnaast wijzen zij erop dat de afstand tot de omliggende woningen afneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat het bebouwingspercentage sterk toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Volgens hen voldoet het plan verder niet aan de welstandseisen. Voorts wijzen [appellant] en anderen erop dat de beeldbepalende boerderij achter de voorziene woningen aan het zicht zal worden onttrokken.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan passend is in de omgeving. De hoofdmassa met één bouwlaag en een kap, de goothoogtes en de woonblokken komen volgens het college overeen met het karakter van de bebouwing in de omgeving. Het college heeft voorts uiteengezet dat in de huidige situatie sprake is van bebouwing met een aaneengesloten gevel van 20,5 m. Voorts heeft het college er op gewezen dat het bebouwingspercentage binnen het plangebied afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Het plan voldoet volgens het college aan de uitgangspunten om de karakteristieke en cultuurhistorische waarden van het oude dorp te behouden. Verder brengt het college naar voren dat de bebouwing achter het plangebied in de bestaande situatie reeds aan het zicht wordt onttrokken.

3.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.6, van het bestemmingsplan "Dorp" kan het college het plan ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - wijzigingsgebied 7" wijzigen naar de bestemmingen "Tuin", "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Wonen", met dien verstande dat:

a. het aantal woningen ten hoogste 4 bedraagt;

b. de goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen moet aansluiten op de bebouwing in de directe omgeving;

c. de dakhelling van de hoofdgebouwen niet minder dan 40 en niet meer dan 55 graden bedraagt;

Indien een mansardekap wordt gerealiseerd kan hiervan afgeweken worden; d. een goede ontsluiting is gewaarborgd;

e. ten aanzien van het parkeren voldaan wordt aan de parkeernormen uit artikel 25.2;

f. indien er openbare parkeerplaatsen opgeheven worden, deze plaatsen elders gecompenseerd moeten worden;

g. bij herontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de aanwezige bomen op het terrein;

h. wijziging uitsluitend is toegestaan indien dit vanuit het oogpunt van milieuhinder niet op belemmeringen stuit;

i. vooraf moet zijn aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

j. het belang dat met de wijziging wordt gediend geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van de in de nabijheid gelegen bestemmingen en functies.

3.3. Aan het plangebied zijn de bestemming "Wonen" en de bestemming "Tuin" toegekend. Aan de gronden zijn twee bouwvlakken toegekend. Aan deze bouwvlakken zijn de aanduidingen "maximum goothoogte - 3,5 m" en "maximum bouwhoogte - 9 m" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels blijft het bepaalde in artikel 15 "Wonen" van het bestemmingsplan "Dorp" onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan.

Ingevolge artikel 15, lid 15.2.1, onder b, van de planregels bij het bestemmingsplan "Dorp" bedraagt de goothoogte van hoofdgebouwen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte (m)" aangegeven goothoogte.

Ingevolge lid 15.2.1, onder d, bedraagt de bouwhoogte van hoofdgebouwen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven goothoogte.

3.4. De Afdeling stelt vast dat het plangebied is gelegen in een dichtbebouwd deel van de dorpskern. In de omgeving van het plangebied varieert de goothoogte van de bebouwing van 3 tot 3,5 m. De bouwhoogte van de bebouwing in de omgeving varieert van 7,5 tot 10 m. Zoals uit het voorgaande volgt is de maximale goothoogte van de in het plan voorziene woningen 3,5 m. De maximale bouwhoogte bedraagt 9 m. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ter plaatse geldende goot- en bouwhoogten aansluiten bij de hoogten van de bebouwing in de omgeving.

Wat betreft de voorgevelrooilijn is aansluiting gezocht bij de naastgelegen percelen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat ter plaatse van het plangebied een bocht aanwezig is in de Schoolstraat. Hierdoor vindt er een lichte verspringing van de gevels van de voorziene woningen plaats. Uit de Nota zienswijzen volgt dat er in de huidige situatie 410 m² aan bebouwing op het perceel staat. Het plan voorziet in een bebouwingspercentage van 264 m² voor de woning en ongeveer 80 m² aan bijgebouwen. Anders dan [appellant] en anderen stellen neemt het bebouwingspercentage ten opzichte van de huidige situatie derhalve af. Het plan voorziet in twee twee-onder-één-kapwoningen. In de Nota zienswijzen staat dat doordat de woningen in twee blokken worden gerealiseerd, is beoogd de massaliteit te beperken. De gevels krijgen een breedte van 12,44 m. De kortste afstand van het bouwvlak tot aan de perceelsgrens bedraagt 3,5 m. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bebouwing op een aanvaardbare wijze is ingepast in de omgeving. Het betoog faalt.

3.5. Ten aanzien van het betoog omtrent de welstandseisen overweegt de Afdeling dat welstandseisen in beginsel geen rol spelen bij de beoordeling van een bestemmingsplan. Het toetsen van gebouwen of bouwwerken aan de welstandseisen is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot de aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen. Het bezwaar van [appellant] en anderen met betrekking tot welstand kan derhalve niet in deze procedure aan de orde komen. Het betoog faalt.

3.6. De boerderij die is gelegen achter het plangebied is aangewezen als gemeentelijk monument. De Afdeling stelt vast dat deze boerderij in de huidige situatie reeds grotendeels aan het zicht vanaf de Schoolstraat wordt onttrokken. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in het plan voorziene woningen het monumentale karakter van de boerderij aantasten. Daarbij is van belang dat de afstand van de in het plan voorziene woningen tot aan de boerderij ongeveer 25 m bedraagt. Het betoog faalt.

De ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel aanwezige bebouwing

4. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat ten gevolge van het plan het beeldbepalende pand dat ten tijde van de vaststelling van het plan in het plangebied aanwezig was verdwijnt. Het gemeentebestuur zou zich volgens hen moeten inspannen om dergelijke panden te behouden.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de ten tijde van de vaststelling van het plan in het plangebied aanwezige bebouwing niet beeldbepalend is.

4.2. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar hetgeen in 3.2 is overwogen, dat de mogelijkheid tot het realiseren van vier woningen op het perceel reeds met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 6, lid 6.6, van de planregels van het bestemmingsplan "Dorp" mogelijk is gemaakt. In het aangevoerde omtrent de in het plangebied aanwezige bebouwing ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich desondanks niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van de vier woningen in het plangebied niet aanvaardbaar is. Daarbij is in ieder geval van belang dat het ten tijde van de vaststelling van het plan in het plangebied aanwezige gebouw niet is aangewezen als monument en dat het plangebied niet is gelegen in een beschermd dorpsgebied. Het betoog faalt.

Bezonning

5. [appellant] en anderen betogen verder dat het plan leidt tot onevenredige vermindering van toetreding van zonlicht in hun woningen. De normen van het Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (hierna: TNO) hebben volgens [appellant] en anderen geen betekenis. Volgens hen voldoet het bezonningsonderzoek niet, omdat het uitsluitend bestaat uit animaties van de huidige en de nieuwe situatie. De vermindering van zonlicht is volgens hen onaanvaardbaar.

5.1. Het college heeft uiteengezet dat uit het bezonningsonderzoek volgt dat alleen relevante schaduwwerking optreedt voor de woningen aan de [locatie 1] en de [locatie 2]. Bij de woning aan de [locatie 2] ligt de woonkamer volgens het college aan de andere zijde. De zonlichttoetreding in de woonkamer van de woning aan de [locatie 1] wordt volgens het college wel beïnvloed door het plan, maar voldoet ruimschoots aan de streefnorm van drie bezonningsuren per dag van TNO.

5.2. Ten behoeve van het plan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. In het bezonningsonderzoek staat vermeld dat er geen wettelijke normen zijn ten aanzien van bezonning, maar dat TNO wel een minimumnorm en een streefnorm heeft opgesteld. De minimumnorm houdt in dat sprake is van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober in de woonkamer. De streefnorm houdt in dat er sprake is van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 januari tot 21 november in de woonkamer. In het aangevoerde ziet Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college voor de beoordeling van de schaduwwerking niet heeft kunnen aansluiten bij de door TNO geformuleerde normen.

In het bezonningsonderzoek is voor de maatgevende dagen van de vier seizoenen de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie. Uit het bezonningsonderzoek volgt dat in de nieuwe situatie met name in de lente en de herfst eerder sprake is van schaduwhinder dan in de huidige situatie. Uit het bezonningsonderzoek volgt dat voor alle woningen wordt voldaan aan de streefnorm van TNO. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het bezonningsonderzoek niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet op het bezonningsonderzoek heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder. Het betoog faalt.

Parkeren

6. [appellant] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast. Volgens hen kan het parkeren niet worden voorzien op eigen terrein.

6.1. Het college heeft uiteengezet dat wordt voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Dorp". Ten behoeve van het plan zijn 7,2 parkeerplaatsen nodig. Volgens het college vindt het parkeren plaats op eigen terrein.

6.2. In de in artikel 6, lid 6.6, van de planregels van het bestemmingsplan "Dorp" opgenomen wijzigingsbevoegdheid is ten aanzien van het parkeren opgenomen dat moet worden voldaan aan de parkeernormen uit artikel 25.2 van deze planregels. In artikel 25, lid 25.2, is bepaald dat 1,8 parkeerplaats per woning dient te worden aangelegd indien de bruto oppervlakte meer dan 80 m² bedraagt. In de plantoelichting staat vermeld dat er op grond van deze norm 7,2 parkeerplaatsen benodigd zijn. Het college heeft uiteengezet dat er binnen het plangebied ruimte is om deze parkeerplaatsen te realiseren. Het plan voorziet in de mogelijkheid bij iedere woning een garage te bouwen. Daarnaast wordt er bij iedere woning een oprit gerealiseerd. Ter zitting heeft het college uiteengezet dat op deze oprit ruimte is voor het parkeren van twee auto's. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het parkeren kan worden voorzien op eigen terrein. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast. Het betoog faalt.

Aantasting privacy

7. Volgens [appellant] en anderen zal het plan verder leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy.

7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de afstand tot aan de omliggende woningen voldoende is. De privacy van de omwonenden wordt volgens het college niet onevenredig aangetast.

7.2. De kortste afstand van de bouwvlakken tot aan het aangrenzende perceel bedraagt ongeveer 3,5 m. Daarnaast bedraagt de kortste afstand tot de aangrenzende woningen ongeveer 10,5 m. Niet is uitgesloten dat de privacy van [appellant] en anderen door het plan enigszins zal worden aangetast. Gelet op voornoemde afstanden heeft het college zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van [appellant] en anderen niet dusdanig zal worden aangetast dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Daarbij is voorts van belang dat het plangebied is gelegen in een dichtbebouwd deel van de dorpskern. Het betoog faalt.

Bomen

8. [appellant] en andere stellen dat het plan leidt tot de aantasting van waardevolle bomen. De aanwezige kastanjeboom staat op de voorlopige lijst van beschermde bomen. Volgens [appellant] en anderen kan de boom herstellen van de zogenoemde bloedingsziekte.

8.1. Het college heeft uiteengezet dat in het plangebied aanwezige bomen zo veel mogelijk worden behouden. De kastanje kan volgens het college wegens ziekte niet worden behouden.

8.2. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat binnen de gemeente nog geen monumentale bomen zijn aangewezen. Er is wel een voorlopige lijst met beschermde bomen. De bomen die op deze lijst staan, dienen te worden behouden. Het college heeft uiteengezet dat de bomen in het plangebied die op deze lijst staan behouden blijven, behalve de aanwezige kastanjeboom. In de Nota zienswijzen staat voorts dat onderzoek is verricht naar deze kastanjeboom. Uit het onderzoek volgt dat de levensverwachting van deze boom door de bloedingsziekte minder is dan 10 jaar. Gelet hierop kan de boom volgens het college beter worden vervangen door een andere boom. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit standpunt onredelijk is. Gelet op vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van waardevolle bomen. Het betoog faalt.

Flora- en faunawet

9. [appellant] en anderen voeren aan dat onvoldoende onderzoek in gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen. Volgens [appellant] en anderen zijn ter plaatse van het plangebied veel vleermuizen aanwezig.

9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat. Er vindt geen verstoring van vleermuizen plaats.

9.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Ten behoeve van het plan is door BTL advies een Quickscan ecologie uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat geen sporen van beschermde soorten zijn aangetroffen in het pand. Volgens de Quickscan gaat het gelet op de grootte en de ligging van het plangebied niet om functies die structureel van belang zijn voor de vleermuizen. Over het betoog van [appellant] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Ffw in verband met de aanwezigheid van door hen gesignaleerde diersoorten overweegt de Afdeling verder dat zij geen gegevens hebben overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld vleermuizen waarnemen acht de Afdeling in dit verband onvoldoende. Het college stelt in dit verband dat er nestkasten zijn geplaatst om elke mogelijke aantasting te voorkomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat nader onderzoek diende te worden verricht naar de aanwezigheid van vleermuizen.

Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Waardevermindering

10. Tot slot vrezen [appellant] en anderen voor een waardedaling van hun woningen.

10.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

12. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

575.