Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508571/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2015 heeft het college zijn beslissing om op 31 augustus 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 op onjuiste wijze aanbieden van afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college besloten dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 125,00, voor rekening van de vennootschap komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7267
JOM 2016/593
JAF 2016/624 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508571/1/A1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rotterdam, handelend namens [bedrijf] (hierna: de vennootschap),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2015 heeft het college zijn beslissing om op 31 augustus 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 op onjuiste wijze aanbieden van afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college besloten dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 125,00, voor rekening van de vennootschap komen.

Bij besluit van 10 november 2015 heeft het college het hiertegen door [appellant] namens de vennootschap gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] namens de vennootschap beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. el Fisasi, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het besluit van 25 september 2015 is gericht tot de vennootschap. [appellant] heeft tegen dit besluit namens de vennootschap bezwaar gemaakt. Bij brief van 7 oktober 2015 heeft het college [appellant] in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen om aan te tonen dat hij bevoegd was om namens de vennootschap bezwaar te maken. Omdat [appellant] dit niet heeft gedaan, heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. [appellant] betoogt dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem blijkt uit een bij zijn beroepschrift overgelegd KvK-uittreksel dat hij bevoegd was om namens de vennootschap bezwaar te maken.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] het KvK-uittreksel voor het eerst in beroep heeft overgelegd en dat hij in de bezwaarfase heeft nagelaten zijn bevoegdheid om namens de vennootschap op te treden aan te tonen. Volgens het college heeft [appellant] in reactie op de brief van 7 oktober 2015 uitsluitend het bij die brief gevoegde antwoordformulier over de wijze van horen teruggezonden. Er bestaat geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van het college. Nu [appellant] niet binnen de daartoe door het college gestelde termijn heeft aangetoond dat hij bevoegd was om namens de vennootschap bezwaar te maken, mocht het college het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk verklaren. Dat [appellant], zoals ter zitting naar voren is gekomen, de brief van 7 oktober 2015 mogelijk niet goed heeft begrepen, komt voor zijn risico. De omstandigheid dat hij in beroep alsnog een KvK-uittreksel heeft overgelegd, kan verder niet afdoen aan de rechtmatigheid van het besluit van 10 november 2015, nu de Afdeling dit besluit dient te beoordelen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen daarvan.

Het betoog faalt.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Michiels w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

462-833.