Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201600495/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellante] van 7 augustus 2014 om haar persoonsgegevens in de Basisregistratie personen (hierna: de Brp) te wijzigen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600495/1/A3.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2015 in zaak nr. 15/2660 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellante] van 7 augustus 2014 om haar persoonsgegevens in de Basisregistratie personen (hierna: de Brp) te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2015 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.L. Sett, advocaat te Vleuten, en het college, vertegenwoordigd door M.K. Ulrich, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is sinds 5 januari 2006 in de Gemeentelijke basisadministratie (thans: de Brp) geregistreerd als [appellante], geboren op 8 juli 1988 te Zhong Qing (China). Deze gegevens zijn, bij het ontbreken van brondocumenten, ontleend aan een door [appellante] op 5 januari 2006 bij de gemeente Heythuysen afgelegde verklaring onder eed of gelofte en komen overeen met door [appellante] op 31 oktober 2004 en 7 juni 2005 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst afgelegde verklaringen. [appellante] beoogt wijziging van deze gegevens naar [naam], geboren op 16 mei 1980 te Fujian (China).

2. Het college heeft het verzoek van [appellante] krachtens artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), afgewezen onder verwijzing naar een eerder afwijzend besluit van 25 mei 2010. Aan het verzoek van 12 april 2010 dat tot dat besluit heeft geleid, heeft [appellante] een op 26 april 2006 door de Chinese ambassade te Den Haag afgegeven Chinees paspoort, een in China opgemaakte notariële verklaring van 9 januari 2009 over haar geboorte en een op 19 januari 2009 afgegeven hukou ten grondslag gelegd. Volgens het college heeft [appellante] aan haar opvolgende verzoek van 7 augustus 2014 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank de afwijzing van het college ten onrechte heeft onderschreven. Hiertoe voert zij aan dat zij in bezwaar heeft aangeboden een fotovergelijkingsonderzoek te laten verrichten om aan te tonen dat de foto in haar Chinese paspoort op dezelfde persoon betrekking heeft als de foto op haar Nederlandse verblijfsdocument. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat de uitkomst van dat onderzoek een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid oplevert.

3.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3.2. Een aanbod om een onderzoek te laten verrichten is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Nu in hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangevoerd dat buitengewone omstandigheden bestaan waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan, ziet de Afdeling, evenmin als de rechtbank, grond voor vernietiging van het besluit van 16 maart 2015.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Vermeulen w.g. Hartsuiker

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

620.