Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201506336/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college [appellante] gelast binnen twee maanden na verzending ervan het gebruik van het recreatieverblijf [locatie 1] te Lith als hoofdverblijf te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/930
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506336/1/A1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2015 in zaak nr. 14/3800 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college [appellante] gelast binnen twee maanden na verzending ervan het gebruik van het recreatieverblijf [locatie 1] te Lith als hoofdverblijf te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 18 september 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.J.C. van Keulen, advocaat te Den Bosch, en het college, vertegenwoordigd door J. van Herwijnen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Vast staat dat het gebruik van het recreatieverblijf als hoofdverblijf in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Lith 2013" op het perceel rustende recreatieve bestemming. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het recreatieverblijf door [appellante] als hoofdverblijf wordt gebruikt.

2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] het recreatieverblijf in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Lith 2013" als hoofdverblijf gebruikt. [appellante] stelt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het adres [locatie 2] te ’s-Hertogenbosch op welk adres zij ook staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP).

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat het college er in is geslaagd de voor het vermoeden dat sprake is van het gebruik van het recreatieverblijf als hoofdverblijf in strijd met de planregels vereiste feiten, vast te stellen en zij dit vermoeden niet heeft weten te ontkrachten. Zij voert daartoe aan dat zij op het adres [locatie 2] te ’s-Hertogenbosch staat ingeschreven in de BRP, zodat het op weg van het college lag aannemelijk te maken dat zij niettemin haar hoofdverblijf in het recreatieverblijf had. Voor zover het college al aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in de recreatiewoning had, heeft de rechtbank volgens [appellante] voorts miskend dat zij dit vermoeden heeft weten te ontkrachten met de door haar overgelegde stukken, waaruit blijkt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het BRP-adres.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 23 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2994) ligt het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan de voor het vermoeden dat een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan permanent wordt bewoond vereiste feiten vast te stellen. Het is vervolgens aan de aangeschrevene om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan. Indien de betrokkene blijkens de Gemeentelijke Basisadministratie, thans de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP), op een ander adres dan de recreatiewoning is ingeschreven, is het aan het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de betrokkene niettemin hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft. Het feit dat betrokkene op een ander adres dan dat van de recreatiewoning staat ingeschreven en op het adres waar hij staat ingeschreven niet over zelfstandige woonruimte beschikt, is een aanwijzing dat hij zijn recreatiewoning als hoofdverblijf gebruikt.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2009; ECLI:NL:RVS:2009:BJ9471) draagt het feit dat een recreatiewoning in aanmerking is gebracht voor hypotheekrenteaftrek, bij aan het vermoeden dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt.

3.2. Het college heeft ter motivering van zijn standpunt erop gewezen dat [appellante] heeft verklaard dat zij in 2008 en 2009 woonachtig is geweest in het recreatieverblijf, het BRP-adres een bovenwoning betreft van 144 m² waar vier volwassenen en twee kinderen staan ingeschreven en [appellante] daar niet beschikt over een zelfstandige woonruimte. Het college heeft voorts in aanmerking genomen dat [appellante] geen huur of andere bijdrage betaalt voor deze woonruimte en de hoofdbewoner van het BRP-adres, [hoofdbewoner], de echtgenoot van [nicht], een nicht van [appellante] die ook op het BRP-adres woont, bij het controlebezoek van 29 april 2013 heeft verklaard dat [appellante] en haar zoon twee keer per week op het BRP-adres verbleven. Verder heeft het college in aanmerking genomen dat bij zestien controles de recreatiewoning in de periode van 25 april 2013 tot en met 8 mei 2014 veertien keer een bewoonde indruk maakte, bij zes van de controles mensen werden aangetroffen, waarvan eenmaal [appellante], en [appellante] niet is aangetroffen bij de twee controles op het BRP-adres. Het college heeft er voorts belang aan gehecht dat [appellante] de recreatiewoning voor de jaren 2011 tot en met 2013 in aanmerking heeft gebracht voor hypotheekrenteaftrek.

3.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college de voor het vermoeden dat de recreatiewoning door [appellante] als hoofdverblijf wordt gebruikt vereiste feiten heeft vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat [appellante] op het BRP-adres niet beschikt over zelfstandige woonruimte. Voor zover [appellante] stelt te beschikken over een slaapkamer op het BRP-adres kan dit, wat daar verder van zij, niet als zelfstandige woonruimte worden aangemerkt. Deze beschikt niet over een eigen toegang, eigen sanitaire voorzieningen of een eigen keuken. De rechtbank heeft voorts in aanmerking kunnen nemen dat [appellante]s geen huur of andere bijdrage betaalt voor het gebruik van de woning op het BRP-adres. [appellante] heeft haar stelling dat zij een vrijwillige donatie doet niet met gegevens of bescheiden gestaafd. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat uit het controlerapport van 29 april 2013 blijkt dat door [hoofdbewoner] is verklaard dat [appellante] en haar zoon twee keer per week op het BRP-adres verbleven. Voorts staat vast dat [appellante] haar recreatiewoning in 2011, 2012 en 2013 in aanmerking heeft gebracht voor hypotheekrenteaftrek, hetgeen bijdraagt aan het vermoeden dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt. Nu aan het ontbreken van zelfstandige woonruimte, het niet betalen van huur, de verklaring van [hoofdbewoner] en het door [appellante] in aanmerking brengen van haar recreatiewoning voor hypotheekrenteaftrek groot gewicht moeten worden toegekend, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat het college niet behoefde af te gaan op de inschrijving in de BRP.

De rechtbank heeft evenzeer terecht geoordeeld dat [appellante] het vermoeden van permanente bewoning van de recreatiewoning niet heeft ontkracht. Voor zover [appellante] erop wijst dat [hoofdbewoner] heeft betwist dat hij tijdens de controle op 29 april 2013 heeft verklaard dat [appellante] en haar zoon twee keer per week op het BRP-adres verbleven en hij nadien, onder meer ter zitting bij de rechtbank, heeft verklaard dat [appellante] haar hoofdverblijf heeft op het BRP-adres, wordt overwogen dat [hoofdbewoner] het controlerapport van 29 april 2013 waarin deze verklaring is opgenomen heeft ondertekend en het college aan de andersluidende verklaring geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toekennen, nu deze na de opgelegde last onder dwangsom is afgelegd. Voor zover [appellante] betoogt dat de omstandigheid dat zij op het BRP-adres niet beschikt over zelfstandige woonruimte niet beslissend is, omdat sprake is van een gezin/leefeenheid waarvan zij onderdeel uitmaakt, onder meer omdat zij mede zorg draagt voor de twee kinderen die op het BRP-adres verblijven en zij in dat kader toegang heeft tot alle voorzieningen in deze woning, heeft zij deze stelling onvoldoende met gegevens of bescheiden gestaafd. De rechtbank heeft met betrekking tot de door [appellante] overgelegde verklaring van de gezinsvoogd van een van de kinderen die op het BRP-adres woont terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat deze gezinsvoogd langdurig en frequent in de woning op het BRP-adres aanwezig is geweest. Aan de door [appellante] overgelegde verklaring van [nicht] komt evenmin de betekenis toe die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien. Deze houdt niet meer in dan de enkele stelling dat [appellante] op het BRP-adres slaapt en woont en niet slaapt in het recreatieverblijf en vermeldt niets over de door [appellante] beschreven leefeenheid waarin zij mede zorg draagt voor de twee kinderen die op het BRP-adres verblijven. Zoals hiervoor reeds is overwogen komt voorts aan de latere verklaring van [hoofdbewoner] ook niet die betekenis toe die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien, nog daargelaten dat deze verklaring evenmin iets vermeldt over de door [appellante] beschreven leefeenheid.

[appellante] wordt voorts niet gevolgd voor zover zij stelt dat aan de omstandigheid dat zij haar recreatiewoning in aanmerking heeft gebracht voor hypotheekrenteaftrek geen betekenis zou toekomen. Uit het voorgaande volgt dat er meer indicaties zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat [appellante] niet op het BRP-adres maar in het recreatieverblijf haar hoofdverblijf heeft. Dat [appellante] haar recreatiewoning in aanmerking heeft gebracht voor hypotheekrenteaftrek draagt bij aan dit vermoeden.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat [appellante] op het BRP-adres post van onder meer haar verzekeringsmaatschappij, tandarts, apotheek en het ziekenhuis heeft ontvangen een indicatie is voor het hoofdverblijf op dat adres, maar dit op zichzelf onvoldoende is om dat aan te tonen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

580.