Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
201410179/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2014" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410179/1/R1.

Datum uitspraak: 27 januari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], gevestigd te Ursem, gemeente Alkmaar,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Grootschermer, en de vennootschap onder firma B&B Boerderij de Fryhof v.o.f., gevestigd Grootschermer, gemeente Alkmaar, waarvan de vennoten zijn [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3], wonend te Zuidschermer, gemeente Alkmaar,

4. de stichting Stichting Open Polders, gevestigd te Alkmaar,

5. [appellant sub 5], wonend te Noordbeemster, gemeente Alkmaar,

6. [appellant sub 6], wonend te Grootschermer, gemeente Alkmaar,

7. [appellant sub 7], wonend te Grootschermer, gemeente Alkmaar,

8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), beiden wonend te Zuidschermer, gemeente Alkmaar,

9. [appellant sub 9], wonend te Zuidschermer, gemeente Alkmaar,

10. [appellant sub 10], wonend te Schermerhorn, gemeente Alkmaar,

11. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

12. [appellant sub 11 A] en [appellant sub 11 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te Driehuizen, gemeente Alkmaar,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Schermer, thans gemeente Alkmaar,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], de stichting, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], het college van gedeputeerde staten en [appellant sub 11] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 17 september 2015 heeft de raad enkele planonderdelen gewijzigd vastgesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 en 6 oktober 2015, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actuele planologisch-juridische regeling voor het buitengebied van de voormalige gemeente Schermer. Het plan maakt een beperkt aantal ontwikkelingen mogelijk. Voor het overige is aangesloten bij de bestaande situatie.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] heeft aan de [locatie 1] te Ursem een agrarisch bedrijf en een tenniscentrum. Ter vergroting van de bebouwing van beide functies is in 2012 een vrijstelling en een vergunning verleend. In het ontwerpplan was die ontwikkeling niet meegenomen en was de agrarische bestemming wegbestemd. In de nota van zienswijzen heeft de raad aangegeven dat het bouwvlak van de tennishal en het agrarisch bouwvlak zouden worden afgestemd op de vergunning uit 2012. In beroep betoogt [appellant sub 1] dat de raad daarbij ten onrechte het tenniscentrum heeft wegbestemd.

3.1. De raad heeft in de nota van zienswijzen aangegeven dat zowel het bouwvlak van de tennishal als het agrarische bouwvlak zullen worden afgestemd op de vergunning uit 2012. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt in de verbeelding. In het verweerschrift stelt de raad zich op het standpunt dat de verleende vrijstelling en vergunning niet juist in het plan zijn verwerkt. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellant sub 1] aanvoert ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

3.2. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locatie 1] te Ursem.

3.3. Ter zitting heeft de raad een uitsnede overgelegd waarin is weergegeven hoe de verbeelding voor de gronden aan de [locatie 1] had moeten worden vastgesteld. [appellant sub 1] heeft te kennen gegeven met het plan te kunnen instemmen als deze uitsnede daarin wordt verwerkt. De Afdeling ziet, mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de ter zitting overgelegde uitsnede, zoals opgenomen in de bij deze uitspraak behorende kaart, in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locatie 1] te Ursem. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad, aangezien hiermee de bestaande, althans vergunde bebouwing als zodanig wordt bestemd.

Het beroep van [appellant sub 2]

De bed & breakfast

4. [appellant sub 2] exploiteert een bed & breakfast aan de [locatie 2] te Grootschermer. Op 1 mei 2013 is een vergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor de bouw van een verblijfsaccommodatie met zes kamers. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte niet het aantal kamers tot zes maar het aantal personen tot 15 is beperkt. Op deze wijze kunnen gezinnen niet altijd overnachten met een klein kind op dezelfde kamer. De namens [appellant sub 2] verstuurde e-mail van 27 december 2012, waarin over maximaal 15 personen wordt gesproken, behoort niet tot de vergunning. De e-mail was slechts verstuurd om nog geen melding te hoeven doen in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer, aldus [appellant sub 2].

4.1. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de omgevingsvergunning is verleend voor het verblijf van maximaal 15 personen nu de e-mail van [appellant sub 2] deel uitmaakt van de verleende vergunning en dat die mogelijkheden in het plan zijn overgenomen.

4.2. Het plan voorziet ter plaatse van de [locatie 2] in de bestemming "Wonen". De papieren verbeelding voorziet tevens in de aanduiding "bed & breakfast". De elektronisch vastgestelde verbeelding voorziet niet in die aanduiding.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bed & breakfast" tevens bestemd voor een bed & breakfast waar overnachtingsmogelijkheid mag worden geboden aan maximaal 15 personen.

4.3. Voor zover de elektronisch vastgestelde verbeelding, anders dan de papieren verbeelding, niet in de aanduiding "bed & breakfast" voorziet, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, het elektronisch vastgestelde plan beslissend is, indien de inhoud daarvan tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie. Desgevraagd heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de elektronisch vastgestelde verbeelding per abuis niet in die aanduiding voorziet.

4.4. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt in zoverre.

4.5. Wat betreft het aantal personen waaraan overnachting mag worden geboden in de bed & breakfast overweegt de Afdeling als volgt. In de omgevingsvergunning, tweede fase, van 1 mei 2013 voor het verbouwen van een gebouw tot bed & breakfast is een lijst opgenomen met bijgevoegde documenten. Daartoe behoort de e-mail van aanvrager van 27 december 2012. In deze e-mail, met het onderwerp 'Gewijzigde aanvraag omgevingsvergunning, tweede fase', staat dat ten behoeve van de te realiseren verblijfsaccommodatie het maximaal aantal personen ten hoogste 15 zal bedragen en dat deze e-mail kan worden opgevat als een gewijzigde aanvraag. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat het aantal personen tot 15 is beperkt met het oog op mogelijke hinder voor omwonenden en de parkeerdruk. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid de beperking van de bed & breakfast tot 15 personen uit de omgevingsvergunning kunnen overnemen in het plan. Het betoog faalt in zoverre.

Het melktransportbedrijf

5. [appellant sub 2] exploiteert aan de [locatie 2] ook een melktransportbedrijf. Hij heeft aangegeven de ambitie te hebben het melktransportbedrijf op termijn te beëindigen en zich (volledig) te richten op de bed & breakfast. Het is echter niet met zekerheid te zeggen wanneer die ambitie kan worden verwezenlijkt. Derhalve bestaat geen concreet zicht op beëindiging van het melktransportbedrijf en is ten onrechte voorzien in de bestemming "Wonen", aldus [appellant sub 2].

5.1. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor de bed & breakfast is verleend 'onder de omstandigheid of zelfs voorwaarde' dat sprake was van een sterk afbouwende bedrijfsvoering. Bij een nog florerend melktransportbedrijf zou de vergunning voor de bed & breakfast niet zijn verleend. De raad verwacht dan ook dat de bedrijvigheid binnen de planperiode van 10 jaar flink zal afnemen dan wel beëindigd zal worden. Dat past ook binnen de ambitie van [appellant sub 2] om zich volledig te richten op de bed & breakfast. De bestaande bedrijfsvoering kan gedurende de planperiode onder het overgangsrecht worden voortgezet, aldus de raad.

5.2. Niet in geschil is dat aan de [locatie 2] thans een melktransportbedrijf aanwezig is. Voorts is niet in geschil dat geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over beëindiging van het melkveetransportbedrijf. Over eventuele mondelinge afspraken loopt de lezing van de feiten tussen de raad en [appellant sub 2] uiteen. Ter zitting hebben zij hun standpunten herhaald. [appellant sub 2] heeft daarbij toegelicht dat beëindiging van het melktransportbedrijf eerst aan de orde kan komen wanneer de bed & breakfast voldoende inkomsten genereert om met het melktransportbedrijf te kunnen stoppen.

Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat is afgesproken dat het melktransportbedrijf binnen de planperiode zal worden beëindigd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad in het verweerschrift spreekt over 'de omstandigheid of zelfs voorwaarde' en over 'een sterk afbouwende bedrijfsvoering' in plaats van over de beëindiging van het melktransportbedrijf binnen de planperiode. Uit het vorenstaande volgt dat de raad in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid het melktransportbedrijf onder het overgangsrecht heeft gebracht door de betrokken gronden te voorzien van de bestemming "Wonen". Het betoog slaagt.

Conclusie

5.3. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 2] te Grootschermer. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening over de bed & breakfast aan de [locatie 2] als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, omdat hiervoor op 1 mei 2013 vergunning is verleend.

5.5. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Het beroep van [appellant sub 3]

Ontbreken bouwvlak

6. [appellant sub 3] woont aan de Zuidervaart 109abd te Zuidschermer en is eigenaar van de bedrijfspanden aan de [locaties 3]. [appellant sub 3] betoogt dat op het plandeel voor de [locaties 3] een bouwvlak ontbreekt.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de gronden van [appellant sub 3] met de bestemming "Bedrijf" per abuis geen bouwvlak is opgenomen.

6.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Bebouwingspercentage

7. [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte het bebouwingspercentage heeft teruggebracht naar 60. Hierbij voert hij aan dat het voorheen geldende bestemmingsplan voorzag in een bebouwingspercentage van 75.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen reden bestaat om de voor [appellant sub 3] ontstane uitzondering voort te zetten. Voor het plandeel voor de gronden van [appellant sub 3] was goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003", zodat voor hem nog het percentage van 75 procent uit het bestemmingsplan "Buitengebied Akersloot" uit 1985 gold. Thans zijn de bebouwingspercentages afgestemd op het beleid dat ten grondslag lag aan het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003". Voorts biedt het bebouwingspercentage van 60, gelet op de omvang van de bestaande bebouwing, nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden, aldus de raad.

7.2. Artikel 6 van de planregels betreft de planregeling voor de bestemming "Bedrijf". Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder b, is ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" ten hoogste het aangegeven bebouwingspercentage per bouwvlak toegestaan. Indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 60% per bouwvlak.

7.3. In de plantoelichting staat dat het bouwvlak van de bedrijven is afgestemd op het vigerende bestemmingsplan met een bouwpercentage van 60. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bebouwingspercentage tot 70 procent indien voldaan wordt aan de voorwaarden omtrent de verkeersaantrekkende werking, milieuhinder en de cultuurhistorische en natuurlijke waarden. Dit bebouwingspercentage biedt voldoende ruimte voor bedrijven om voort te bestaan. Vanwege het stedelijke karakter van dergelijke bedrijvigheid wordt geen verdergaande uitbreidingsmogelijkheid geboden dan dit. Een gezonde bedrijfsontwikkeling blijft mogelijk, maar tegelijkertijd wordt voorkomen dat de bedrijfsfunctie zodanig wordt gestimuleerd dat het de overhand neemt in het landelijk gebied, aldus de plantoelichting.

7.4. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

In dit geval heeft de raad het bebouwingspercentage voor de gronden van [appellant sub 3] afgestemd op het beleid dat ten grondslag lag aan het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003", zodat voor hem hetzelfde bebouwingspercentage geldt als voor de omliggende bouwvlakken met dezelfde bestemming. Voorts is ter zitting gebleken dat [appellant sub 3] nog over uitbreidingsruimte beschikt, gelet op de thans aanwezige bebouwing en uitgaande van een bebouwingspercentage van 60. Gelet hierop, en hetgeen in de plantoelichting is vermeld, was de raad niet gehouden om voor de gronden van [appellant sub 3] in een bebouwingspercentage van 75 te voorzien. Het betoog faalt.

Conclusie

7.5. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locaties 3] met de bestemming "Bedrijf". Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

7.6. Ter zitting heeft de raad een uitsnede overgelegd waarin is weergegeven hoe de verbeelding voor de gronden aan de [locaties 3] met de bestemming "Bedrijf" had moeten worden vastgesteld. [appellant sub 3] heeft te kennen gegeven met het plan te kunnen instemmen als deze uitsnede daarin wordt verwerkt. De Afdeling ziet, mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de ter zitting overgelegde uitsnede, zoals opgenomen in de bij deze uitspraak behorende kaart, in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locaties 3] met de bestemming "Bedrijf". Nu de raad heeft toegelicht dat het bouwvlak uit het voorheen geldende bestemmingsplan wordt overgenomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

Tot slot overweegt de Afdeling dat de raad gelet op de nota van zienswijzen voor de gronden aan de [locaties 3] met de bestemming "Bedrijf" zou voorzien in de aanduiding "detailhandel". Daarvan uitgaande heeft [appellant sub 3] geen beroep ingesteld tegen het ontbreken van die aanduiding. Anders dan de papieren verbeelding voorziet de elektronisch vastgestelde verbeelding daar evenwel niet in. Op de ter zitting overgelegde uitsnede is de aanduiding "detailhandel" alsnog opgenomen, zodat met het zelf voorzien ook dit gebrek wordt hersteld.

Het beroep van de stichting

Omvang geschil en ontvankelijkheid

8. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 12 maart 2014 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 22 april 2014. De stichting heeft schriftelijk haar zienswijze naar voren gebracht. De zienswijze is bij faxbericht van 29 april 2014 ingekomen bij de raad. De stichting heeft derhalve niet binnen de gestelde termijn een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

In de enkele niet nader toegelichte stelling van de stichting dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Het beroep is niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het plan gewijzigd is vastgesteld en de gewijzigde vaststelling nadelig is voor de stichting.

8.1. Gelet op het vorenstaande kan het beroep van de stichting uitsluitend betrekking hebben op het plan voor zover dat gewijzigd is vastgesteld en niet kan worden uitgesloten dat de gewijzigde vaststelling voor haar nadelig is. Gelet op het beroepschrift en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen richt de stichting zich tegen drie combinaties van planonderdelen.

In de eerste plaats richt de stichting zich tegen de bestemming van de plandelen voor de gronden in het Natura-2000-gebied 'De Eilandspolder' die in het ontwerpplan waren voorzien van de bestemming "Natuur" en in het gewijzigd vastgestelde plan zijn voorzien van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" (hierna: de door de stichting bestreden plandelen). In zoverre is het beroep ontvankelijk.

In de tweede plaats richt de stichting zich tegen twee bouwvlakken in het oostelijke gedeelte van de door de stichting bestreden plandelen (hierna: de twee oostelijke bouwvlakken), plaatselijk bekend Eilandspolder sectie V nrs. 167 en 370 onderscheidenlijk sectie V, nr. 464. Deze bouwvlakken maakten geen deel uit van het ontwerpplan en zijn bij amendement in het gewijzigd vastgestelde plan opgenomen. In zoverre is het beroep ontvankelijk.

In de derde plaats richt de stichting zich tegen artikel 4, lid 4.4.6 en lid 4.5.5, en artikel 5, lid 5.4.6 en lid 5.5.5, van de planregels. Dit betreft onder meer de ammoniakemissieregeling voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur". Daarin zijn beperkingen gesteld aan het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie van het betreffende agrarische bedrijf. Deze artikelonderdelen zijn echter niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Voorts zijn de door de stichting bestreden plandelen weliswaar in afwijking van het ontwerpplan voorzien van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur", maar zijn ten opzichte van het ontwerpplan op de desbetreffende gronden geen bouwvlakken toegevoegd of uitgebreid, behoudens de twee oostelijke bouwvlakken. Gelet hierop, en nu de ammoniakemissieregeling uitsluitend betrekking heeft op bouwvlakken, is het niet indienen van een tijdige zienswijze in zoverre niet verschoonbaar. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen artikel 4, lid 4.4.6 en lid 4.5.5, en artikel 5, lid 5.4.6 en lid 5.5.5, van de planregels, behoudens voor zover het betreft de twee oostelijke bouwvlakken voor de gronden plaatselijk bekend Eilandspolder sectie V nrs. 167 en 370 onderscheidenlijk sectie V, nr. 464.

9. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

9.1. Bij besluit van 17 september 2015 heeft de raad artikel 4, lid 4.4.6, en artikel 5, lid 5.4.6, van de planregels gewijzigd. Volgens de stichting is ook de gewijzigde regeling nog niet toereikend om een toename van de ammoniakemissie te voorkomen. Hieruit volgt dat met het besluit van 17 september 2015 niet geheel aan het beroep van de stichting tegemoet is gekomen.

De Afdeling merkt het besluit van 17 september 2015 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu dat betrekking heeft op de gronden waarop ook het besluit van 30 september 2014 ziet en waartegen het beroep van de stichting is gericht. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dient het beroep van de stichting te worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 september 2015.

De Afdeling overweegt evenwel dat de ammoniakemissieregeling door het besluit van 17 september 2015 strenger is geworden. Gelet hierop en het overwogene in 8.1 ligt in de wijziging van de ammoniakemissieregeling geen reden om het niet tijdig indienen van een zienswijze tegen het plan verschoonbaar te achten. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de wijziging van artikel 4, lid 4.4.6, en artikel 5, lid 5.4.6, van de planregels in het besluit van 17 september 2015.

10. Ter zitting heeft de stichting haar beroep ingetrokken voor zover het betreft haar vraag of dit bestemmingsplan in overeenstemming met de Flora- en Faunawet en het Barro is vastgesteld en voldoet aan de regelingen die in de PRV zijn opgenomen voor het landelijk gebied en de nationale landschappen.

De bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur"

11. De stichting betoogt dat in strijd met artikel 19 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), en in afwijking van het ontwerpplan, niet is voorzien in de bestemming "Natuur" voor de door de stichting bestreden plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" als bedoeld in overweging 8.1. Hierbij voert zij aan dat de betrokken gronden zijn aangewezen als Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en dat feitelijk sprake is van gerealiseerde natuur.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de natuurfunctie ter plaatse van de door de stichting bestreden plandelen nog niet is gerealiseerd, zodat niet ingevolge artikel 19 van de PRV in de bestemming "Natuur" diende te worden voorzien. In het ontwerpplan was weliswaar voorzien in de bestemming "Natuur", maar dat was op grond van de voortgangskaart EHS uit het provinciale Natuurbeheerplan, die onjuistheden bleek te bevatten ten aanzien van het feitelijk gebruik. In overleg met de provincie is bij het gewijzigd vastgestelde plan afgegaan op de beheertypenkaart, omdat deze kaart gedetailleerder is en beter inzichtelijk maakt wat het feitelijk gebruik ter plaatse is. Ter plaatse van de gronden in de EHS die op deze kaart zijn aangemerkt met een agrarisch beheertype is de natuurfunctie nog niet gerealiseerd en is derhalve voorzien in de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur", aldus de raad.

11.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de PRV geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als EHS en als Ecologische Verbindingszone, dat:

a. een bestemmingsplan de gronden als "Natuur" bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd;

b. een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders een bestemming wijzigen in een natuurbestemming vanaf het moment dat:

1. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;

2. een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of

3. het college van gedeputeerde staten besluit dat zij provinciale staten zullen verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, het college van gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan het college van burgemeester en wethouders zendt met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.

11.3. In het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Holland staat welke soort natuur, agrarische natuur of landschap op het grondgebied van de provincie aanwezig is. Voorts staat op de beheertypenkaart hoe de gronden worden beheerd. Op de ambitiekaart is aangegeven of gewenst is om het type beheer te veranderen. Voorts is de begrenzing van de EHS en ecologische verbindingszones weergegeven.

Op de beheertypenkaart uit het Natuurbeheerplan zijn de gronden in de Eilandspolder aangeduid met diverse agrarische beheertypen onderscheidenlijk diverse natuurlijke beheertypen. De door de stichting bestreden plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" als bedoeld in overweging 8.1 zijn alle aangeduid met agrarische beheertypen. Op de EHS-voortgangskaart is de Eilandspolder voor de door de stichting bedoelde gronden aangeduid als 'Natuurnetwerk gerealiseerd'.

11.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 mei 2014 (in zaak nr. 201307252/1/R1) dient te worden gekeken naar de feitelijke situatie ter plaatse om te bepalen of de natuurfunctie reeds gerealiseerd is als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRVS (thans: PRV).

In geschil is in hoeverre de raad bij het beoordelen van de feitelijke situatie heeft kunnen afgaan op de beheertypenkaart. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij in geval van een agrarisch beheertype op de beheertypenkaart een vermoeden heeft aangenomen dat feitelijk nog geen sprake is van gerealiseerde natuur als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRV. Andersom heeft de raad in geval van een natuurlijk beheertype een vermoeden aangenomen dat feitelijk sprake is van gerealiseerde natuur. Verder is op perceelsniveau afgeweken indien op grond van andere gegevens bleek dat het aan de hand van de beheertypenkaart geïnventariseerde feitelijke gebruik onjuist was, aldus de raad.

11.5. De Afdeling overweegt dat de raad bij zijn beoordeling of sprake is van bestaande natuur in redelijkheid de beheertypekaart uit het Natuurplan als uitgangspunt heeft kunnen hanteren. De door de stichting genoemde gronden zijn op de beheertypenkaart aangeduid met een agrarisch beheertype. De raad heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat hier geen sprake is van bestaande natuur, maar van bestaand agrarisch gebruik. Dat deze gronden zijn aangewezen als EHS en behoren tot het Natura 2000-gebied 'De Eilandspolder', betekent, anders dan de stichting betoogt, niet dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Weliswaar volgt hieruit dat op de gronden beschermenswaardige natuurwaarden aanwezig zijn, maar dit betekent niet zonder meer dat sprake is van bestaande natuur, zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRV. De gronden zijn immers ook in gebruik voor agrarische doeleinden. De wijze en de mate van dit agrarisch gebruik kunnen er voor zorgen dat geen sprake is van bestaande natuur. De stichting heeft zijn stelling dat op de gronden feitelijk sprake is van bestaande natuur niet nader onderbouwd. De stichting heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande agrarisch gebruik van de gronden zodanig beperkt is, dat er feitelijk van moet worden uitgegaan dat de gronden als bestaande natuur moeten worden aangemerkt. Anders dan de stichting betoogt, heeft de raad zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op de gronden geen sprake is van bestaande natuur. Het betoog faalt.

12. De stichting betoogt dat de door haar bestreden plandelen als bedoeld in overweging 8.1 ten onrechte zijn voorzien van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" nu het beschermingsniveau voor de aanwezige natuurwaarden daarmee is verlaagd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Het plan biedt onvoldoende bescherming voor de aanwezige natuurwaarden. Dat is in strijd met de aanwijzing van het gebied als EHS, aldus de stichting.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" voldoende bescherming biedt voor de aanwezige natuurwaarden nu diverse vormen van gebruik zijn uitgesloten.

12.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder c, van de PRV geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als EHS en als Ecologische Verbindingszone, dat een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone significant aantasten.

12.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een agrarisch grondgebonden bedrijf, niet zijnde bollenteelt, glastuinbouw, akkerbouw of tuinbouw;

c. grasland of weiland al dan niet in gebruik voor hobbymatige beweiding door dieren;

met daaraan ondergeschikt:

g. het behoud en/ of herstel dan wel ontwikkeling van de in het gebied voorkomende dan weI eigen ecologische, natuurlijke en landschappelijke waarden;

h. het behoud van de openheid van het landschap;

met de daarbij behorende:

j. voorzieningen zoals (ontsluitings-) wegen agrarische kavelpaden, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater.

Ingevolge lid 5.2.1, aanhef en onder a, dienen gebouwen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.

Ingevolge lid 5.2.5 zijn binnen het bouwvlak de daar genoemde gebouwen, geen gebouwen zijnde toegestaan.

Lid 5.6 omvat een aanlegvergunningstelsel voor het buiten het bouwvlak uitvoeren van de daar genoemde werken en werkzaamheden.

12.4. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" voorzag ter plaatse van de betrokken gronden in de bestemming "Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie".

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor de uitoefening van op natuurbehoud gerichte agrarische bedrijven, waarbij veredelingsactiviteiten niet zijn toegestaan, met de daartoe noodzakelijke bebouwing uitgezonderd kassen, alsmede voor water. Tevens waren deze gronden bestemd:

- voor het behoud en/of herstel dan wel ontwikkeling van de aldaar voorkomende dan wel eigen landschappelijke en natuurlijke waarden;

- het behoud van de openheid van het landschap.

Het vijfde lid voorzag in een aanlegvergunningstelsel.

12.5. Voor zover van belang zijn de door de stichting bestreden plandelen aangewezen als EHS.

De natuurlijke waarden werden in het voorheen geldende bestemmingsplan beschermd door een aanlegvergunningstelsel. Het voorliggende plan voorziet gelet op artikel 5, lid 5.6, van de planregels eveneens in een aanlegvergunningstelsel. Verder is niet gebleken dat in de doeleindenomschrijving van het voorheen geldende bestemmingsplan - waarin de gronden waren bestemd voor op natuurbehoud gerichte agrarische bedrijven en voor het behoud en/of herstel van natuurlijke waarden - concrete beperkingen waren neergelegd voor het toegestane agrarische gebruik die niet tevens tot uitdrukking komen in het thans voorziene aanlegvergunningstelsel en de beperking tot agrarisch grondgebonden bedrijven, niet zijnde bollenteelt, glastuinbouw, akkerbouw of tuinbouw. Gelet hierop is niet gebleken dat het plan in een lager beschermingsniveau voor de aanwezige natuurwaarden voorziet dan het voorheen geldende bestemmingsplan.

Voorts voorziet het voorliggende plan in een beperking tot de in artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels genoemde typen agrarische bedrijven en het in lid 5.6 neergelegde aanlegvergunningstelsel. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze beperkingen tezamen onvoldoende bescherming bieden voor de natuurwaarden ter plaatse van de door de stichting bestreden plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" als bedoeld in overweging 8.1. Het betoog faalt.

13. De stichting betoogt dat de door haar bestreden plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" als bedoeld in overweging 8.1 onvoldoende bescherming bieden in het licht van de aanwijzing van die gronden als Natura 2000-gebied. Het plan maakt uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven mogelijk die leiden tot een toename van de stikstofdepositie. De effecten daarvan zijn niet dan wel onvoldoende meegenomen in de passende beoordeling, aldus de stichting.

13.1. De door de stichting bestreden plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" als bedoeld in overweging 8.1 behoren tot het Natura 2000-gebied 'De Eilandspolder'.

13.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het derde lid, gelezen in samenhang met artikel 19g, mag, indien een passende beoordeling is voorgeschreven, het plan alleen dan worden vastgesteld indien het bestuursorgaan uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.

13.3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2, volgt dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan.

13.4. Vast staat dat het plan ter plaatse van bouwvlakken voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Daarom heeft de raad een milieueffectrapport (hierna: plan-MER) met een passende beoordeling aan het plan ten grondslag gelegd. In het plan-MER zijn geen uitbreidingsmogelijkheden omschreven ter plaatse van de door de stichting bestreden plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" als bedoeld in overweging 8.1. Gelet op het overwogene onder 11.5 en 12.5 is ook niet gebleken dat de door de stichting bestreden plandelen, ten opzichte van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling daarvan, voorzien in een toename van de agrarische gebruiksmogelijkheden. Derhalve bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het plan-MER heeft kunnen baseren. Het betoog dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw faalt.

De twee oostelijke bouwvlakken

14. De stichting betoogt dat ten onrechte bij amendement ten opzichte van het ontwerpplan twee agrarische bouwvlakken aan de oostelijke zijde van het plangebied zijn toegevoegd. Weliswaar waren deze bouwvlakken reeds in 2006 voorzien, maar hier is sindsdien geen gebruik van gemaakt. De stichting acht de voorziene mogelijkheid tot uitbreiding van de bebouwing en gebruiksmogelijkheden onwenselijk. Voorts is niet onderzocht of dit leidt tot significante effecten op het Natura-2000 gebied. Verder heeft het gemeentebestuur zelf, in een memo aan de raad, het amendement ontraden, aldus de stichting.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" in grote mate vergelijkbaar is met de bestemming uit het vorige plan. De nieuwe bestemming biedt juist meer waarborgen doordat in de planregels een regeling is opgenomen om een toename van de ammoniakemissie te voorkomen. Voorts zijn ter plaatse slechts grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan met uitzondering van bollenteelt, glastuinbouw, akkerbouw of tuinbouw. Verder zijn de door de stichting bedoelde bouwvlakken weliswaar niet betrokken bij het plan-MER, maar kunnen significante gevolgen worden uitgesloten gezien het grote aantal bouwvlakken dat wel is meegenomen enerzijds en de regeling voor de ammoniakemissie in de planregels anderzijds.

14.2. Het plan voorziet ter plaatse van de twee oostelijke bouwvlakken in het Natura 2000-gebied 'De Eilandspolder' in de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" en een aanduiding voor een bouwvlak.

14.3. Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Schermer met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.3 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" in de twee oostelijke bouwvlakken voorzien.

14.4. Zoals hiervoor is overwogen volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998 dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiekader. Derhalve kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. 200601747/1, bij de beoordeling van de gevolgen op een Natura 2000-gebied een onder het voorheen geldende plan toegestane, maar niet verwezenlijkte bestemming, niet als uitgangspunt worden genomen.

14.5. Vast staat dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen gebruik was gemaakt van de op 9 mei 2006 voorziene bouwmogelijkheden. Het plan voorziet in zoverre in nieuwe bebouwing ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. Dat in 2006 reeds in de twee bouwvlakken voor agrarische bedrijven was voorzien leidt derhalve niet reeds tot het oordeel dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998 en dat daarvoor geen passende beoordeling nodig is.

14.6. Als gevolg van de voorziene bebouwing neemt het Natura 2000 areaal af. Reeds daarom diende een passende beoordeling te worden gemaakt. Nu dat niet is gebeurd is het plan vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998, voor zover het betreft de twee oostelijke bouwvlakken.

14.7. Het betoog omtrent artikel 4, lid 4.4.6 en lid 4.5.5, en artikel 5, lid 5.4.6 en lid 5.5.5, van de planregels voor zover dat betrekking heeft op de twee oostelijke bouwvlakken behoeft geen bespreking meer.

Conclusie

14.8. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 30 september 2014 is vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 voor zover het betreft de twee oostelijke bouwvlakken. Het beroep van de stichting is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

15. [appellant sub 5] betoogt dat op een deel van zijn percelen in de Eilandspolder ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend in plaats van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur", omdat ten onrechte ervan is uitgegaan dat sprake is van gerealiseerde natuur in het kader van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). Hij heeft voor deze percelen een overeenkomst afgesloten met de provincie voor agrarisch natuurbeheer, aangeduid als SNL-a. Op de percelen voert hij naast de agrarische functie botanisch natuurbeheer uit. Dat de percelen waar sprake is van botanisch beheer, op de bij het Natuurbeheerplan 2015 behorende beheertypenkaart niet de juiste kwalificatie hebben gekregen, wordt zijns inziens bevestigd door de brief van 14 januari 2015 van het college van gedeputeerde staten.

15.1. De raad heeft zich voor de beoordeling van de desbetreffende percelen gebaseerd op de beheertypenkaart. Zoals de raad naar aanleiding van het hiervoor behandelde beroep van de stichting heeft toegelicht, heeft hij bij een agrarisch beheertype op de beheertypenkaart als vermoeden gehanteerd dat feitelijk nog geen sprake is van gerealiseerde natuur als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRV. Andersom heeft de raad in geval van een natuurlijk beheertype als vermoeden gehanteerd dat feitelijk sprake is van gerealiseerde natuur. Verder is op perceelsniveau afgeweken indien op grond van andere gegevens bleek dat het aan de hand van de beheertypenkaart geïnventariseerde vermoeden over het feitelijk gebruik onjuist was. Volgens de raad kon niet voorzien worden dat de beheertypenkaart voor een deel van de percelen van [appellant sub 5] onjuiste informatie bevatte. In dit verband wijst de raad erop dat het college van gedeputeerde staten eerst bij brief van 14 januari 2015 heeft gewezen op onjuistheden in de beheertypenkaart.

15.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRV geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als EHS en als Ecologische Verbindingszone, dat een bestemmingsplan de gronden als "Natuur" bestemt indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd.

15.3. Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 5] voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden besluit in het kader van de totstandkoming van het Natuurbeheerplan 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanduiding van zijn percelen op de bij het Natuurbeheerplan 2015 behorende kaarten. Hoewel de raad mede naar aanleiding van overleg met de provincie zich heeft gebaseerd op de bij het Natuurbeheerplan 2015 behorende beheertypenkaart, moet ervan worden uitgegaan dat de raad ervan op de hoogte was of had kunnen zijn dat er een procedure liep over de vaststelling van het Natuurbeheerplan 2015. Gelet hierop en nu uit artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRV volgt dat de feitelijke situatie bepalend is voor de vraag of de natuurfunctie reeds is gerealiseerd, kon de raad zonder nader onderzoek er niet van uitgaan, dat de beheertypenkaart een juiste weergave van de feitelijke situatie was.

15.4. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van de bestemming "Natuur" voor de percelen van [appellant sub 5] in de Eilandspolder is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 6]

16. [appellant sub 6] woont aan de [locatie 4] te Grootschermer, waar hij een grondgebonden melkveehouderij heeft. De grondgebonden melkveehouderij ligt nabij de intensieve pluimveehouderij van [appellant sub 7] aan de [locatie 5]. [appellant sub 6] betoogt dat het plan daar in een veel te omvangrijke pluimveehouderij voorziet. Hierbij voert hij aan dat de voorziene stallen een capaciteit hebben van 175.000 vleeskippen zonder dat een luchtwasser is voorgeschreven. De omvangrijke emissie van fijnstof, ammoniak en geur brengt negatieve gevolgen met zich voor zijn duurzame grondgebonden melkveehouderij, waaronder gezondheidsproblemen voor zijn vee. Voorts verergert de hinder doordat groenelementen tussen de nieuwe schuur van de pluimveehouderij en zijn perceel zijn weggehaald, de schuur te dichtbij de sloot is gezet en de uitgangen van de ventilatie dichterbij zijn gekomen. Verder acht [appellant sub 6] de emissies onaanvaardbaar gelet op het nabijgelegen Natura-2000-gebied.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in zoverre de reeds vergunde situatie vastlegt.

16.2. Het plan voorziet ter plaatse van de intensieve pluimveehouderij van [appellant sub 7] aan de [locatie 5] in de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" en een bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" aangewezen gronden bestemd voor bestaande intensieve veehouderijen.

16.3. Niet in geschil is dat op 24 april 2012 en 9 juli 2012 omgevingsvergunningen eerste en tweede fase zijn verleend voor de uitbreiding van de pluimveehouderij van [appellant sub 7]. Die vergunningen zijn onherroepelijk. Voorts is ter zitting gebleken dat de in het plan toegestane situering en omvang van de bedrijfsbebouwing, zoals neergelegd in het voorziene bouwvlak, overeenkomt met de op 24 april 2012 en 9 juli 2012 vergunde situering en omvang. Derhalve zijn de aan [appellant sub 7] reeds vergunde rechten als zodanig in het plan neergelegd. Nu het bouwvlak aansluit bij de bestaande, althans vergunde situatie, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de ligging en de omvang van het bouwvlak thans niet meer ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

16.4. Voor zover het betoog betrekking heeft op de wijze waarop de omgevingsvergunningen zijn uitgevoerd, waaronder de locatie van de schuur ten opzichte van de sloot, betreft het een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

16.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

17. [appellant sub 7] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreidingsruimte voor zijn pluimveehouderij aan de [locatie 5] te Grootschermer. [appellant sub 7] wenst een uitbreiding van het bouwvlak tot 2 ha in verband met de maatschappelijke en economische ontwikkelingen die zich in de nabije toekomst zullen voordoen, zoals een lagere bezetting per vierkante meter.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de pluimveehouderij recentelijk reeds is uitgebreid. Voorts acht de raad een verdere uitbreiding van intensieve veehouderijen in beginsel ongewenst. Verder kon de wens tot uitbreiding ook niet in dit plan worden meegenomen in verband met de voor een nieuwe uitbreiding benodigde onderzoeken naar de milieugevolgen.

17.2. Zoals onder 16.3 is overwogen komt de in het plan toegestane omvang van de bedrijfsbebouwing, zoals neergelegd in het voorziene bouwvlak, overeen met de op 24 april 2012 en 9 juli 2012 vergunde uitbreiding van de pluimveehouderij. Door [appellant sub 7] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet bouwplan bestond voor een nieuwe uitbreiding noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet is dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Met dit voornemen hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden. Reeds hierom faalt het betoog. De raad heeft ter zitting nog toegelicht dat hij een terughoudend beleid heeft ten aanzien van de uitbreiding van intensieve veehouderijen in het buitengebied. Mede gelet op de ligging van de pluimveehouderij nabij een Natura-2000-gebied acht de Afdeling dat niet onredelijk.

17.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

18. De agrarische activiteiten van [appellant sub 8] op het perceel [locatie 6] zijn een voortzetting van het voormalige ouderlijk bedrijf, zij het dat de activiteiten in de loop van de jaren zijn gewijzigd. In het kader van de bedrijfsvoering hebben [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] zich ieder toegelegd op bepaalde activiteiten. [appellant sub 8A] oefent een akkerbouwbedrijf uit, terwijl [appellant sub 8B] zich bezighoudt met schapenhandel, het fokken en aanrijden van paarden en zorgboerderij-activiteiten. Voorts bevinden zich op het perceel maar buiten het bouwvlak twee recreatie-units.

19. [appellant sub 8] betoogt dat het agrarisch bouwvlak dient te worden gesplitst met het oog op de wijze van bedrijfsvoering.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het splitsen van het agrarisch bouwvlak in strijd is met de Structuurvisie Kamers en Linten 2040 (hierna: Structuurvisie) om nieuwvestiging van bedrijven toe te staan. Bovendien leidt nieuwvestiging door splitsing van het bouwvlak volgens de raad op termijn tot druk om vergroting van de bouwvlakken vanwege de ontwikkeling tot schaalvergroting in de landbouwsector.

19.2. In de Structuurvisie wordt gewezen op het belang rekening te houden met de ontwikkeling van agrarische bedrijven door schaalvergroting en functieverbreding binnen de randvoorwaarden van het behoud van de openheid van het gebied en het behoud van een rationele verkaveling. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is alleen mogelijk in geval van externe redenen zoals hervestiging.

De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat splitsing van het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 8] zich niet verdraagt met de in de Structuurvisie opgenomen uitgangspunten. In de omstandigheid dat [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] er voor gekozen hebben elk een afzonderlijk bedrijf uit te oefenen op het perceel, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel, dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad van zijn beleid had moeten afwijken. Het betoog faalt.

20. [appellant sub 8] betoogt dat het in verband met de beperkte oppervlakte van het bouwvlak nodig is, dat buiten het bouwvlak een oppervlakte van ongeveer 1.000 m2 kan worden aangewend voor de opslag van akkerbouwproducten, zoals dat onder het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" mogelijk was. Hij wijst erop dat artikel 2.1, lid 4, sub c, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak mogelijk maakte.

20.1. De raad stelt dat artikel 30, lid 30.1, onder b, van de planregels een vergelijkbare regeling bevat voor de opslag van materiaal.

20.2. Ingevolge artikel 30, lid 30.1, onder b, van de planregels wordt onder een gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval begrepen, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald, het opslaan van gerede of ongerede goederen, stoffen, producten en voeropslag, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan, anders dan voor zover dit het gevolg is van of direct samenhangt met het gebruik van een erf, in overeenstemming met de desbetreffende bestemming.

In het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" was aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch waardevol gebied" toegekend.

Ingevolge artikel 2.1, lid 4, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" werd tot een gebruik van de gronden strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 4.1, lid 1, in ieder geval gerekend het opslaan, storten of opbergen van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, tenzij dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de grond of in verband met het gebruik voor agrarische doeleinden.

20.3. Het standpunt van de raad dat de in artikel 30, lid 30.1, onder b, van het plan geboden mogelijkheden voor opslag op het perceel [locatie 6] vergelijkbaar zijn met die onder het vorige bestemmingsplan, acht de Afdeling juist. Nu [appellant sub 8] niet is ingegaan op de in artikel 30, lid 30.1, onder b, van de planregels aangegeven mogelijkheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor opslag. Het betoog faalt.

21. [appellant sub 8] betoogt dat de mogelijkheid voor de activiteit zorgboerderij in het plan beperkter is dan in het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003", omdat de voorwaarde geldt dat sprake is van een nevenactiviteit van een volwaardig agrarisch bedrijf en striktere voorwaarden voor de omvang van deze nevenactiviteit gelden. De voorwaarden acht hij te streng.

21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 4, lid 4.5.1, onder e, van de planregels voldoende mogelijkheden biedt voor zorgactiviteiten op het perceel [locatie 6]. Deze regeling is volgens de raad een voortzetting van hetgeen in het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" was geregeld.

21.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.5.1, onder e, van de planregels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 ten behoeve van zorgboerderijen, en overige vergelijkbare kleinschalige zorgfuncties, inclusief ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen.

Ingevolge lid 4.5.2 moeten de nevenactiviteiten genoemd onder lid 4.5.1 onder meer voldoen aan de volgende voorwaarden:

1. maximaal 650 m² aan bebouwing binnen het bouwvlak mag worden benut ten behoeve van alle nevenactiviteiten gezamenlijk genoemd in lid 4.4 en lid 4.5, met dien verstande dat het bouwvlak voor maximaal 40% mag worden benut;

3. de hoofdfunctie dient agrarisch te blijven;

4. er is sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 2.1, lid 6, onder a.1, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" kon het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor het gebruik als zorgboerderij, mits de agrarische bedrijvigheid de hoofdfunctie blijft.

21.3. De Afdeling stelt voorop dat aan [appellant sub 8] onder het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" geen vrijstelling of omgevingsvergunning is verleend voor een zorgboerderij. De regeling in het vorige bestemmingsplan had bovendien, anders dan [appellant sub 8] veronderstelt, betrekking op een zorgboerderij als nevenactiviteit. De regeling in dit plan is niet anders.

Uit de plantoelichting blijkt dat het perceel [locatie 6] is gelegen in een landbouwkerngebied waar volgens de Structuurvisie zo min mogelijk land aan de agrarische productiefunctie dient te worden onttrokken. Voorts hanteert de raad het uitgangspunt dat nevenactiviteiten ondergeschikt zijn aan de agrarische hoofdfunctie, omdat de agrarische sector in combinatie met behoud van natuur en cultuurhistorie voorop staat.

Het beleid van de raad om de agrarische hoofdfunctie zoveel mogelijk te behouden is niet onredelijk te achten. De regeling in het plan voor de activiteit zorgboerderij is in overeenstemming met dit beleid. In hetgeen [appellant sub 8] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel, dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad van zijn beleid had moeten afwijken. Het betoog faalt.

22. [appellant sub 8] betoogt dat de raad de twee recreatie-units die decennia lang op het perceel [locatie 6] aanwezig zijn als zodanig had moeten bestemmen. Volgens [appellant sub 8] was het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" van toepassing op de recreatie-units. Gelet op jarenlange aanwezigheid van de recreatie-units had de raad deze moeten legaliseren.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 8] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de recreatie-units aanwezig waren voor de peildatum van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003".

Voorts is de raad van mening dat - ook indien de recreatie-units aanwezig waren voor de peildatum van het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan - onvoldoende grond bestond om de buiten het bouwvlak gelegen recreatie-units als zodanig te bestemmen.

22.2. Ingevolge artikel 34, lid 34.1, onder a, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;

Ingevolge lid 34.1, onder c, is het bepaalde onder a niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" mocht een niet met het plan overeenkomend gebouw of bouwwerk, dat op de eerste dag van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan aanwezig was, dan wel in aanbouw was of gebouwd kon worden krachtens een alsnog te verlenen bouwvergunning:

a. voor een gedeelte worden vernieuwd of in beperkte mate worden veranderd mits de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot;

b. met ten hoogste 15% van de oppervlakte, welke het bouwwerk had op de eerste dag van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan worden vergroot, mist de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot.

22.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 8] mede aan de hand van de in beroep overgelegde luchtfoto’s aannemelijk gemaakt dat de recreatie-units in elk geval ruim voor 6 juli 2003, zijnde de peildatum voor de toepassing van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003", aanwezig waren op het perceel [locatie 6]. Niet in geschil is dat de recreatie-units niet zijn vergroot en behoudens isolerende maatregelen nauwelijks zijn veranderd. Voorts is gebleken dat voor de plaatsing van de recreatie-units geen bouwvergunning is verleend.

Het bouwovergangsrecht in artikel 4, lid 4.2, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" maakte voor illegale bouwwerken geen uitzondering, zodat de recreatie-units onder het bouwovergangsrecht van dit bestemmingsplan zijn komen te vallen. Uit artikel 34, lid 34.1, onder a, van de planregels van het bestreden plan volgt dat de recreatie-units voor de tweede keer onder het bouwovergangsrecht zijn gebracht.

Het enkele feit dat de illegaal opgerichte recreatie-units reeds lange tijd aanwezig zijn, brengt niet met zich dat sprake is van verkregen rechten. Het voor tweede keer onder het overgangsrecht brengen van bouwwerken is in beginsel alleen aanvaardbaar als de raad aannemelijk maakt dat de bouwwerken daadwerkelijk binnen de planperiode zullen worden verwijderd. De raad heeft gesteld dat hij handhavend zal gaan optreden, omdat de aanwezigheid van recreatie-units ter plaatse in strijd is met het gemeentelijke en provinciaal beleid, dat strekt tot het behoud van de openheid van het gebied en het uitgangspunt bevat om geen recreatiewoningen buiten het bouwvlak toe te staan. De Afdeling overweegt dat het bouwovergangsrecht niet wegneemt dat de zonder de vereiste bouwvergunning opgerichte recreatie-units illegale bouwwerken zijn, terwijl legalisering van die bouwwerken niet is te verwachten. In hetgeen [appellant sub 8] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervan heeft kunnen afzien om voor de recreatie-units een andere regeling in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

23. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

24. [appellant sub 9] woont aan de [locatie 7] te Zuidschermer en betoogt dat de raad ten onrechte het oostelijke gedeelte van zijn gronden niet heeft voorzien van de bestemming "Tuin". Hierbij voert hij aan dat de toegekende bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" niet passend is nu de gronden gelet op drainageproblemen en de beperkte omvang niet geschikt zijn voor agrarische bedrijvigheid. Ook was hij bij de aankoop van de gronden in 2010 niet op de hoogte van de agrarische bestemming. De taxateur had dat niet gemeld en de gronden waren in het kadaster ingeschreven als "erf - tuin". Verder gaat de openheid met de bestemming "Tuin" niet achteruit. Voorts acht [appellant sub 9] het niet toekennen van de bestemming "Tuin" in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu de raad dit verzoek wel heeft ingewilligd voor het perceel [locatie 8] te Grootschermer.

24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" tevens bedoeld is voor een perceel als het onderhavige, dat niet voor een agrarisch bedrijf in gebruik is maar wel bijdraagt aan het behoud van het open en landelijk karakter van het landschap. Volgens de raad wordt de openheid van het landschap het beste beschermd met een bestemming die aansluit bij het gebruik als weiland of grasland. Verder was bij het perceel [locatie 8] sprake van bijzondere omstandigheden zodat geen strijd bestaat met het gelijkheidsbeginsel, aldus de raad.

24.2. Het plan voorziet voor het westelijke gedeelte van de gronden van [appellant sub 9], kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie A, nummers 254 en 293, in de bestemming "Wonen". Voor het oostelijke gedeelte van zijn gronden, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie A, nummer 325, voorziet het plan in de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een agrarisch grondgebonden bedrijf;

c. grasland of weiland al dan niet in gebruik voor hobbymatige beweiding door dieren;

i. het behoud en/ of herstel dan wel ontwikkeling van de in het bestemmingsgebied voorkomende dan weI eigen cultuurhistorische en landschappelijke waarden;

k. het behoud van de openheid van het landschap;

met de daarbij behorende:

m. voorzieningen zoals (ontsluitings-) wegen, agrarische kavelpaden, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging.

Ingevolge lid 4.6.1 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders buiten het bouwvlak de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met uitzondering van kavelpaden tot een breedte van 4 m;

g. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en opgaande beplanting.

Ingevolge artikel 15 zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen;

b. parkeervoorzieningen.

24.3. Ter zitting is komen vast te staan dat het perceel weliswaar niet door een agrarisch bedrijf in gebruik is, maar wel de uitstraling van een weiland heeft. Gelet op artikel 4, lid 4.1, onder c, i en k, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" aangewezen gronden tevens bestemd voor grasland of weiland al dan niet in gebruik voor hobbymatige beweiding door dieren en het behoud van cultuurhistorische, landschappelijke waarden en de openheid van het landschap. Het betoog dat de gronden niet geschikt zijn voor agrarische bedrijvigheid faalt, nu dat gelet op het vorenstaande geen vereiste is voor het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie".

24.4. Vast staat dat de door [appellant sub 9] gewenste bestemming "Tuin", behoudens een beperkte uitbouw van het hoofdgebouw, niet in nieuwe bebouwing voorziet. Dit neemt echter niet weg dat de bestemming "Tuin" diverse vormen van gebruik toelaat waaronder het aanbrengen van een verharding, bomen en opgaande beplanting. Gelet op het voorwaardelijke verbod hierop uit artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat die bestemming meer bijdraagt aan het behoud van het open en landelijk karakter van het landschap dan de bestemming "Tuin". Het betoog faalt.

24.5. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat hij bij de aankoop van de gronden in 2010 niet op de hoogte was van de agrarische bestemming overweegt de Afdeling dat het op de weg van [appellant sub 9] had gelegen om kennis te nemen van de inhoud van het toenmalige bestemmingsplan. Aan eventuele uitlatingen van een taxateur en het kadastraal bericht kunnen in zoverre geen rechten worden ontleend, nog daargelaten dat in het bericht onder 'Publiekrechtelijke beperkingen' is vermeld dat er geen informatie over gemeentelijke beperkingen van de toenmalige gemeente Schermer kan worden geleverd en dat hiervoor contact met de gemeente dient te worden opgenomen. Het betoog faalt.

24.6. Over de door [appellant sub 9] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 8] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de openheid ter plaatse van het perceel [locatie 8] reeds in 2002 was aangetast. Ter zitting heeft de raad aan de hand van kaartmateriaal aannemelijk gemaakt dat het voorliggende plan, door een strook grond aan de [locatie 8] als "Tuin" te bestemmen, relatief weinig invloed heeft op de openheid, omdat de achtergelegen gronden reeds als tuin waren bestemd en als zodanig werden gebruikt.

In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 9] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Voor zover [appellant sub 9] wijst op het ten aanzien van zijn perceel ingediende amendement, overweegt de Afdeling dat hierin slechts in algemene zin is gesteld dat er vergelijkbare gevallen zijn. Het amendement noemt geen concrete vergelijkbare gevallen. Het betoog faalt.

24.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

25. De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 10] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

25.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 12 maart 2014 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 22 april 2014. [appellant sub 10] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van het college van gedeputeerde staten

26. Ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten het beroep ingetrokken voor zover het betrekking heeft op het binnen de bebouwde kom van Stompetoren gelegen deel van de N243.

27. Het beroep van het college van gedeputeerde staten, voor zover is betoogd dat het plan het niet mogelijk maakt om rotondes op het traject van de N243 aan te leggen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Hierbij is in aanmerking genomen dat, zoals dat ter zitting is gebleken, de aanleg van een rotonde vergt dat op de desbetreffende locatie aan een grotere oppervlakte de bestemming "Verkeer" wordt toegekend. Uit de zienswijze blijkt niet dat het college van gedeputeerde staten de aanleg van rotondes dan wel vergroting van de bestemming "Verkeer" op bepaalde locaties beoogde.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

28. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat een aantal planregels voorziet in ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer verkeersbewegingen op de uitwegen naar de N243. Het college van gedeputeerde staten acht dit ongewenst omdat de huidige verkeerssituatie op de N243 niet voldoet aan de inrichtingseisen voor provinciale wegen op grond van Duurzaam Veilig van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (hierna: SWOV). Het college van gedeputeerde staten verwacht dat de in geding zijnde planregels een toename van het verkeer tot ongeveer 10% tot gevolg kunnen hebben. De beroepsgrond richt zich tegen de hierna weergegeven planregels.

28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de huidige verkeersstructuur in het plangebied geen grote knelpunten oplevert. Omdat de ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt, kunnen leiden tot een toename van het aantal vervoersbewegingen, is waar nodig in de planregels de voorwaarde opgenomen dat geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en dat sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. De ontwikkelingsmogelijkheden zullen volgens de raad niet leiden tot knelpunten op de ontsluitingswegen dan wel verslechtering van de verkeersveiligheid. Daarbij is van belang dat de ontwikkelingsmogelijkheden niet voorzien in functies met een sterke verkeersaantrekkende werking zoals detailhandel. De raad stelt voorts dat het college van gedeputeerde staten geen rekening houdt met de mogelijkheid van afname van het verkeer door vrijkomende agrarische percelen en dat het plan voor nieuwe ontwikkelingen voorziet in de mogelijkheid van beoordeling van het aspect verkeer.

28.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch - Bollenteelt", overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro te wijzigen in de bestemming "Wonen", "Bedrijf", "Recreatie" of "Maatschappelijk", waarbij in ieder geval de volgende voorwaarden gelden:

b. het gehele agrarisch bedrijf ter plaatse moet definitief zijn beëindigd of worden beëindigd;

d. nieuwe niet-agrarische functies mogen alleen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak waarbij het bouwvlak dient te worden verkleind ten opzichte van het agrarische bouwvlak en nieuwe bebouwing niet is toegestaan;

g. er mag geen onevenredig grote verkeersbelasting op de wegen ontstaan.

Ingevolge artikellid 4.7.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie", overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro te wijzigen in de bestemming "Wonen", "Bedrijf", "Recreatie" of "Maatschappelijk", waarbij in ieder geval de volgende voorwaarden gelden:

b. het gehele agrarisch bedrijf ter plaatse moet definitief zijn beëindigd of worden beëindigd;

d. nieuwe niet-agrarische functies mogen alleen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak waarbij het bouwvlak dient te worden verkleind ten opzichte van het agrarische bouwvlak en nieuwe bebouwing niet is toegestaan;

g. er mag geen onevenredig grote verkeersbelasting op de wegen ontstaan.

Ingevolge lid 5.5.2 moeten binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" nevenactiviteiten genoemd in lid 5.5.1, waarvoor met een omgevingsvergunning van de gebruiksregels kan worden afgeweken, voldoen aan de volgende voorwaarden:

3. de hoofdfunctie dient agrarisch te blijven;

7. van de nevenactiviteit mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking uitgaan;

8. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen binnen het bouwvlak.

Ingevolge lid 5.5.4, onder f, kan binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 en kan een plattelandswoning worden toegestaan en mag de plattelandswoning gesplitst worden in meerdere woningen indien voldaan wordt aan de volgende waarden: er is sprake van een stolp, de inhoud per woning bedraagt niet minder dan 225 m³, de oppervlakte per woning bedraagt niet minder dan 100 m²; per woning is maximaal 30 m² aan erfbebouwing toegestaan; aan het bestaande stedenbouwkundige beeld, het oorspronkelijke karakter van de bebouwing en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan.

Ingevolge lid 5.7.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur", overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro te wijzigen in de bestemming "Wonen", "Bedrijf", "Recreatie" of "Maatschappelijk", waarbij in ieder geval de volgende voorwaarden gelden:

b. het gehele agrarisch bedrijf ter plaatse moet definitief zijn beëindigd of worden beëindigd;

d. nieuwe niet-agrarische functies alleen mogen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak waarbij het bouwvlak dient te worden verkleind ten opzichte van het agrarische bouwvlak en nieuwe bebouwing niet is toegestaan;

g. er mag geen onevenredig grote verkeersbelasting op de wegen ontstaan.

Ingevolge lid 6.1 zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven uit categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten algemeen.

Ingevolge lid 6.5.3 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 6.1 om een bed and breakfast toe te staan indien onder meer aan de voorwaarden wordt voldaan, dat er ten hoogste 4 slaapplaatsen voor de bed & breakfast gerealiseerd.

Ingevolge lid 18.3.1 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 18.2.1 ten behoeve van het splitsen van een stolp in meerdere woningen onder de volgende voorwaarden:

a. de inhoud per woning bedraagt niet minder dan 225 m³;

b. de oppervlakte per woning bedraagt niet minder dan 100 m²;

c. per woning is maximaal 30 m² aan erfbebouwing toegestaan;

d. aan het bestaande stedenbouwkundige beeld, het oorspronkelijke karakter van de bebouwing en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan.

Ingevolge lid 18.4.1 zijn binnen de bestemming "Wonen" in een woning aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden:

a. de aan huis verbonden beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogen aan de woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin dat de woonfunctie de primaire functie dient te blijven;

f. de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaken.

Ingevolge lid 18.5.1 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 18.1 om een bed & breakfast toe te staan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. er worden ten hoogste 4 slaapplaatsen voor de bed & breakfast gerealiseerd.

28.3. De wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.7.1, artikel 4, lid 4.7.1, en artikel 5, lid 5.7.1, van de planregels zijn nieuw ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003".

De in lid 5.5.2 bedoelde nevenactiviteiten, uitgezonderd paardenstalling, en de in lid 5.5.4, onder f, voorziene mogelijkheid van splitsing van een plattelandswoning zijn nieuw ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003".

De regeling in artikel 6 van de planregels voor de aanwijzing van toegestane bedrijven komt in grote lijnen overeen met de in artikel 2.8 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" gegeven regeling voor de aanwijzing van toegestane bedrijven voor de bestemming "Bedrijven".

De mogelijkheid in lid 6.5.3 om bij omgevingsvergunning een bed & breakfast toe te staan is nieuw ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003".

De in lid 18.3.1 gegeven regeling voor het splitsen van een stolpwoning bevat nagenoeg dezelfde voorwaarden als de regeling in artikel 2.4, lid 2.4.5, onder a, van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" voor de bestemming "Woonhuizen". Verder voorziet lid 18.4.1 evenals lid 2.4.3 van het vorige bestemmingsplan bij recht in beroepsuitoefening aan huis. De regeling in lid 18.5.1 voor een bed and breakfast is nieuw ten opzichte van het vorige bestemmingsplan.

28.4. De wijzigingsvoorwaarden in de leden 3.7.1, 4.7.1 en 5.7.1 bepalen dat het agrarisch bedrijf wordt beëindigd, het bouwvlak wordt verkleind, geen nieuwe gebouwen worden opgericht en dat geen onevenredig grote verkeersbelasting op de wegen ontstaat. Van de in lid 5.5.2 genoemde nevenactiviteiten mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking uitgaan en beroepen aan huis als bedoeld in lid 18.4.1 mogen geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling.

De planregels voor toegestane bedrijven in artikel 6 en voor de splitsing van de stolp in lid 18.3.1 bevatten geen expliciete regeling ter beperking van het verkeer maar houden nagenoeg dezelfde regeling als in het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" was getroffen.

De afwijkingsbevoegdheden voor de splitsing van stolpwoningen in lid 5.5.4, onder f, voor de nevenactiviteit bed & breakfast in lid 6.5.3 en voor een bed & breakfast in lid 18.5.1 bevatten geen regeling ter beperking van het verkeer. Het plan stelt wel eisen waardoor de mogelijkheden voor splitsing en bed & breakfast beperkt zijn.

28.5. Het college van gedeputeerde staten heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat toename van het verkeer op de N243 ongewenst is, het rapport Verkeerskundige effecten Bestemmingsplan Buitengebied Schermer op de provinciale weg N243 (hierna: rapport verkeerseffecten), gedateerd 15 september 2015 en opgesteld door Royal Haskoning DHV, ingediend. De raad heeft de feitelijke gegevens uit dit rapport niet weersproken. Volgens het rapport verkeerseffecten bedraagt het aantal verkeersbewegingen op het drukste deel van de N243 ongeveer 13.000 tot 15.000 mvt/etmaal. De verkeersintensiteit zal mede vanwege de realisatie van de parallel aan de N243 gelegen Westfrisiaweg naar verwachting in de toekomst ongeveer gelijk blijven. Het huidige verkeersaanbod heeft tot gevolg dat in de spitsuren de hiaten in de verkeersstroom gemiddeld iets kleiner zijn dan gewenst om in of uit te voegen op de N243. Mede hierom voldoet de weg niet aan de door het college van gedeputeerde staten gehanteerde uitgangspunten van de verkeersveiligheidsvisie Duurzaam Veilig van de SWOV.

In het rapport verkeerseffecten is aangegeven dat verbetering van de verkeersveiligheid op de N243 kan worden bewerkstelligd door reconstructie van deze weg. Het college van gedeputeerde staten is al sinds 2004 bezig met afspraken en plannen om te komen tot wijziging van de weginrichting. Dit heeft nog niet geleid tot wezenlijke aanpassing van het wegprofiel van de N243. Het rapport verkeerseffecten vermeldt dat de N243 qua omvang de verkeersstroom redelijk goed kan afwikkelen.

Hoewel het verkeersaanbod op de N243 groter is dan wenselijk is, betekent dat niet dat de raad bij het vaststellen van het plan geen ontwikkelingen kan opnemen waardoor het verkeersaanbod zou kunnen toenemen. Hierbij is van belang dat de wegenverkeerswetgeving primair een kader biedt voor maatregelen ter bevordering van de verkeersveiligheid. In hetgeen het college van gedeputeerde staten heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet nodig is om op voorhand ontwikkelingen waardoor het verkeer op de N243 kan toenemen, uit te sluiten.

29. Ten aanzien van de beoordeling van het aspect verkeer acht de Afdeling de criteria in de wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.7.1, artikel 4, lid 4.7.1 en artikel 5, lid 5.7.1, en de afwijkingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.5.2, voldoende begrensd.

Verder zijn de planregels voor de splitsing van stolpwoningen in artikel 5, lid 5.5.4, onder f, voor toegestane bedrijven in artikel 6, voor de nevenactiviteit bed & breakfast in artikel 6, lid 6.5.3, voor de splitsing van de stolp in artikel 18, lid 18.3.1, en voor een bed & breakfast in lid 18.5.1 voldoende duidelijk en is niet aannemelijk dat deze een duidelijke toename van verkeer ten opzichte van de situatie onder het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" tot gevolg kunnen hebben. De raad heeft zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende waarborgen biedt om een ernstige toename van verkeer op de N243 als gevolg van in het plan voorziene ontwikkelingen tegen te gaan.

Wat betreft de bij recht opgenomen regeling voor beroepen aan huis in artikel 18, lid 18.4.1, van de planregels is de Afdeling echter van oordeel dat het onder f opgenomen criterium ‘geen nadelige invloed op de normale verkeersafwikkeling en geen onevenredige parkeerdruk’ niet geschikt is om zonder nadere objectivering te worden opgenomen in de planregels. De realisering van de bestemming wordt in zoverre afhankelijk gesteld van een nadere afweging die, gelet op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van het plan, reeds bij de rechtstreekse bestemming had moeten worden gemaakt. Dit betoog slaagt.

30. In hetgeen het college van gedeputeerde staten heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 18, lid 18.4.1, van de planregels in strijd is met de rechtszekerheid. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 11]

Perceel [locatie 9]

31. [appellant sub 11] betoogt dat het bouwvlak van het perceel [locatie 9] dient te worden vergroot met een strook grond zuidoostelijk van het bouwvlak. Zijns inziens dient de grens van het bouwvlak ten oosten van de mestplaat ongeveer 20 m in zuidelijke richting te worden verplaatst, waardoor de grens van het bouwvlak vanaf de mestplaat parallel loopt aan de Driehuizerweg. De beoogde vergroting van het bouwvlak dat een oppervlakte van ongeveer 1 ha heeft, ziet op een oppervlakte van ongeveer 1.400 m2. [appellant sub 11] beoogt hiermee te bereiken dat de locatie van de bestaande kampeeractiviteiten buiten het bouwvlak en een rij bomen binnen het bouwvlak worden gesitueerd.

31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat vergroting van het bouwvlak vanwege het belang van het behoud van de openheid van het gebied in beginsel onwenselijk is. Indien het nodig is voor het agrarische bedrijf biedt het plan mogelijkheden om het bouwvlak te vergroten.

31.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een agrarisch grondgebonden bedrijf, niet zijnde bollenteelt of glastuinbouw;

h. ter plaatse van de aanduiding "kampeerboerderij" is tevens een kleinschalig kampeerterrein toegestaan als nevenactiviteit onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 4.5.1 onder i en j.

met de daarbij behorende:

m. voorzieningen zoals (ontsluitings-) wegen, agrarische kavelpaden, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging.

Ingevolge lid 4.5.1 kan met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 ten behoeve van:

i. recreatie-eenheden tot maximaal vijf zelfstandige verblijfsruimtes niet groter dan 35 m² per zelfstandige verblijfsruimte;

j. kleinschalig kampeerterrein onder de volgende voorwaarden:

4. de oppervlakte van het kampeerterrein mag maximaal 5.500 m² bedragen;

5. een kampeerterrein dient binnen het bouwvlak te worden ingericht;

7. bebouwing ten behoeve van het kampeerterrein mag alleen binnen het aangegeven bouwvlak plaatsvinden;

12. minimale afstand tot de bestemming "Wonen" 50 m gemeten vanaf de gronden die in gebruik zijn voor het kampeerterrein.

Ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, onder g, van de planregels is het op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders buiten het bouwvlak van bomen en opgaande beplanting te verwijderen en/of aan te brengen.

Ingevolge artikel 34, lid 34.2, van de planregels luidt overgangsrecht voor gebruik als volgt:

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

31.3. In het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" was aan het perceel Driehuizen 2a de bestemming "Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch waardevol gebied" toegekend.

Ingevolge artikel 2.1.4 van de planvoorschriften werd tot een gebruik van gronden en gebouwen strijdig met de bestemming in ieder geval gerekend:

g. het gebruik als kampeer- of caravanterrein;

i. het hebben van een houtgewas buiten de agrarisch bebouwingsvlakken.

Ingevolge artikel 2.1.6, onder a, sub 9, van de planvoorschriften kon voor het buiten de bebouwingsvakken kamperen in groepsverband vrijstelling worden verleend, mits geen onevenredige schade werd toegebracht aan agrarische belangen.

Ingevolge artikel 2.1.6, onder a, sub 10, kon voor het binnen de bebouwingsvlakken kamperen en het kamperen al dan niet in verenigingsverband in bedrijfsgebouwen vrijstelling worden verleend, mits geen onevenredige schade werd toegebracht aan agrarische belangen.

Ingevolge artikel 4.2, lid 3, onder a, mochten gebouwen en gronden die op de dag van het van kracht worden van het bestemmingsplan op andere wijze in gebruik zijn dan in dit bestemmingsplan is bepaald, onverminderd het bepaalde in enig wettelijk voorschrift, als zodanig in gebruik blijven.

31.4. Ten aanzien van de in het vastgestelde plan opgenomen mogelijkheid voor kampeeractiviteiten buiten het bouwvlak heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 5 november 2014 een reactieve aanwijzing gegeven. De tegen de reactieve aanwijzing ingestelde beroepen van [appellant sub 11] en het college van burgemeester en wethouders worden afzonderlijk behandeld in zaaknr. 201410270/1/R1. In dit geschil staat ter beoordeling de beoogde vergroting van het bouwvlak.

31.5. De door [appellant sub 11] beoogde vergroting van het bouwvlak strekt ertoe dat een rij bomen binnen het bouwvlak valt. De rij bomen ligt in het verlengde van de mestplaat binnen het bouwvlak en vormt een afscheiding tussen het kampeerterrein en de landerijen ten zuiden van het perceel. Naar het oordeel van de Afdeling valt de rij bomen binnen de bestemmingsomschrijving van het bestreden plan. Hierbij is het volgende van belang. De planregels bevatten anders dan het vorige bestemmingsplan geen verbod voor het hebben van een houtgewas buiten de agrarische bebouwingsvlakken. De rij bomen behoort bij het agrarisch grondgebonden bedrijf, waarvan het kampeerterrein binnen het bouwvlak deel uitmaakt, zodat sprake is van een voorziening als bedoeld in artikel 4, lid 4.1, onder m, van de planregels. Dat in dit plan het vereiste van een omgevingsvergunning is gesteld voor verwijderen en/of aanbrengen van opgaande beplanting, neemt niet weg dat de bestaande rij bomen legaal aanwezig is. Derhalve is vergroting van het bouwvlak niet nodig om de rij bomen te legaliseren.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat voor het kamperen buiten het bouwvlak nooit vrijstelling is verleend. Hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor een ander oordeel. Voorts is niet gebleken van gegevens waaruit volgt dat ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" sprake was van het gebruik van de in geding zijnde strook grond als kampeerterrein. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dergelijk gebruik niet valt onder de werking van het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. Het gebruik als kampeerterrein valt derhalve evenmin onder het overgangsrecht van het bestreden plan.

In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel, dat de raad niet in redelijkheid aan het belang van het behoud van de openheid van het gebied een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 11] bij vergroting van het bouwvlak. Het betoog faalt.

Perceel [locatie 10]

32. [appellant sub 11] betoogt dat de raad aan een strook grond met een breedte van ongeveer 8 m, ten westen van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 10] ten onrechte niet ook de bestemming "Wonen" heeft toegekend. De strook grond heeft in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie".

Hij wijst erop dat de op deze strook grond aanwezige oprijlaan en de rij bomen sinds eind 1999 dan wel begin 2000 aanwezig zijn, zodat het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" hierop van toepassing is.

[appellant sub 11] betoogt voorts dat op deze strook een oprijlaan ten behoeve van het perceel [locatie 10] aanwezig is waarmee de bestemming geen rekening houdt.

32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de desbetreffende strook grond in strijd is met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" en dat het overgangsrecht van dit bestemmingsplan hier niet op van toepassing is. De raad heeft er voorts op gewezen dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels kan worden gevraagd.

32.2. De in geding zijnde strook grond heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie".

Ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels is het op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders buiten het bouwvlak:

a. een pad aan te leggen of wegen te verharden met uitzondering van kavelpaden tot een breedte van 4 m;

g. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en opgaande beplanting.

32.3. [appellant sub 11] heeft betoogd dat de rij bomen eind 1999 en begin 2000 is geplant en dat de oprijlaan in die tijd ook in gebruik is genomen. Ter zitting heeft de raad gesteld dat dit aannemelijk is, zodat de Afdeling hiervan uitgaat. Dit betekent dat die bomen en oprijlaan vallen onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" en thans onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestreden plan.

Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in gevallen als dit in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het is evenwel niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de strook grond voor de rij bomen en de oprijlaan binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Voor zover de raad betoogt dat voor de oprijlaan en de bomen een omgevingsvergunning kan worden verleend, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 14 september 2011 inzake nr. 200907629/1/R1, dat het vergunningstelsel binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie" niet ten dienste staat van de bestemming "Wonen", bedoelde en oprijlaan dienstig zijn aan wonen, zodat voor die bomen en oprijlaan geen omgevingsvergunning kan worden verleend.

Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen. Dit betekent niet dat, zoals [appellant sub 11] beoogt, het gebruik van de strook grond voor de rij bomen en de oprijlaan als zodanig had moeten worden bestemd. Immers, gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt doet in beginsel geen rechten of gerechtvaardigde verwachtingen ontstaan dat dat gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd. Het had evenwel op de weg van de raad gelegen om te overwegen of voor het gebruik van de strook grond voor de rij bomen en de oprijlaan een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat in afwijking van het in 4, lid 4.6.1, onder a en g, van de planregels opgenomen verbod het gebruik van de strook grond voor de rij bomen en de oprijlaan is toegestaan, met dien verstande dat na beëindiging van het gebruik, dit gebruik niet langer is toegestaan.

Nu de raad niet in redelijkheid het gebruik van de strook grond voor de rij bomen en de oprijlaan opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of voor dit gebruik in het plan een andere regeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog slaagt.

Conclusie

33. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de strook grond met de rij bomen en de oprijlaan ten westen van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 10], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Opdracht www.ruimtelijkeplannen.nl

34. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

35. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], de stichting, [appellant sub 5] en [appellant sub 11] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college van gedeputeerde staten is niet gebleken van proceskosten die vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van [appellant sub 8], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart niet-ontvankelijk de beroepen van:

- de stichting Stichting Open Polders, voor zover gericht tegen artikel 4, lid 4.4.6 en lid 4.5.5, en artikel 5, lid 5.4.6 en lid 5.5.5, van de planregels, behoudens voor zover het betreft de twee oostelijke bouwvlakken voor de gronden plaatselijk bekend Eilandspolder sectie V nrs. 167 en 370 onderscheidenlijk sectie V, nr. 464;

- [appellant sub 10];

- het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, voor zover er tegen gericht dat een aantal plandelen niet voorziet in de mogelijkheid van de aanleg van een beoogde rotonde;

II. verklaart gegrond de beroepen van:

- [appellant sub 1];

- [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de vennootschap onder firma B&B Boerderij de Fryhof v.o.f;

- [appellant sub 3];

- de stichting Stichting Open Polders;

- [appellant sub 5];.

- het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, voor zover ontvankelijk;

- [appellant sub 11 A] en [appellant sub 11 B];

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schermer, thans gemeente Alkmaar, van 30 september 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2014":

a. voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locatie 1] te Ursem;

b. voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 2] te Grootschermer;

c. voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locaties 3] te Zuidschermer met de bestemming "Bedrijf";

d. voor zover het betreft de twee oostelijke bouwvlakken voor de gronden plaatselijk bekend Eilandspolder sectie V nrs. 167 en 370 onderscheidenlijk sectie V, nr. 464;

e. voor zover het betreft de vaststelling van de bestemming "Natuur" voor de percelen van [appellant sub 5] in de Eilandspolder;

f. artikel 18, lid 18.4.1, van de planregels;

g. voor zover het betreft de strook grond met de rij bomen en de oprijlaan ten westen van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 10];

IV. draagt de raad van de gemeente Alkmaar op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onderdelen genoemd onder III.b, III.f en III.g en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. bepaalt dat:

a. de ter zitting overgelegde uitsnede, zoals opgenomen als kaart 1 bij deze uitspraak, in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locatie 1] te Ursem;

b. dat de ter zitting overgelegde uitsnede, zoals opgenomen als kaart 2 bij deze uitspraak, in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel voor de gronden aan de [locaties 3] te Zuidschermer met de bestemming "Bedrijf";

VI. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder V vermelde in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd;

VII. draagt de raad van de gemeente Alkmaar op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.a, III.c, III.d, III.e en VI. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII. verklaart ongegrond de beroepen van:

a. [appellant sub 6];

b. [appellant sub 7];

c. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B];

d. [appellant sub 9];

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Alkmaar tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 1] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de vennootschap onder firma B&B Boerderij de Fryhof v.o.f tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- [appellant sub 3] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de stichting Stichting Open Polders tot een bedrag van € 1012,64 (zegge: duizendtwaalf euro en vierenzestig cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 5] tot een bedrag van € 1054,64 (zegge: duizendvierenvijftig euro en vierenzestig cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 11 A] en [appellant sub 11 B] tot een bedrag van € 1012,64 (zegge: duizendtwaalf euro en vierenzestig cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

X. gelast dat de raad van de gemeente Alkmaar aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellant sub 1];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de vennootschap onder firma B&B Boerderij de Fryhof v.o.f, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 3];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de stichting Stichting Open Polders;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 5]

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 11 A] en [appellant sub 11 B].

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Hupkes

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2016

191-635.