Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508467/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:4882, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het college aan de maatschap omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een co-/mestvergistingsinstallatie met bijbehorende voorzieningen, het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van de inrichting op het perceel [locatie] te Hantumhuizen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/937
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508467/1/A1.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Hantumhuizen, gemeente Dongeradeel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 oktober 2015 in zaak nr. 14/1675 in het geding tussen:

[appellante] en [verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het college aan de maatschap omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een co-/mestvergistingsinstallatie met bijbehorende voorzieningen, het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van de inrichting op het perceel [locatie] te Hantumhuizen.

Bij tussenuitspraak van 10 november 2014 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het in die tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.

Bij brief van 5 maart 2015 heeft het college een verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Dongeradeel overgelegd.

Bij uitspraak van 19 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] en [verzoeker] tegen het besluit van 12 maart 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 29 april 2016. Partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. De maatschap drijft op het perceel [locatie] een veehouderij met co-/mestvergistingsinstallatie. De bij het besluit van 12 maart 2014 verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op het wijzigen van de co-/mestvergistingsinstallatie. [appellante] woont in de omgeving en vreest een toename van geluid- en geuroverlast als gevolg van deze wijziging.

De rechtbank heeft het besluit van 12 maart 2014 vernietigd wegens strijd met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, omdat de omgevingsvergunning is verleend zonder verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Dongeradeel. Omdat de verklaring van geen bedenkingen naar aanleiding van de tussenuitspraak alsnog is afgegeven en de overige beroepsgronden in de aangevallen uitspraak zijn verworpen, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte alleen het geluid van de co-/mestvergistingsinstallatie heeft beoordeeld en (cumulatie met) het geluid van het veehouderijgedeelte van de inrichting buiten beschouwing heeft gelaten.

2.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Het college heeft zich bij de beoordeling van het geluidaspect gebaseerd op het bij de aanvraag om omgevingsvergunning behorende akoestisch rapport van WNP raadgevende ingenieurs. Daarin is het geluid van de gehele inrichting in beeld gebracht. De bij het besluit van 12 maart 2014 aan de omgevingsvergunning voor de activiteit veranderen van een inrichting verbonden geluidvoorschriften zijn gebaseerd op dit rapport en bevatten grenswaarden voor het geluid van de gehele inrichting.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college met een cumulatieberekening had moeten onderzoeken of de totale geur van de co-/mestvergistingsinstallatie en het veehouderijgedeelte van de inrichting aanvaardbaar kan worden geacht.

[appellante] heeft dit betoog niet met concrete argumenten onderbouwd, zodat het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Michiels w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

462-833.