Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201601582/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en zijn aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601582/1/V2.

Datum uitspraak: 9 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 februari 2016 in zaak nr. 15/12282 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en zijn aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 3 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aanleiding

1. Bij uitspraak van 6 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1567, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, voor zover thans van belang, het eerdere besluit van 19 november 2013 vernietigd omdat de staatssecretaris geen onderzoek heeft laten instellen naar de authenticiteit van het door de vreemdeling overgelegde, op 16 oktober 2013 door het Libische ministerie van Binnenlandse Zaken opgestelde 'bevel tot opsporing en oproep' (hierna: het bevel). De staatssecretaris heeft dat onderzoek inmiddels laten verrichten. In hoger beroep gaat het om de vraag of hij de verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau Documenten) van 14 april 2014 aan het nieuwe besluit van 3 juni 2015 ten grondslag heeft kunnen leggen.

Grief

2. De staatssecretaris klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring van onderzoek van 14 april 2014 aan zijn besluit ten grondslag te leggen zonder Bureau Documenten nader onderzoek te laten verrichten. Hij betoogt dat de contra-expertise van Makano International (hierna: Makano) van 15 mei 2014 hem niet heeft doen twijfelen over de zorgvuldigheid waarmee de verklaring van onderzoek tot stand is gekomen en of die naar inhoud inzichtelijk en concludent is, en de vreemdeling de uitkomst hiervan evenmin met succes heeft bestreden. De vreemdeling heeft immers uitsluitend de eerste fase van de contra-expertise overgelegd, en Makano kan in deze fase niet beoordelen hoe groot de kans is dat familieleden het originele bevel hebben gekregen.

Inhoud van de deskundigenrapporten

2.1. In de door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek van 14 april 2014 staat dat het ten zeerste bevreemdt dat de vreemdeling in het bezit is van een origineel tegen zichzelf gericht bevel. Bureau Documenten heeft daarom geconcludeerd dat het bevel waarschijnlijk niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. In de door Makano in de eerste fase opgestelde contra-expertise van 15 mei 2014 staat, voor zover van belang, dat districtshoofden in Libië vanaf juni 2012, anders dan daarvóór, bevoegd zijn om opsporingsberichten uit te vaardigen, zelf bepalen welke diensten zij daarbij willen inlichten en daarvoor een origineel document gebruiken. Ook staat in de contra-expertise dat Makano op dit moment niet kan zeggen hoe groot de kans is dat een origineel document in handen komt van familieleden, vrienden of kennissen van een gezocht persoon in de wijken onder het district van Znata. Alleen een nader tactisch onderzoek kan daarover duidelijkheid geven. De uitkomst hiervan kan leiden tot een technisch onderzoek van het originele document. Het is niet mogelijk om de authenticiteit van het bevel alleen op basis van een technisch onderzoek vast te stellen. Makano concludeert daarom dat nader onderzoek noodzakelijk is om vast te stellen of het bevel authentiek is.

Beoordeling van de grief

2.2. Zoals volgt uit onder meer de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1768 en 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:258, is een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarvan hij in beginsel mag uitgaan. Indien de staatssecretaris een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb wel van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien dit het geval is, kan de desbetreffende vreemdeling de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.

2.3. Bureau Documenten heeft in de verklaring van onderzoek van 14 april 2014 toegelicht op welke bevindingen de conclusie, dat het bevel waarschijnlijk niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie, is gebaseerd. Makano kan gelet op de contra-expertise van 15 mei 2014 zonder nader onderzoek niet beoordelen hoe groot de kans is dat de vreemdeling in het bezit is gekomen van een origineel tegen zichzelf gericht bevel. Hoewel dit nadere onderzoek gelet op de brief van de vreemdeling aan de staatssecretaris van 30 juni 2014 is opgestart, en de staatssecretaris daarom het nemen van een besluit meerdere malen op verzoek van de vreemdeling heeft uitgesteld, heeft de vreemdeling uiteindelijk geen nadere contra-expertise overgelegd. Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, bestond er voor hem daarom, en gezien de deskundigheid van Bureau Documenten, geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee voormelde verklaring van onderzoek tot stand is gekomen en of die naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Nu Makano geen oordeel heeft gegeven over de authenticiteit van het bevel en de vreemdeling geen nadere contra-expertise heeft overgelegd, voert de staatssecretaris eveneens terecht aan dat de vreemdeling de uitkomst van de verklaring van onderzoek niet met succes heeft bestreden. De rechtbank heeft in de bevindingen van Makano dan ook ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 14 april 2014 zonder nader onderzoek aan zijn besluit ten grondslag te leggen.

De grief slaagt.

Conclusie

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 februari 2016 in zaak nr. 15/12282;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016

802.