Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201509372/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:13834, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, ingewilligd en hem uitstel van vertrek verleend voor de duur van een opname, met ingang van 3 januari 2013 tot uiterlijk 3 juli 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509372/1/V3.

Datum uitspraak: 6 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 november 2015 in zaak nr. 13/23437 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, ingewilligd en hem uitstel van vertrek verleend voor de duur van een opname, met ingang van 3 januari 2013 tot uiterlijk 3 juli 2013.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 november 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling met terugwerkende kracht uitstel van vertrek te verlenen met ingang van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aanleiding

1. De vreemdeling, die de Armeense nationaliteit heeft en wiens aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onherroepelijk is afgewezen, heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft wegens zijn gezondheidstoestand. Partijen zijn het erover eens dat voor de medische klachten van de vreemdeling in Armenië behandeling aanwezig is. Het geschil gaat erover of het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) in het BMA-advies van 23 april 2013 (hierna: het BMA-advies) en de aanvullende nota van 18 juli 2013 voldoende concreet is ingegaan op de door de behandelend psychotherapeut en de psychiater van de vreemdeling (hierna de psychiater; hierna tezamen: de behandelaars) geuite bedenkingen over de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst.

Veilige behandelomgeving en vertrouwensband

2. Bij brief van 6 februari 2013 hebben de behandelaars, voor zover van belang, gesteld dat de vreemdeling vanwege de aard van zijn trauma mensen heel moeilijk kan vertrouwen en dat hij een veilige behandelomgeving nodig heeft. In het land van herkomst of in een buurland zal naar hun overtuiging dit gevoel van veiligheid voor de vreemdeling niet aanwezig zijn ten gevolge van de traumatisering en de daaruit voortkomende psychiatrische problematiek. Derhalve zal behandeling aldaar onvoldoende effectief zijn om een medische noodsituatie te voorkomen. De ervaring van een veilige behandelomgeving door de vreemdeling hangt direct samen met zijn voorgeschiedenis: zijn vader en broer zijn vermoord tijdens etnische conflicten tussen Armenië en Azerbeidzjan, en de daaruit voortkomende psychiatrische klachten. De vreemdeling lijdt zeer onder een schuldgevoel omdat zijn vader en broer zijn vermoord nadat zij naar de autoriteiten zijn gegaan om navraag naar de vreemdeling te doen en deze ontdekten dat zijn vader (een etnisch Armeniër) was getrouwd met een Azeri. De vreemdeling is zeer regelmatig ernstig mishandeld. De door de vreemdeling ervaren klachten passen volgens de behandelaars bij een posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss). Dit maakt dat de vertrouwensband met de hulpverleners precair is en dat een behandelcontact niet zomaar inwisselbaar is. Daarbij komt dat de vreemdeling naar zijn aard introvert/teruggetrokken en zeer verlegen is, hetgeen extra eisen stelt aan de behandelrelatie. Op basis van deze problematiek concluderen de behandelaars dat in het land van herkomst of een buurland het voor behandeling noodzakelijk gevoel van veiligheid niet aanwezig zal zijn en behandeling aldaar als medisch onaanvaardbaar moet worden aangemerkt.

In de brief van 14 maart 2013, die is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van het BMA om medische inlichtingen over de vreemdeling, hebben de behandelaars het bovenstaande herhaald.

2.1. In het BMA-advies, waaraan onder meer de brief van 14 maart 2013 ten grondslag is gelegd, is op de vraag of het uitblijven van behandeling van de psychische klachten zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, het volgende geantwoord. Uitblijven van behandeling zal naar verwachting leiden tot een toename van depressieve gevoelens, gevoelens van wanhoop en uitzichtloosheid en toename van suïcidaliteit. Het valt dan niet uit te sluiten dat de vreemdeling zijn gedachten en plannen omzet in concreet levensbeëindigend handelen.

Het BMA-advies vermeldt als reisvereisten dat de vreemdeling tijdens de reis dient te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige, hij zijn medicatie moet meekrijgen en het gebruik hiervan moet voortzetten, de verpleegkundige de medicatie moet beheren en dat hij direct na de reis fysiek dient te worden overgedragen aan een behandelaar (psychiater).

Voorts is volgens het BMA-advies behandeling, in algemeen medisch-technische zin, voor de medische klachten van de vreemdeling in Armenië aanwezig. In de Avan Yerevan city dispensary te Yerevan is ambulante behandeling mogelijk en (kortdurende) opname direct na aankomst.

Voorts heeft de opsteller van het BMA-advies onder punt 5a van dat advies gereageerd op hetgeen de behandelaars hebben gesteld over de in de brief van 14 maart 2013 gestelde noodzaak van een veilige behandelomgeving en vertrouwensband. Die reactie luidt als volgt:

"Of een geïndiceerde behandeling bij een psychiatrisch patiënt effectief zal zijn hangt niet alleen af van de beschikbaarheid van psychiaters en psychiatrische medicatie. De effectiviteit van een behandeling is afhankelijk van diverse factoren, zoals de aanwezigheid van een steunsysteem bestaande uit familieleden, vrienden en kennissen, voldoende financiële middelen om de behandeling te bekostigen, passende huisvesting, een zinvolle dagbesteding en natuurlijk ook de medewerking van een patiënt zelf. Het totaal van deze omstandigheden is bepalend voor het welslagen van een psychiatrische (traumaverwerkende) behandeling. Een (BMA-)arts kan de medisch-technische beschikbaarheid van de geïndiceerde behandeling van de individuele klachten van betrokkene in het land van herkomst uitzoeken. De (BMA-)arts kan echter omtrent diverse overige factoren geen deugdelijk onderbouwde uitspraak doen, omdat hij zich dient te houden aan de grenzen van zijn deskundigheidsgebied en zijn advies moet steunen op medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden. Dat geldt ook voor eventuele bestaande gevoelens van (on)veiligheid. Een gevoel van (on)veiligheid met betrekking tot de behandelomgeving dient gezien te worden gezien als onderdeel van het totale complex aan omstandigheden die een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de mentale toestand van de patiënt. Gevoelens van (on)veiligheid zijn echter subjectief en medisch gezien niet objectiveerbaar. Het is daarom voor een (BMA-)arts niet mogelijk om een medisch gefundeerde uitspraak te doen ten aanzien van de vraag of betrokkene de behandelomgeving in Armenië als veilig zal ervaren (waar al dan niet eventuele trauma's hebben plaatsgevonden). Evenmin is voor de (BMA-)arts te beoordelen welke invloed dat heeft op het welslagen van de behandeling (effectiviteit van de behandeling), omdat hierbij ook vele andere factoren van betekenis zijn. In het algemeen kan niet als juist worden aanvaard de stelling dat de behandeling van psychische klachten in het land waar de oorzaak van die klachten ligt of wordt vermoed te liggen niet of niet succesvol kan plaatsvinden (zie de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 8 mei 2012, kenmerk C2011.221, LJN:YG1750, te raadplegen via http://tuchtrecht.overheid.nl).

Mede in het licht van het bovenstaande geven de uitlatingen van de behandelaar(s) ten aanzien van het ontbreken van een als veilig ervaren behandelomgeving in Armenië mij geen aanleiding om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Armenië aanwezige behandeling.

In aanvulling op het voorgaande wil ik nog aangeven dat een vertrouwensband tussen patiënt en behandelaar een rol speelt in het slagen van de behandeling doch dat er geen medische argumenten zijn om aan te nemen dat betrokkene een vertrouwensband niet zou kunnen opbouwen met een opvolgend behandelaar.

Voor een nadere uitleg over de reikwijdte van het advies ten aanzien van de behandelmogelijkheden verwijs ik naar het BMA-protocol oktober 2010, p.13-19".

2.2. Bij brief van 27 juni 2013 hebben de behandelaars in reactie op het BMA-advies het volgende, samengevat weergegeven, naar voren gebracht. De vertrouwensband met de vreemdeling is met heel veel moeite opgebouwd. Er zijn maanden overheen gegaan, waarin geduldig, volhardend en met veel toewijding is geïnvesteerd in de contactopbouw. De vreemdeling vertrouwde aanvankelijk niemand, was zeer gesloten en achterdochtig. Rond de suïcidaliteit wordt de persoonlijke vertrouwensband die nu is opgebouwd met de vreemdeling actief ingezet als middel om te trachten suïcide te voorkomen. De behandelaars betwijfelen ten zeerste of de vreemdeling in Armenië een zodanige vertrouwensband kan opbouwen dat hij zich niet van het leven berooft. Tevens zijn zij bang voor de consequenties van het verbreken van de band met zijn huidige behandelaars. Zij vrezen in dat geval voor zijn leven. Het vertrouwen hebben en het zich veilig voelen is noodzakelijk voor een daadwerkelijke traumaverwerking. De band met de hulpverlener is in het geval van de vreemdeling naar de mening van de behandelaars zeer waarschijnlijk niet inwisselbaar met een andere hulpverlener en zeer waarschijnlijk niet met een hulpverlener uit zijn land van herkomst. Er is in Armenië sprake van een door de vreemdeling als extreem onveilig ervaren leefmilieu dat, gezien de ter plaatse ervaren gebeurtenissen, symptomen van de stoornis zal oproepen.

2.3. In de aanvullende nota van 18 juli 2013 heeft het BMA, voor zover van belang, aangegeven dat de brief van 27 juni 2013 ten aanzien van het aspect van de (veilige) behandelomgeving en de vertrouwensband niet leidt tot nieuwe gezichtspunten.

3. In de eerste en tweede grief, in onderlinge samenhang bezien, betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, gelet op de door de behandelaars van de vreemdeling verstrekte informatie, niet heeft kunnen volstaan met het verwijzen naar de in het BMA-advies en de aanvullende nota van 18 juli 2013 getrokken conclusie dat de uitlatingen van de behandelaars geen aanleiding vormen om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Armenië aanwezige behandeling. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat in de brief van de behandelaars van 6 februari 2013 is volstaan met een algemene verwijzing naar de voorgeschiedenis van de vreemdeling. De behandelaars zijn er volgens de staatssecretaris niet in geslaagd om het door de vreemdeling getoonde verstoorde gedrag vanwege de (gestelde) traumatisering en psychiatrische problematiek, nauwgezet te relateren aan een welomschreven gebeurtenis in het land van herkomst. Evenmin hebben de behandelaars concreet gemotiveerd waarom behandeling daardoor niet effectief kan zijn, en waarom enkel en alleen in een veilige behandelomgeving het verstoorde gedrag kan worden verholpen. Het BMA heeft derhalve kunnen volstaan met de in het BMA-advies opgenomen reactie. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is sprake van een op het individu toegespitste conclusie van het BMA, nu nadrukkelijk wordt verwezen naar hetgeen de behandelaars hieromtrent hebben aangevoerd.

Voorts betoogt de staatssecretaris dat het BMA in de advisering afdoende is ingegaan op de uitlatingen van de behandelaars over de moeite die de vreemdeling zal hebben om in het land van herkomst een vertrouwensband op te bouwen. Dergelijke veronderstellingen berusten immers louter op speculatie en het BMA heeft terecht aangegeven dat geen medische argumenten aanwezig zijn waaruit volgt dat een vertrouwensband niet kan worden opgebouwd met een opvolgende behandelaar. Dat het ontwikkelen van een band met een nieuwe behandelaar tijd vergt, maakt dat niet anders. Ook in een periode van gewenning, hoeft de vreemdeling niet verstoken te zijn van medische hulp, nu de benodigde behandelmogelijkheden aanwezig zijn en voor de vreemdeling passende reisvoorwaarden zijn gesteld.

Tot slot betoogt de staatssecretaris dat de behandelaars zijn afgegaan op de verklaringen van de vreemdeling over gebeurtenissen, die in de asielprocedure ongeloofwaardig zijn bevonden, en dat zij mede daarop hun medisch oordeel, waaronder de noodzaak van een veilige behandelomgeving en de vertrouwensband, hebben gebaseerd. De uitkomst van de asielprocedure is in rechte vast komen te staan.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies, waaronder begrepen eventueel nadien uitgebrachte aanvullende adviezen, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien een vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Bij uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU9578 heeft de Afdeling overwogen dat uit de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (hierna: het CTG) volgt (onder meer de beslissing van 27 april 2010, ECLI:NL:TZGCTG:2010:YG0250, en de beslissing van 15 maart 2011, ECLI:NL:TZGCTG:2011:YG1004) dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de staatssecretaris over de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waarover het BMA kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

3.2. Gezien de hiervoor onder 3.1 genoemde beslissingen van het CTG, die de Afdeling in dit kader als uitgangspunt neemt, heeft de BMA-arts kunnen volstaan met de opmerking dat een gevoel van (on)veiligheid subjectief is en medisch gezien niet objectiveerbaar, dat het voor een BMA-arts niet mogelijk is om een medische gefundeerde uitspraak te doen over de vraag of een vreemdeling de behandelomgeving in Armenië als veilig zal ervaren en dat een vertrouwensband tussen patiënt en behandelaar een rol speelt in het slagen van de behandeling, maar dat er geen medische argumenten zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een vertrouwensband niet zou kunnen opbouwen met een opvolgend behandelaar. De behandelaars hebben hun conclusie dat de vreemdeling de omgeving in Armenië als onveilig ervaart en deze daarom voor hem niet als behandelomgeving kan worden ingezet, niet nader toegespitst op het specifieke ziektebeeld van de vreemdeling en het, in verband met de wijze waarop zijn klachten zijn ontstaan, te verwachten verloop van een voort te zetten behandeling in Armenië. Zo hebben de behandelaars niet geconcretiseerd waarom behandeling in heel Armenië niet mogelijk zou zijn en op welke wijze de, overigens door de staatssecretaris ongeloofwaardig geachte, gebeurtenissen in de weg staan aan een effectieve voortzetting van de behandeling aldaar. Voorts is de aard van de toekomstige vertrouwensband met behandelaars in het land van herkomst niet te voorspellen, en zijn, er gezien het BMA-advies, geen medische argumenten aanwezig waaruit volgt dat een vertrouwensband met een opvolgende behandelaar niet kan worden opgebouwd. Ook uit de reactie van de behandelaars op dat advies blijkt niet dat daarvoor medische gronden zijn aan te wijzen. Wat betreft de vrees van de behandelaars dat de vreemdeling zal overgaan tot zelfdoding indien de band met hen zal worden verbroken, heeft de staatssecretaris terecht gewezen op de in het BMA-advies gestelde reisvereisten.

De grieven slagen.

Medicatie

4. In de derde grief betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de brief van de behandelaars van 8 augustus 2013 ten onrechte niet aan het BMA heeft voorgelegd, nu daarin is gesteld dat de door het BMA als alternatief voorgestelde medicatie voor de vreemdeling niet adequaat is. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat in deze brief door de psychiater enkel wordt aangegeven dat op een bepaald moment wederom is gekozen voor het gebruik van het medicijn Mirtazapine. De conclusie van het BMA in de aanvullende nota van 18 juli 2013, dat een ruime hoeveelheid werkzame antidepressiva in Armenië aanwezig is en dat daaruit een keuze te maken zou moeten zijn, wordt niet weerlegd. Tevens wijst de staatssecretaris erop dat uit de beslissing van het CTG van 27 januari 2015, ECLI:NL:TZGCTG:2015:14 blijkt dat het BMA in het geval dat in het land van herkomst wel alternatieve medicatie beschikbaar is, niet behoort te onderzoeken en zeker te stellen bij de behandelaar(s) dat die alternatieve medicatie daadwerkelijk effectief zal zijn voor de behandeling van de aanvrager. Dit kan anders zijn indien uit het dossier blijkt van medische contra-indicaties - zoals de medische voorgeschiedenis van de aanvrager - die een aanwijzing vormen dat de alternatieve medicatie niet of onvoldoende effectief zal zijn. Daarvan is hier geen sprake, aldus de staatssecretaris.

4.1. In het BMA-advies is vermeld dat het medicijn Mirtazapine in Armenië niet beschikbaar is, maar de alternatieve antidepressieve middelen Sertraline en Paroxetine wel.

In de brief van 27 juni 2013 hebben de behandelaars aangegeven dat de vreemdeling Mirtazapine gebruikt en dat dit middel niet zonder meer te vervangen is door Sertraline en Paroxetine. Na veel proberen is de behandelend psychiater uitgekomen op Mirtazapine. Een gewone SSRI (Serotonineheropnameremmer) verdroeg de vreemdeling niet, omdat hij daarvan heftige bijwerkingen (hoofdpijn en benauwdheid) kreeg. Bovendien heeft Mirtazapine niet alleen een antidepressief effect maar ook een gunstig effect op nachtmerries.

In de aanvullende nota van 18 juli 2013 heeft het BMA erop gewezen dat uit de brief van 27 juni 2013 niet valt af te leiden dat de in het BMA-advies genoemde medicijnen niet bij de vreemdeling werken of niet worden verdragen. Bovendien blijkt uit het bij de nota gevoegde brondocument AM-2608-2012 dat naast de in het BMA-advies genoemde medicijnen nog een ruime hoeveelheid andere antidepressiva aanwezig is. Daaruit moet een keuze te maken zijn. De behandelaars hebben niet helder gemaakt dat Mirtazapine het enige werkzame middel is. Volgens het BMA is er geen wetenschappelijk bewijs dat Mirtazapine tegen nachtmerries werkt. Nachtmerries worden echter in de bijsluiter wel genoemd als mogelijke bijwerking van Mirtazapine. Nachtmerries zijn doorgaans een lastig te behandelen klacht van ptss. Veel behandelaars schrijven daarvoor Topiramaat voor. Dit middel is blijkens voormeld brondocument in Armenië beschikbaar, aldus het BMA.

In de brief van 8 augustus 2013 heeft de psychiater aangegeven dat de vreemdeling lijdt aan heftige hoofdpijnen en aan ernstige slapeloosheid en nachtmerries. Fluoxetine hielp onvoldoende tegen de slapeloosheid en hoofdpijn is een bekende bijwerking van dit medicijn. Bovendien bleef het antidepressief effect uit. Mirtazapine is de tweede keus tegen arousalsymptomen met slapeloosheid en bij depressie. Bovendien is de klinische ervaring van de psychiater dat het medicijn ook werkt tegen nachtmerries. Mirtazapine is een antidepressivum. De vreemdeling verdroeg en verdraagt Mirtazapine goed. Volgens de psychiater is er geringe wetenschappelijke evidentie voor het positief effect van het door het BMA genoemde Topiramaat op nachtmerries. De klinische ervaring is dat het effect tegenvalt. Bovendien is de belangrijkste bijwerking hoofdpijn. Voorts geeft de psychiater aan huiverig te zijn om een alpha-blocker voor te schrijven, omdat hoofdpijn ook daarvan een belangrijke bijwerking is. Het wordt niet opportuun geacht om met dit middel te experimenteren, terwijl er een duidelijke stressor is.

4.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat de behandelaars in de brief van 27 juni 2013 niet hebben toegelicht dat de door de vreemdeling gebruikte medicatie in zijn geval niet door de in het BMA-advies genoemde alternatieve middelen, Sertraline en Paroxetine, kunnen worden vervangen. Ook in de brief van 8 augustus 2013 is geen medische contra-indicatie gegeven voor het gebruik van genoemde alternatieve medicatie. Evenmin is in die brief vermeld en toegelicht dat er medische contra-indicaties bestaan voor toediening van een van de andere blijkens het in 4.1 genoemde brondocument in Armenië beschikbare antidepressiva. Daarbij is voorts van belang dat in die brief is vermeld dat er geen specifiek geneesmiddel voor een ptss bestaat. De staatssecretaris mocht op grond van het BMA-advies en de aanvullende nota van 18 juli 2013 er vanuit gaan dat de alternatieve medicatie daadwerkelijk effectief zal zijn voor de behandeling van de vreemdeling. De staatssecretaris heeft in de brief van 8 augustus 2013 derhalve geen aanleiding hoeven zien voor het indienen van een nieuwe adviesaanvraag bij het BMA.

De grief slaagt.

Conclusie

5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het BMA-advies en de aanvullende nota van 18 juli 2013 niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen dan wel niet inzichtelijk en concludent zijn, zodat de staatssecretaris door dit BMA-advies en de aanvullende nota aan zijn besluit van 5 september 2013 ten grondslag te leggen, niet in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene en nu geen andere beroepsgronden zijn voorgedragen, het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van 5 september 2013 alsnog ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 november 2015 in zaak nr. 13/23437;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2016

53.