Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201506871/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2015, kenmerk 15-56, heeft de raad het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506871/1/R1.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Barneveld,

en

1. de raad van de gemeente Barneveld,

2. het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2015, kenmerk 15-56, heeft de raad het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" vastgesteld.

Bij besluit van 15 juli 2015, kenmerk 2015W0615, heeft het college aan de gemeente Barneveld een omgevingsvergunning verleend voor het vellen of doen vellen van een aantal bomen, langs het spoor ter hoogte van Hertespoor/Wildforster in Barneveld, kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie C, nummer 8578.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen deze gecoördineerde besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De raad en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2016, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant], [9 andere appellanten], bijgestaan door mr. T.P. Grünbauer, advocaat te Ede, de raad en het college, beiden vertegenwoordigd door ing. P.A. van Nieuwenhuizen, drs. A.M. van Bommel-Van de Vendel en J.H.R. Both, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het geding

1. De raad en het college hebben het plan vastgesteld onderscheidenlijk de omgevingsvergunning verleend om in Barneveld een fietspad te kunnen aanleggen. Het fietspad is voorzien op een strook grond tussen de woonstraten Hertespoor en Wildforster en de spoorlijn Barneveld-Ede. De raad en het college beogen hiermee de wijk Veller beter te verbinden met de centrumvoorzieningen in het dorp en bij te dragen aan het gemeentelijke doel om het fietsen in Barneveld te stimuleren. Het fietspad gaat daarnaast deel uitmaken van de regionale snelfietsroute die de belangrijkste bestemmingen in de zone Barneveld-Harselaar-Voorthuizen zal verbinden.

[appellant] en anderen kunnen zich niet met de twee besluiten verenigen. Zij wonen allen in de directe nabijheid van het tracé van het beoogde fietspad. Zij vrezen dat het fietspad een aantasting van hun woongenot meebrengt, onder meer vanwege een toename aan geluidhinder, aantasting van hun privacy en een afname van de sociale veiligheid. Zij vinden het beoogde fietspad te omvangrijk voor de beschikbare ruimte, terwijl de gevolgen ervan juist worden verergerd omdat een bestaande groenstrook gedeeltelijk verdwijnt. Volgens [appellant] en anderen zijn de belangen onvoldoende afgewogen, terwijl daarentegen nut en noodzaak van het fietspad niet vaststaan en de alternatieven onvoldoende zijn onderzocht.

Het plan

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Nut en noodzaak

3. [appellant] en anderen betogen dat het nut en de noodzaak van het fietspad niet daadwerkelijk zijn onderzocht. In dit verband achten zij de verwijzing van de raad naar het gemeentelijke beleid en de eerder gemaakte bestuurlijke keuzes onterecht omdat zij daartegen geen rechtsmiddelen hebben kunnen aanwenden. Volgens hen is bovendien onduidelijk welk probleem de raad met de realisatie van het fietspad tracht op te lossen en wie de voorstanders van het fietspad zijn.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat tussen het centrum van Barneveld en de wijk Veller en de school De Meerwaarde een fietspad dient te worden aangelegd. Op dit moment maken volgens de raad enkele honderden fietsers dagelijks gebruik van de woonerven van Hertespoor en Wildforster om zich tussen het centrum van Barneveld en de wijk Veller te verplaatsen. Om de verkeersveiligheid en leefbaarheid in de wijk te verhogen acht de raad een vrijliggend fietspad gewenst. De raad stelt dat de kaders voor de in het plan voorziene fietsroute in verschillende beleidsstukken - te weten: het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan van 19 januari 2010 (hierna: GVVP), de gemeentelijke Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 van 22 november 2011 (hierna: Structuurvisie) en de notitie ‘Snelfietsroute Barneveld-Voorthuizen’ van 16 december 2014 (hierna: notitie Snelfietsroute) - zijn neergelegd. Met een herkenbare fietsverbinding wordt het fietsgebruik volgens de raad verder gestimuleerd, omdat deze meer fietsers zal aantrekken.

3.2. Zowel uit het GVVP als uit de Structuurvisie volgt dat het gemeentebestuur wenst in te zetten op het verbeteren van het fietsnetwerk door het realiseren van snelle verbindingen tussen woon- en werkgebieden in de gemeente Barneveld en veilige fietsroutes tussen de wijken. Barneveld is blijkens genoemd beleid een gemeente waarbij de meeste inwoners en voorzieningen zich binnen een acceptabele fietsafstand van elkaar bevinden. Ook gelet op de realisatie van nieuwe wijken in Barneveld en Voorthuizen is er aandacht voor fietsers. Uit de kaart behorende bij de Structuurvisie volgt dat de strook grond van het tracé is aangeduid als ‘snelfietsverbinding’. Deze snelfietsroute maakt gebruik van bestaande paden en nieuwe verbindingen en verbindt de belangrijkste bestemmingen in de stedelijke zone Barneveld - Harselaar - Voorthuizen: de centra, werkgebieden en stations. De snelfietsroute krijgt kortsluitingen naar belangrijke bestemmingen buiten de as, zoals bijvoorbeeld het Johannes Fontanus College en De Meerwaarde. Ingezet wordt op een vrijliggend langzaam verkeerssysteem los van de autoroutes, zo volgt uit het GVVP en de Structuurvisie.

In de notitie Snelfietsroute is vervolgens de basis voor de verdere uitwerking en realisatie van de fietsroute in de periode 2014-2020 neergelegd. Met de snelfietsroute wordt beoogd het fietsgebruik te stimuleren en worden de belangrijkste bestemmingen in de stedelijke zone Voorthuizen- Harselaar-Barneveld, de centra, de werkgebieden en de stations, met elkaar verbonden. Uit de notitie Snelfietsroute volgt dat het gebruik van de fiets duurzamer is vergeleken met het gebruik van de auto gelet op de uitstoot van schadelijke (uitlaat)gassen. Daarnaast bevordert het gebruik van de fiets de gezondheid. Verder staat in de notitie Snelfietsroute vermeld dat uit onderzoek blijkt dat in het algemeen geldt dat 61% van de werknemers op een afstand van 0-15 km van het werk woont, terwijl slechts 24% van de fiets gebruik maakt. Blijkens de notitie is er geen reden om aan te nemen dat dit in Barneveld anders is en dat er daarom een groot potentieel is ten aanzien van het fietsgebruik. De realisatie van een snelfietsroute is voorts passend bij een ontwikkeling als de E-bike. Verder volgt uit de notitie Snelfietsroute dat de provincie Gelderland en de gemeente Ede beiden plannen hebben om de snelfietsroute te verlengen naar Putten, onderscheidenlijk Ede.

3.3. De enkele omstandigheid dat [appellant] en anderen tegen het voornoemde beleid geen rechtsmiddelen hebben kunnen aanwenden, maakt niet dat de raad zich bij de vaststelling van het plan daarop niet mocht baseren. Bij de toepassing van het beleid in dit concrete geval waarbij een bestemmingsplan is vastgesteld, staat immers rechtsbescherming open waarbij nut en noodzaak kunnen worden aangevochten. De Afdeling acht het beleid om door middel van een fijnmazig fietsnetwerk veilige fietsroutes tussen de wijken te realiseren, niet onredelijk. Voorts heeft de raad mogen aannemen dat met de aanleg van het fietspad de leefbaarheid in de wijken is gediend omdat - zoals de raad ter zitting heeft toegelicht - het fietsverkeer, waaronder veel scholieren van de school De Meerwaarde, dan niet meer door de wijk gaat. Of al dan niet voldoende draagvlak voor het plan bij de omwonenden bestaat, is in dit verband niet doorslaggevend. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan voor het fietspad niet in het beleid past of dat aan het fietspad geen behoefte zou bestaan. De raad heeft daarbij mogen betrekken dat, zoals hij ter zitting heeft benadrukt, op termijn een herkenbare route kan ontstaan voor de snelfietsroute zoals in het beleid is neergelegd.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad het nut en de noodzaak van de aanleg van het fietspad voldoende aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.

Alternatieve routes

4. [appellant] en anderen achten onvoldoende onderbouwd waarom de raad de door hen voorgestelde alternatieve route over de Valkseweg ongeschikt acht. Zij zien niet in waarom de route over de Valkseweg wat de verkeersveiligheid betreft een eigen problematiek heeft en geen logische of aantrekkelijke route voor het fietsverkeer zou zijn. Ter zitting hebben zij voorts gewezen op een alternatieve route door de wijk via de verschillende woonerven.

4.1. De raad stelt dat uit het gemeentelijke beleid volgt dat de ruimte voor de snelfietsroute aan de westzijde van de spoorlijn Barneveld-Ede wordt gezocht. Beoogd is om de wijk Veller en het centrum met elkaar te verbinden. Aangezien fietsers doorgaans de kortste weg kiezen, ligt het door [appellant] en anderen voorgestelde alternatief via de Valkseweg volgens de raad niet in de rede.

4.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De Afdeling overweegt dat in de Structuurvisie een keuze is gemaakt voor het tracé van de snelfietsverbinding. Uit de Structuurvisie volgt dat de snelfietsverbinding grote delen van Barneveld in een rechte lijn moet verbinden met het bedrijventerrein Harselaar en met het station Barneveld Noord. Voorts is, zoals de raad stelt, met dit fietspad beoogd om de wijk Veller met het centrum van Barneveld te verbinden. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk dat een verder naar het oosten gelegen route via de Valkseweg voor fietsers minder aantrekkelijk zal zijn omdat die route langer is. In dit verband heeft de raad belang mogen hechten aan de omstandigheid dat nu al scholieren via de woonerven van Hertespoor en Wildforster naar de school De Meerwaarde fietsen, die aan de oostzijde van het spoor ligt, in plaats van over de Valkseweg. Wat betreft het door [appellant] en anderen voorgestelde alternatief via de woonerven in de wijk heeft de raad van belang mogen achten dat het wenselijk is om het doorgaande fietsverkeer zoveel mogelijk uit de wijken te weren. Voorts heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat een vrijliggende fietsroute zoals in het plan is beoogd, veiliger is voor fietsers dan de routes via de Valkseweg of over de woonerven.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad afdoende gemotiveerd waarom niet is gekozen voor de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieve routes. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

5. [appellant] en anderen kunnen zich voorts niet verenigen met de beoogde breedte van het fietspad van 3 m. Zij stellen dat dit te smal is, terwijl de raad ongemotiveerd afwijkt van de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW) voor een tweerichtingenfietspad met een spitsintensiteit van meer dan 150 personen/spitsuur.

5.1. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het beoogde fietspad volgens de richtlijnen van het CROW een minimale breedte van 4,5 m zou moeten hebben. De raad voert aan dat in dit geval van de normen van het CROW kon worden afgeweken. Volgens hem betreffen de richtlijnen van het CROW richtlijnen voor uniformiteit in fietsroutes. Omdat het fietspad binnen bestaand bebouwd gebied wordt gerealiseerd, is volgens de raad onvoldoende ruimte beschikbaar om het fietspad breder te maken dan 3 m.

5.2. Ter plaatse van de beoogde locatie van het fietspad, is in de verbeelding bij het plan de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de regels, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen waarbij geldt dat wegen uit maximaal 2 rijstroken (2x1) dienen te bestaan, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten;

b. voet- en rijwielpaden;

c. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;

d. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

e. bermen;

met de daarbij behorende:

f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.3. In de plantoelichting staan de uitgangspunten voor de realisatie van de snelfietsroute opgenomen. Voorgesteld wordt dat ten aanzien van de uitvoeringsvorm de (fiets)veiligheid de hoogste prioriteit heeft, dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de bestaande voorzieningen, dat zoveel mogelijk een eenheid in kenmerken, zoals breedte en verharding, wordt nagestreefd, en waar het gewenste niveau niet uitvoerbaar is, gemotiveerd kan worden afgeweken. Voorts volgt uit de plantoelichting dat de breedte van het fietspad minimaal 3 m is, waarbij er 3,5 m vrije ruimte moet zijn. Op de bijbehorende inrichtingstekening heeft het fietspad een breedte van 3 m.

5.4. Ten aanzien van de genoemde breedte van 4,5 m heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit een CROW-richtlijn betreft voor toekomstige, drukkere fietspaden dan in dit geval aan de orde. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de CROW voor een fietspad als hier beoogd een minimale breedte van 4,0 m adviseert. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist. Bevestiging voor dit standpunt wordt voorts gevonden in CROW-publicatie 230 "Ontwerpwijzer fietsverkeer" uit 2006 en het "Inspiratieboek snelle fietsroutes" waarin voor een tweerichtingenfietspad met een spitsintensiteit van meer dan 150 personen/spitsuur een minimale breedte van 4,0 m wordt geadviseerd.

5.5 Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende weten te motiveren waarom in dit geval in redelijkheid van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte kon worden afgeweken en kon worden volstaan met een fietspad met een breedte van 3,0 m. Het standpunt van de raad wordt aldus begrepen dat er feitelijk onvoldoende ruimte is om aan de richtlijn voor een breedte van 4,0 m te voldoen. De raad meent dat ter plaatse met een fietspad van 3 m breedte kan worden volstaan. De raad gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat de betrokken CROW-richtlijnen niet (slechts) betrekking hebben op uniformiteit in fietsroutes. Deze richtlijnen dienen eveneens de fietsverkeersveiligheid en het voorkomen van hinder op het fietspad. Niet is gebleken hoe de raad die aspecten heeft meegewogen in zijn motivering om van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte af te wijken. De Afdeling betrekt hierbij dat het fietspad gebruikt zal worden voor woon- en werkverkeer en door aanzienlijke aantallen scholieren en dat het op termijn de bedoeling is om het fietspad onderdeel te laten uitmaken van een snelfietsroute.

Het betoog slaagt.

6. [appellant] en anderen betogen dat de inpassing van het fietspad in de overige infrastructuur zal leiden tot verkeerskundige gevaren, terwijl de situatie thans reeds onveilig is. Daarnaast is het fietspad volgens hen bereikbaar gemaakt voor hulpdiensten en brengt dat met zich dat ook ander autoverkeer (al dan niet per ongeluk) over het fietspad zal rijden.

6.1. De raad stelt dat het fietspad voldoet aan de normen voor bereikbaarheid voor hulpdiensten. Voorts stelt de raad dat het fietspad niet voor gemotoriseerd verkeer wordt aangelegd. Door middel van het verkeersbord type G11 wordt het gemotoriseerd verkeer verboden van het fietspad gebruik te maken, zo voert de raad aan.

6.2. In de plantoelichting staat dat het gemeentebestuur van Barneveld voor de bereikbaarheid hoofd- en subaanrijdroutes heeft vastgesteld. Voorts wordt bij de aanleg van het fietspad rekening gehouden met de door de brandweer aangegeven maatvoering voor voertuigen van hulpdiensten voor calamiteiten. Bij de inrichting van het fietspad is er daarom rekening mee gehouden dat de breedte van het fietspad minimaal 3 m bedraagt, er 3,5 m vrije ruimte is en er voertuigen met een hoogte van 4,2 m over kunnen rijden. Voorts volgt uit de plantoelichting dat het fietspad alleen toegankelijk zal zijn voor fietsers en niet voor gemotoriseerd verkeer en/of bromfietsers.

De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen hun betoog dat de inpassing van het fietspad in de overige infrastructuur zal leiden tot verkeerskundige gevaren niet nader hebben onderbouwd. Reeds hierom kan deze grond niet slagen. Het standpunt van [appellant] dat autoverkeer het fietspad zal gaan gebruiken, hoefde de raad voorts niet aannemelijk te achten. Het plaatsen van verkeersbord G11, als opgenomen in bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, verbiedt het gemotoriseerd verkeer immers van het fietspad gebruik te maken.

Het betoog faalt.

Geluid en fijnstof

7. [appellant] en anderen betogen dat het plan hun leef- en woongenot zal aantasten omdat zij in hun directe omgeving groen zullen verliezen. Aan de Wildforster, maar ook elders in het plangebied, filteren de aanwezige bomen het geluid, fijnstof en kwartsstof dat door het betonbedrijf Vink Holding B.V., gelegen ten oosten van het plangebied, wordt geproduceerd. Hoewel zij erkennen dat het groen als zodanig geen geluid tegenhoudt, zijn zij wel van mening dat het groen het industriegeluid ‘overstemt’. Ook vrezen zij voor de cumulatie van reeds bestaande geluidbelasting door het spoor, de achterliggende industrie en het fietspad tezamen. Het verbieden van snorfietsers en motorfietsers op het fietspad om geluidoverlast te voorkomen achten [appellant] en anderen niet goed handhaafbaar.

7.1. De raad stelt dat de groenvoorziening tegenover de woningen aan de Wildforster niet kan worden gehandhaafd. Ter compensatie zal langs de Wildforster herplanting van de groenstrook plaatsvinden. Volgens de raad is in dit geval geen sprake van een zodanig dichte begroeiing dat deze het geluid dempt. Voorts voert de raad aan dat de beoogde wijzigingen in de groenstrook niet of nauwelijks effecten hebben op de toename van fijnstof. In dit gebied van Barneveld worden voorts de luchtkwaliteitsnormen niet overschreden, zo voert de raad aan.

7.2. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen op zichzelf niet betogen dat de technische milieunormen ten aanzien van geluid en luchtkwaliteit worden overschreden. Gelet op het beroepschrift en hun betoog ter zitting zijn hun bezwaren erop gericht dat in hun directe woonomgeving een groenvoorziening gedeeltelijk verdwijnt, waardoor de filterende functie ervan voor geluid en stof zal afnemen.

Uit de plantoelichting volgt dat het nieuwe fietspad tussen de spoorlijn en de woningen komt te liggen, waardoor de bestaande sloot en groenstrook aangepast worden en de sloot en groenstrook wijzigen in meer water (akoestisch reflecterend) dan groen (akoestisch absorberend). Volgens de plantoelichting dient een vegetatiestrook een behoorlijke omvang wat betreft groen, bomen of struiken te hebben, om enige invloed te hebben op de demping van geluid. Dat is zowel in de huidige als toekomstige situatie niet het geval, zo staat in de plantoelichting.

De stelling van [appellant] en anderen dat snorfietsers op het fietspad niet zullen zijn toegestaan, mist feitelijke grondslag. Bij het fietspad wordt verkeersbord RVV G11 geplaatst dat, zoals uit de Nota zienswijzen volgt, fietsers en snorfietsers tot 25 km/u toelaat. Het fietspad is gelet op voornoemd verkeersbord niet toegankelijk voor motorfietsen. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat geluidhinder veroorzakende motorfietsen desondanks van het fietspad gebruik zullen maken, overweegt de Afdeling dat handhaving van dit verbod in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Evenwel valt niet uit te sluiten dat vanwege het gedeeltelijk verdwijnen van de groenstrook meer geluid- en stofhinder zal ontstaan ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen vanwege de betonindustrie ten oosten van het plangebied. In dit verband is van belang dat ondanks de afname aan groen ook compensatie daarvan zal plaatsvinden in de vorm van een herplantverplichting, ook al is die compensatie mogelijk niet volledig. Naar het oordeel van de Afdeling is die eventuele toename van geluid- en stofhinder vanwege het gedeeltelijk verdwijnen van de groenstrook echter niet zodanig dat de raad daaraan, bij de afweging van de belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Het betoog faalt.

Privacy

8. [appellant] en anderen betogen dat zij ten gevolge van het voorziene fietspad hun privacy zullen verliezen. Zij achten de te realiseren erfafscheidingen niet een afdoende oplossing en vinden dat de raad hun klachten op dit punt bagatelliseert.

8.1. De raad stelt dat de tuinen achter de woningen aan de Hertespoor door de komst van het fietspad zullen grenzen aan openbaar gebied. Om de privacy van de bewoners te blijven waarborgen wordt een erfafscheiding gerealiseerd, waarbij in overleg met de omwonenden voor een bekleding daarvan wordt gekozen.

8.2. De Afdeling acht aannemelijk dat het plan, zonder het treffen van maatregelen, zal leiden tot enige aantasting van de privacy ter plaatse van de woningen en tuinen van [appellant] en anderen, voor zover gelegen aan de Hertespoor. Enige aantasting van de privacy brengt echter nog niet met zich dat de raad niet had mogen voorzien in de aanleg van een nieuw fietspad. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de raad de gevolgen van het plan voor de privacy niet aanvaardbaar had mogen achten en om die reden het plan niet in deze vorm vast had mogen worden stellen. In dit geval is het mogelijk om de desbetreffende woningen en tuinen goeddeels aan het zicht vanaf het fietspad te onttrekken door het realiseren van een erfafscheiding. [appellant] en anderen hebben niet nader onderbouwd waarom de erfafscheidingen niet een afdoende oplossing zouden zijn ten aanzien van de bescherming van de privacy. In aanmerking genomen dat een erfafscheiding wordt aangebracht, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van [appellant] en anderen, voor zover wonend aan de Hertespoor, niet onaanvaardbaar zal worden aangetast als gevolg van het plan.

Sociale veiligheid

9. [appellant] en anderen vrezen dat het risico op inbraken en insluiping toeneemt omdat het gebied toegankelijker wordt en vluchten via het fietspad voor inbrekers gemakkelijk wordt gemaakt. Onduidelijk is of de raad toezegt zorg te zullen dragen dat een hekwerk met slot wordt gerealiseerd. Als dat al passend is gelet op de financiële uitvoerbaarheid van het plan, dan had dit bovendien in het plan moeten worden geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting, zo stellen [appellant] en anderen. In het kader van de sociale veiligheid kunnen [appellant] en anderen zich er voorts niet mee verenigen dat de raad een beroep op hen doet om de sociale veiligheid mede te monitoren. Daarnaast stellen zij hinder van de verlichting te zullen ondervinden.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij - in verband met de vrees voor inbraken - omwonenden de mogelijkheid biedt om voor rekening van de gemeente een erfafscheiding te realiseren. De raad acht zich echter niet verantwoordelijk voor het al dan niet voldoende afsluiten van het privéterrein van omwonenden. De raad meent dat hij van elke inwoner een zekere betrokkenheid bij de samenleving mag verwachten, hoewel iedere inwoner kan bepalen in welke mate hij daaraan vorm geeft. De hulp van omwonenden bij het, gezamenlijk met gemeente en politie, creëren van een sociaal veilige wijk acht de raad van groot belang.

9.2. Vast staat dat de tuinen bij de woningen van [appellant] en anderen aan de Wildforster niet direct aan het voorziene fietspad zullen grenzen, omdat zich daartussen nog een openbare weg bevindt. Het voorziene fietspad komt wel aangrenzend aan de achtertuinen van de woningen aan de Hertespoor te liggen. [appellant] en anderen hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat de risico’s op inbraken en insluiping onevenredig worden vergroot ten gevolge van de realisatie van het plan. Gelet hierop is de ruimtelijke noodzaak van een erfafscheiding niet vast komen te staan, zodat de raad geen voorwaardelijke verplichting ten behoeve van een erfafscheiding ter plaatse van de achtertuinen bij de Hertespoor heeft hoeven opnemen. Het gemeentebestuur heeft overigens in verband met de privacyaspecten aangeboden om voor zijn rekening erfafscheidingen te realiseren. Ter plaatse van de percelen van [appellant] en anderen, voor zover gelegen aan de Hertespoor, staat de ter plaatse geldende bestemming "Wonen 1", ingevolge artikel 13, lid 13.2.4, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan "Barneveld-Zuid I" voor zogenoemde ‘overige bouwwerken’ een maximale bouwhoogte van 2 m toe. Gelet hierop kan in de tuinen, aan de zijde van het fietspad, een erfafscheiding worden geplaatst om eventuele inbraken tegen te gaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad wat de sociale veiligheid betreft dan ook geen aanleiding hoeven zien om het plan niet in deze vorm vast te stellen.

Voor zover wordt gevreesd voor lichthinder, overweegt de Afdeling dat uit de zienswijzennota volgt dat lichtmasten worden geplaatst die van de woningen af stralen. Omdat de lichtbundel daardoor niet direct in de tuinen zal stralen, verwacht de raad geen onevenredige lichthinder. [appellant] en anderen hebben het vorenstaande niet betwist.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

10. Wat de financiële uitvoerbaarheid van het plan betreft betogen [appellant] en anderen dat geen inzicht is gegeven in de subsidieverlening voor het fietspad. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan volgens hen niet aangetoond.

10.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

10.2. In de plantoelichting staat dat voor de realisering van het project in de gemeentelijke begroting een reservering is gemaakt. Dit bedrag wordt aangevuld met een subsidie uit het programma ‘Mobiliteit 2011’ van de provincie Gelderland. Hiermee is de financiële dekking van het plan gegarandeerd, zo staat in de plantoelichting. Zoals de raad voorts heeft aangevoerd, zijn de kosten voor de aanleg van het fietspad geraamd op € 670.000,-. De raad heeft toegelicht dat een bedrag van € 200.000,- afkomstig is van de provincie in de vorm van subsidie en dat voor het resterende bedrag een reservering is gemaakt in de gemeentelijke begroting. Gelet op het voorgaande kan niet worden staande gehouden dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Het betoog faalt.

Overige gronden

11. Vanwege de samenhang met de breedte van het fietspad zal de Afdeling de beroepsgronden over de groenvoorziening, de waterberging en de belangenafweging nu nog niet bespreken.

De omgevingsvergunning

12. Gelet op het in 5.5 genoemde gebrek en de opdracht als genoemd onder 14 bespreekt de Afdeling de beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning niet in deze tussenuitspraak.

Indien de raad ertoe overgaat een gewijzigd plan vast te stellen ten gevolge van de onder 13 genoemde opdracht, kan dit immers van belang zijn voor de uitvoering van de omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van 32 bomen, bijvoorbeeld omdat het gemeentebestuur van de kap van de bomen wenst af te zien. Om te voorkomen dat zich - voordat einduitspraak is gedaan -onomkeerbare gevolgen voordoen en bomen worden gekapt met gebruikmaking van de omgevingsvergunning van 15 juli 2015, ziet de Afdeling derhalve aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen (zie hierna onder 15).

In dat kader ziet de Afdeling aanleiding wel in te gaan op de beroepsgrond dat niet duidelijk is hoeveel bomen vanwege de omgevingsvergunning mogen worden gekapt.

12.1 Bij brief van 23 februari 2016 heeft het college een gewaarmerkte tekening toegezonden behorende bij de omgevingsvergunning ter vervanging van de eerder per abuis aan de Afdeling toegezonden tekening voor de kap van 40 bomen. Op de nieuwe tekening staan 32 te kappen bomen aangeduid, omdat acht knotwilgen achter de woningen Hertespoor 56-63 behouden dienen te blijven. Gelet op de omstandigheid dat het aantal van 32 te kappen bomen reeds in de tekst van de omgevingsvergunning is genoemd en eveneens het aantal van 12 te kappen wilgen is genoemd, in plaats van 20 wilgen die op de oorspronkelijke tekening en in de bijbehorende tabel zijn opgesomd, is de Afdeling van oordeel dat de omgevingsvergunning van meet af aan is verleend voor de kap van in totaal 32 bomen. Het betreft gelet op het bestreden besluit drie moeraseiken, twaalf knotwilgen en 17 andere bomen.

Bestuurlijke lus

13 Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

De raad dient hiertoe met inachtneming van hetgeen in 5.5 is overwogen alsnog toereikend in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te motiveren waarom in dit geval in redelijkheid van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte kon worden afgeweken en kan worden volstaan met een fietspad met een breedte van 3,0 m, dan wel in zoverre ter zake een gewijzigde planregeling vast te stellen. In geval van een gewijzigde planregeling dient de raad respectievelijk het college ook de eventuele gevolgen voor de rest van het plan dan wel de omgevingsvergunning te bezien. Een eventuele vastgestelde planwijziging dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

Eindconclusie en voorlopige voorziening

14 [appellant] en anderen zijn terecht opgekomen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid", omdat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval in redelijkheid van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte kon worden afgeweken en kan worden volstaan met een fietspad met een breedte van 3,0 m, dan wel in zoverre ter zake een gewijzigde planregeling vast te stellen. De raad wordt met deze uitspraak opgedragen om zijn besluit in zoverre alsnog afdoende te motiveren. Tevens dient de raad respectievelijk het college in geval van een gewijzigde planregeling ook de eventuele gevolgen voor de rest van het plan, danwel de omgevingsvergunning te bezien.

Voor het overige slagen de betogen van [appellant] en anderen, voor zover in deze tussenuitspraak zijn beoordeeld, tegen het bestemmingsplan niet. Mocht de raad in verband met de hiervoor genoemde opdracht ertoe overgaan een andere planregeling voor het fietspad vast te stellen, dan kunnen [appellant] en anderen in het vervolg van de procedure de aspecten waarop de voornoemde betogen betrekking hadden, opnieuw aan de orde stellen.

15 Gelet op het overwogene onder 12. ziet de Afdeling om te voorkomen dat zich - voordat einduitspraak is gedaan -onomkeerbare gevolgen voordoen en bomen worden gekapt met gebruikmaking van de omgevingsvergunning van 15 juli 2015, aanleiding met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb, de na te melden voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen. Van de omgevingsvergunning mag daarom vooralsnog geen gebruik worden gemaakt.

Proceskosten en griffierecht

17. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Barneveld op om:

- binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in 5.5 en 14 is overwogen het besluit van de raad van 8 juli 2015, kenmerk 15-56, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" te herstellen door alsnog toereikend te motiveren waarom in dit geval in redelijkheid van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte kon worden afgeweken en kan worden volstaan met een fietspad met een breedte van 3,0 m, dan wel in zoverre ter zake een gewijzigde planregeling vast te stellen. In geval van een gewijzigde planregeling dient de raad respectievelijk het college ook de eventuele gevolgen voor de rest van het plan dan wel de omgevingsvergunning te bezien;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en de gewijzigde planregeling op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 15 juli 2015, kenmerk 2015W0615, tot verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van 32 bomen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Van Ettekoven

voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

612.