Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201507139/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:7595, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507139/1/A2.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2015 in zaak nr. 15/2105 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 23 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 28 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] een voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 toegekend. Bij besluiten van 31 december 2012, 21 maart 2013, 23 april 2013, 21 mei 2013 en 31 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen naar aanleiding van door [appellante] doorgegeven wijzigingen het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2013 herzien. Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het over 2013 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor de periode tot en met 16 juni 2013 herzien en vastgesteld op nihil. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten voor de kinderopvang in 2013 heeft betaald.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang die voor haar rekening blijven daadwerkelijk contant heeft betaald. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften weliswaar blijkt dat zij in 2013 herhaaldelijk contante bedragen heeft opgenomen, maar dat zij daarmee niet heeft aangetoond dat die pinopnames zijn gebruikt voor betaling van de kinderopvangkosten voor het jaar 2013. Op de overgelegde kwitantie van 23 september 2013 zijn immers geen data en bedragen vermeld die overeenkomen met de data en bedragen die op de bankafschriften zijn vermeld. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat het bedrag van € 1.545,00 dat is vermeld op de kwitantie van 23 september 2013 niet overeenkomt met de hoogte van de kosten van kinderopvang die voor rekening van [appellante] blijven.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij de kosten van de kinderopvang aan het kinderopvangcentrum daadwerkelijk contant heeft betaald. Zij voert daartoe aan dat de kwitantie van 23 september 2013 een betaalbewijs van een contant bedrag betreft en als bewijs voldoet.

3.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) is kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft: a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van: a. de draagkracht, en b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door: 1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, 2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en 3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

3.2. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2519, overweegt de Afdeling dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.

3.3. Volgens de door [appellante] overgelegde jaaropgave over 2013 bedragen de totale kosten van de kinderopvang in 2013 € 8.895,00. Op de zitting in hoger beroep is door de Belastingdienst/Toeslagen bevestigd dat hij op verzoek van [appellante] in totaal € 7.077,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag aan [kinderopvangcentrum] heeft overgemaakt. In geschil is of [appellante] heeft aangetoond dat zij het restant van € 1.818,00 heeft voldaan. [appellante] heeft een kwitantie overgelegd waaruit blijkt dat zij op 23 september 2013 een bedrag van € 1.545,00 ten behoeve van de kinderopvang voor de periode januari tot en met juni 2013 heeft voldaan. Voorts heeft zij in bezwaar en beroep diverse bankafschriften overgelegd waaruit contante geldopnamen blijken welke naar eigen zeggen strekken ter voldoening van de kwitantie. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt niet dat de geldopnames zijn aangewend om de kosten van de kinderopvang te voldoen. De in de bankafschriften vermelde bedragen komen bovendien niet overeen met het op de kwitantie vermelde bedrag, aangezien er verschillen zijn in data en bedragen. Nu de bankafschriften niet corresponderen met de kwitantie, kan aan de kwitantie niet de betekenis worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht wil zien. Daarbij is voorts van belang dat het bedrag van € 1.545,00 op de kwitantie niet overeenkomt met het bedrag van € 1.818,00 dat voor rekening van [appellante] komt. De rechtbank is aldus terecht tot de conclusie gekomen dat [appellante] met de overgelegde stukken niet heeft aangetoond de kosten van de kinderopvang in 2013 te hebben voldaan.Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Koeman w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

85-834.