Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201507336/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015, kenmerk RV-34/2015, heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoven, De Werven en De Gouwen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507336/1/R1.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Almere,

2. [appellant sub 2], wonend te Almere,

3. [appellant sub 3], wonend te Almere,

en

de raad van de gemeente Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015, kenmerk RV-34/2015, heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoven, De Werven en De Gouwen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [partij A] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, [appellant sub 2] en [appellant sub 3], beiden bijgestaan door mr. G. Visser, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.B. de Kleuver en A.C.S. van Dijk-de Vries, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord [partij B] en [partij C], bijgestaan door mr. S. Haak, advocaat te Utrecht, en [partij A], bijgestaan door mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3]

Het geschil

2. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wonen onderscheidenlijk aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Zij richten zich tegen de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Gemengd-2" aan de Brongouw 148. De afstand van de dichtstbijzijnde woning, te weten de woning van [appellant sub 1], tot dit plandeel bedraagt circa 55 meter. Daartussen bevinden zich een weg en water.

Op het perceel aan de Brongouw 148 is thans Café ’t Bruggetje gevestigd. Volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voorziet het plan in een intensivering van de horeca-activiteiten ten opzichte van het vorige plan. Zij vrezen voor geluidoverlast en achten een dergelijke functie niet passend in de wijk. [appellant sub 3] heeft het college van burgemeester en wethouders verzocht handhavend op te treden tegen de horeca-activiteiten die volgens hem in strijd met het bestemmingsplan worden verricht. Tegen de afwijzing van dit verzoek heeft [appellant sub 3] beroep ingesteld bij de rechtbank Utrecht. In de uitspraak van 31 augustus 2015 heeft de rechtbank Utrecht geoordeeld dat die afwijzing dient te worden vernietigd omdat het gebruik van het pand als café in strijd met het vorige bestemmingsplan plaatsvindt en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet handhavend wordt opgetreden. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat het bestemmingsplan "De Hoven, De Werven en De Gouwen" - dat thans ter beoordeling voorligt - inmiddels was vastgesteld en het gebruik als café op grond van dit plan is toegestaan. Tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht heeft onder meer [appellant sub 3] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. In deze zaak, ECLI:NL:RVS:2016:1555, heeft de Afdeling op 8 juni 2016 uitspraak gedaan.

Overgangsrecht

3. [appellant sub 1] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de horeca-activiteiten in categorie 2b die ten tijde van de vaststelling van het plan plaatsvonden, onder het overgangsrecht van het vorige plan vielen. Volgens hem is het gebruik van het café na de vaststelling van het vorige plan geïntensiveerd waardoor de bestaande afwijkingen van het plan zijn vergroot. Als gevolg hiervan is het overgangsrecht uit het vorige plan volgens [appellant sub 1] niet langer van toepassing en is dit gebruik illegaal.

4. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de raad de middelzware horeca-activiteiten bij de vaststelling van het vorige plan bewust onder het overgangsrecht heeft gebracht. Dat de raad deze activiteiten met het plan alsnog als zodanig bestemt achten zij niet aanvaardbaar, temeer nu vast staat dat de middelzware horeca-activiteiten niet langer onder het overgangsrecht vallen en met het gemeentelijke horecabeleid wordt beoogd uitsluitend lichte horeca in woonwijken toe te staan.

5. Binnen de bestemming "Gemengd-2" met de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" is op grond van artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder e, van de planregels het gebruik voor horeca tot en met maximaal categorie 2b als bedoeld in de Staat van Horeca-activiteiten toegestaan. In de Staat van Horeca-activiteiten, behorend bij het plan, zijn categorie 2 bedrijven aangeduid als middelzware horeca en omschreven als bedrijven die aanzienlijke hinder kunnen veroorzaken voor omwonenden, welke hinder onder andere kan ontstaan door openingstijden ’s nachts of door grote verkeersaantrekkende werking. Daarbij zijn de volgende horecabedrijven opgesomd: bar, biljartcentrum, café, proeflokaal, shoarma/grillroom, zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen).

6. In het vorige bestemmingsplan "De Gouwen en De Paal", in werking getreden op 11 maart 2003, was aan het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend met de subbestemming "GDh". Op grond van artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften was ter plaatse van de subbestemming "GDh" een horecagelegenheid toegestaan tot ten hoogste categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten. In de Staat van Horeca-activiteiten was onder categorie 1a lichte aan de detailhandelsfunctie verwante horeca opgenomen.

Op grond van artikel 26, eerste lid, mocht het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

Op grond van het tweede lid was wijziging van het in het eerste lid bedoelde gebruik slechts toegestaan, indien hierdoor de bestaande afwijkingen van het plan naar aard en/of intensiteit niet worden vergroot.

7. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat het café aan de Brongouw 148 ruim 20 jaar aanwezig is. Niet in geschil is dat het café in een zwaardere horecacategorie valt dan de lichte horeca als bedoeld in categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten die op grond van het vorige bestemmingsplan "De Gouwen en De Paal" ter plaatse was toegestaan. Omdat een gebruik dat valt onder een zwaardere horecacategorie op zich was toegestaan onder het daarvoor geldende bestemmingsplan "De Gouwen 1982", viel dat gelet op het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "De Gouwen en De Paal" onder de bescherming van het overgangsrecht en mocht dat gebruik derhalve worden voortgezet, met dien verstande dat de afwijkingen van het plan naar aard of intensiteit niet mochten worden vergroot.

Tussen partijen is in geschil of de horeca-activiteiten na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "De Gouwen en de Paal" op 11 maart 2003 (hierna: de peildatum) ten opzichte van het gebruik zoals dat bestond ten tijde van de inwerkingtreding zodanig zijn gewijzigd dat daarmee de afwijkingen van het plan naar aard of intensiteit zijn vergroot. Is dat het geval, dan valt bedoeld gebruik niet langer onder de bescherming van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 26 van de planvoorschriften van dat plan en waren de zwaardere horeca-activiteiten - vallend in categorie 2b - vanaf dat moment niet langer toegestaan. Het beantwoorden van deze vraag is van belang omdat de onder de bescherming van het overgangsrecht vallende exploitatie van het café als uitgangspunt heeft genomen voor het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b".

8. Voor de beantwoording van de vraag of de zwaardere horeca-activiteiten nog steeds vielen onder de bescherming van het overgangsrecht van het vorige plan, is allereerst van belang vast te stellen welk gebruik op de peildatum feitelijk plaatsvond. Op 13 december 2012 hebben toezichthouders van de gemeente gesproken met de [toenmalige exploitant] van het café. Blijkens het gespreksverslag heeft hij verklaard dat hij vanaf 2002 het café exploiteerde, waar een bar aanwezig was en eenvoudige maaltijden aan klanten werden geserveerd. Het café was vijf dagen per week open tot 23.00 uur. Partijen hebben de juistheid van dit gespreksverslag niet weersproken, zodat de Afdeling uitgaat van de juistheid van de hierin opgenomen verklaringen. De Afdeling stelt vast dat het bestaande gebruik na de peildatum naar aard en intensiteit zodanig zijn gewijzigd dat de afwijkingen van het bestemmingplan "De Gouwen en De Paal" zijn vergroot. In dat verband overweegt de Afdeling dat ter zitting is bevestigd dat het café voor de peildatum 5 dagen per week was geopend waar dit thans 6 dagen per week is. Voorts volgt uit de stukken dat de openingstijden zijn verruimd van 23.00 uur naar 01:00 uur. Daarnaast is de omvang van het terras vergroot naar 19 m2.

Het gevolg is dat horeca-activiteiten in categorie 2b gelet op het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "De Gouwen en de Paal" niet langer onder de beschermende werking van het overgangsrecht vielen. De raad is er bij de onderbouwing van het plan dan ook ten onrechte van uitgegaan dat voor de horeca-activiteiten in categorie 2b sprake is van bestaand gebruik dat onder de werking van het overgangsrecht mag worden voortgezet.

9. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In stand laten rechtsgevolgen

10. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad zich op het standpunt stelt dat de vestiging van horeca in categorie 2b uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. De Afdeling overweegt dat de raad ervoor kan kiezen bestaand illegaal gebruik als zodanig te bestemmen indien dat naar zijn oordeel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is en belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad. Nu de raad ook een ruimtelijke onderbouwing aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, waarin het ter plaatse mogelijk maken van horeca in categorie 2b, ook op zijn eigen merites heeft beoordeeld - dat wil zeggen, los van de beschermende werking van het overgangsrecht - ziet de Afdeling aanleiding te bezien of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. De Afdeling zal dit hieronder aan de hand van de overige beroepsgronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beoordelen.

11. [appellant sub 1] betoogt dat de raad aan de keuze voor de bestemming van het pand ten behoeve van horeca in categorie 2b geen deugdelijke ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd. [appellant sub 1] bestrijdt dat de bestemming voor het pand in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening nu sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen en geluidoverlast. Volgens [appellant sub 1] kan de wijk niet worden aangemerkt als een gemengde wijk als bedoeld in de VNG-brochure, zoals de raad stelt, en is het toelaten van middelzware en zware horeca in woongebieden in strijd met het horecabeleid zoals opgenomen in de Horecanota.

12. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat uit de plantoelichting en de Horecanota volgt dat het toekennen van horeca in categorie 2b op de onderhavige locatie niet passend is omdat geen sprake is van centrumgebied. De verwijzing naar de feitelijk bestaande situatie is volgens hen onvoldoende om deze horeca-activiteiten planologisch toe te staan reeds omdat de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen op basis van de maximale planologische invulling dient plaats te vinden. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] is ter plaatse van hun woning geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geluidoverlast en heeft de raad ten onrechte geen akoestisch onderzoek verricht, waarbij zij zich er ook op beroepen dat ter plaatse van hun woningen niet aan de VNG-brochure wordt voldaan.

VNG-brochure

13. Blijkens de plantoelichting en de reactie op de beroepschriften stelt de raad zich op het standpunt dat sprake is van een gemengd gebied waar sprake is van functiemenging en dat ten opzichte van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand. In de VNG-brochure zijn restaurants, cafetaria’s, snackbars, café’s en bars aangemerkt als bedrijven in milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 m wordt aanbevolen. In geval van een gemengd gebied - een gebied met een matige tot sterke functiemenging - geldt een richtafstand van 0 m.

Onder een ‘rustige woonwijk’ wordt in de brochure verstaan: "een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer."

Onder ‘gemengd gebied’ wordt in de brochure verstaan: "een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend."

De Afdeling kwalificeert het gebied gelet op de verbeelding als overwegend een woongebied, waar weinig verstoring is door verkeer. Daarnaast zijn in het gebied enkele andere functies aanwezig, zoals een school en een wijkcentrum, maar dit betreffen wijkgebonden voorzieningen. Voor zover de raad erop wijst dat in de omgeving ook op bepaalde plaatsen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat de bestemming "Gemengd-2" waar de raad in dit verband op doelt, beperkt is. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de omgeving van het plangebied is aan te merken als gemengde woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure.

14. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu niet aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. In dit artikel is bepaald dat een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De Afdeling overweegt hiertoe dat de afstand tussen het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" en de gevel van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] meer dan 50 m bedraagt. Derhalve wordt, uitgaande van een rustige woonwijk, ruimschoots aan de aanbevolen richtafstand in de VNG-brochure voldaan voor wat betreft de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3].

In verband daarmee bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad desondanks een akoestisch onderzoek had moeten verrichten.

15. Het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat het terras leidt tot onaanvaardbare geluidhinder, volgt de Afdeling niet. Voor zover terrassen zijn toegestaan binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" kan dit gelet op de feitelijke situatie ter plaatse slechts beperkt van omvang zijn terwijl de afstand tot de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] nog steeds aanzienlijk is.

Verkeer

16. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het pand kleinschalig is en de toegestane horeca-activiteiten een buurtgerichte functie hebben. Volgens de raad is gelet daarop niet aannemelijk dat sprake zal zijn van een relevant te achten verkeersaantrekkende werking. De raad heeft er ter zitting voorts op gewezen dat momenteel geen sprake is van parkeerproblemen of verkeersoverlast. Dit heeft [appellant sub 1] niet weersproken. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat van een onaanvaardbare verkeerssituatie geen sprake is. Dit betoog van [appellant sub 1] faalt.

Horecanota

17. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" in strijd is met de Horecanota, wordt als volgt overwogen. De Horecanota bevat beleid met betrekking tot de vestiging van horeca-inrichtingen in Almere, welk beleid de raad hanteert bij de vaststelling van bestemmingsplannen. In de Horecanota is een indeling gemaakt in lichte, middelzware en zware horeca en is voor verschillende gebieden uitgewerkt of uitbreiding, nieuwvestiging, concentratie of vermindering van horeca-inrichtingen als planologisch uitgangspunt wordt gehanteerd. Middelzware horeca, die gelet op de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" in samenhang met de Staat van Horeca-activiteiten is toegestaan, is op grond van de Horecanota niet toegestaan. Lichte vormen komen wel in aanmerking voor vestiging, waarbij dient te worden gelet op een zodanige inbedding dat overlast (geluid, stank, verkeer) tot een minimum beperkt wordt, zo staat in de Horecanota. In de Nota zienswijzen erkent de raad dat het café op grond van de Horecanota niet is toegestaan in de woonwijk. Volgens de raad bestaat in dit geval evenwel aanleiding af te wijken van het beleid omdat het gebied vanwege andere functies in de directe omgeving, zoals bedrijven en maatschappelijke voorzieningen, niet als een monofunctioneel woongebied kan worden aangemerkt, het betreffende pand kleinschalig is, de toegestane horeca-activiteiten een buurtgerichte functie hebben en geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking. Voorts zal volgens de raad geen sprake zijn van onaanvaardbare geluidoverlast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee afdoende gemotiveerd waarom in dit geval in redelijkheid kan worden afgeweken van het beleid in de Horecanota om in woonwijken geen nieuwe solitaire middelzware horeca-inrichtingen te vestigen. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad zich, gelet op hetgeen hiervoor in de overwegingen 14 tot 16 is overwogen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidoverlast en dat het plan geen relevant te achten verkeersaantrekkende werking heeft.

Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1732 overweegt de Afdeling dat in rechtsoverweging 4.5 van deze uitspraak is overwogen dat in de Horecanota voor de horeca aan het Deventerpad in Almere specifiek beleid is opgenomen. Voorts is de motivering van de raad in die zaak om van de Horecanota af te wijken - waarvan de Afdeling oordeelde dat die onvoldoende was - gegeven voor dat specifieke geval. Reeds om die reden gaat een verwijzing naar deze uitspraak hier niet op.

Conclusie

18. Gelet op hetgeen in de overwegingen 14 tot 16 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" aan de Brongouw 148 in stand blijven. Dit betekent dat op grond van het plan de vestiging van café ’t Bruggetje aan de Brongouw 148 is toegestaan.

Proceskosten

19. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden de nagenoeg gelijkluidende beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gelet op artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht als samenhangende zaken beschouwd, waarvoor ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, en onderdeel C2 van de bijlage bij dat besluit, een wegingsfactor van 1 moet worden toegepast.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Almere van 2 juli 2015, kenmerk RV-34/2015, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van horeca-2b" ter plaatse van het perceel Brongouw 148;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover dat is vernietigd;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Almere tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Almere tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Almere tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Almere aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1], € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2] en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Fenwick

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

608.