Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201505170/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3566, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen overtredingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer op het perceel aan de [locatie] te Streefkerk gedeeltelijk toegewezen en het verzoek voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505170/1/A1.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Streefkerk, gemeente Molenwaard,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2015 in zaak nr. 14/8576 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen overtredingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer op het perceel aan de [locatie] te Streefkerk gedeeltelijk toegewezen en het verzoek voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het college [de maatschap] onder oplegging van een dwangsom gelast om de overtredingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 24 oktober 2014 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 15 mei 2014 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft voorts nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door G.H.C.M. Renne en drs. M.A. ten Bloemendal, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, en C. Benschop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [gemachtigde], namens [de maatschap], gehoord.

Overwegingen

1. [de maatschap] exploiteert een melkrundveehouderij op het perceel aan de [locatie] te Streefkerk (hierna: het perceel). [appellant] is eigenaar van de woning op het perceel naast het perceel van [de maatschap].

2. Bij e-mailbericht van 5 maart 2014 heeft [appellant] het college gevraagd om handhavend op te treden tegen geluid- en trillingoverlast van activiteiten op het perceel, een mestopslag op 29 m van zijn woning, de aanwezigheid van vee in een open wagenloods, het afspuiten van materieel en het geopend laten van ramen en deuren. Bij het besluit van 15 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geluidoverlast, het afspuiten van materieel, het geopend laten van ramen en deuren en trillingoverlast op het perceel, afgewezen en het verzoek ten aanzien van de mestopslag en de aanwezigheid van vee in een open wagenloods, toegewezen.

Het college heeft [de maatschap] bij besluit van 15 mei 2014 onder oplegging van een dwangsom gelast om de overtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer beëindigd te houden door geen mest op te slaan binnen de in dat artikel genoemde afstand, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per constatering tot een maximum van € 5.000,00, met een submaximum van € 500,00 per dag, met ingang van één dag na de datum van verzending van deze brief. Het college heeft [de maatschap] voorts gelast om er zorg voor te dragen dat er geen vee wordt gestald in de onbenoemde ruimte, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per constatering tot een maximum van € 10.000,00, met een submaximum van € 1.000,00 per dag, met ingang van één dag na de datum van verzending van deze brief. Het college heeft [de maatschap] bij het besluit van 15 mei 2014 tevens gelast om de tractor "Case HI 856XL" niet meer in te zetten bij werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per constatering tot een maximum van € 15.000,00, met een submaximum van € 1.000,00 per dag, met ingang van één dag na de datum van verzending van deze brief.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met betrekking tot geluid geen overtredingen aanwezig zijn waartegen handhavend kan worden opgetreden. Daartoe voert hij aan dat het geluidonderzoek van 7 maart 2014 ten onrechte overdag is uitgevoerd, in plaats van ’s avonds, zodat het verslag van de controle onjuist is. Voorts stelt hij dat op 31 juli 2014 en 12 augustus 2014 is vastgesteld dat de geluidgrenswaarden worden overschreden. Verder voert hij aan dat ramen en deuren op het perceel ten onrechte open worden gelaten. In dat verband stelt hij dat de door het college veronderstelde geluidreductie in de praktijk niet wordt gehaald, onder meer vanwege het gebruik van een nieuwe tractor. Ook wordt er ten onrechte materieel afgespoten buiten de spoelplaats. Het college diende, gelet op deze overtredingen, over te gaan tot handhaving, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt voor een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, in afwijking van het eerste lid, voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen, dat het niveau op de gevels van geluidgevoelige gebouwen tussen 06:00 en 19:00 uur niet meer dan 45 dB(A) bedraagt. Tussen 19:00 en 22:00 uur mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet meer dan 40 dB(A) bedragen. Tussen 22:00 uur en 06:00 uur mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet meer dan 35 dB(A) bedragen.

Ingevolge voorschrift 1.3.1 van de nadere eisen zoals opgelegd bij besluit van 17 maart 2008 (hierna: de maatwerkvoorschriften) mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door niet vast opgestelde bronnen vanaf 6 december 2009 ter plaatse van de gevels van de nabij gelegen woningen niet meer bedragen dan: 55 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 06.00 en 19.00 uur; 50 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 45 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 06.00 uur.

Ingevolge voorschrift 1.1.1 dienen de deuren van de stallen en het melklokaal, behoudens het doorlaten van personen en voertuigen, gesloten te blijven. De ramen van de stallen dienen tijdens geluidproducerende werkzaamheden (zoals het schoonmaken van de stallen) gesloten te worden gehouden.

Ingevolge voorschrift 1.1.6 komt voornoemd voorschrift te vervallen op het moment waarop op basis van het plan van aanpak uit voorschrift 1.2.1 alternatieve maatregelen zijn uitgevoerd, die eenzelfde afname van de geluidhinder en de beleving daarvan tot stand brengen.

3.2. Bij de heroverweging van het besluit van 15 mei 2014 bij het besluit van 24 oktober 2014 heeft het college ten aanzien van de gestelde geluidoverlast gesteld dat op 7 maart 2014 geen overschrijding van de geluidnormen is vastgesteld. Op 7 maart 2014 hebben twee toezichthouders namens het college een controle uitgevoerd bij de inrichting van [de maatschap]. Het college heeft het verslag van het onderzoek, gedateerd op 7 april 2014, bij zijn besluitvorming betrokken. De toezichthouders hebben op basis van de gemeten activiteiten ten tijde van de controle geen overschrijding van de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer geconstateerd.

In het besluit op bezwaar van 24 oktober 2014 heeft het college voorts gesteld dat het afspuiten van materieel buiten de spoelplaats tijdens meerdere controles niet is geconstateerd. Ten aanzien van het gesloten houden van ramen en deuren tijdens werkzaamheden die geluid produceren, heeft het college het standpunt ingenomen dat maatwerkvoorschrift 1.1.1 is vervallen, zodat daarin geen grond kan worden gevonden voor handhavend optreden. In dat verband verwijst het college naar een brief van 30 juli 2009, waarin het [de maatschap] heeft gemeld dat met de wijzigingen van [de maatschap] in de bedrijfsvoering alternatieve maatregelen zijn uitgevoerd om aan maatwerkvoorschrift 1.3.1 te voldoen, zodat maatwerkvoorschrift 1.1.1 ingevolge het bepaalde in maatwerkvoorschrift 1.1.6 is vervallen. Dat laat volgens het college onverlet dat [de maatschap] is gehouden te voldoen aan de voor zijn bedrijf geldende geluidnormen.

3.3. Over het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college op basis van het geluidonderzoek van 7 maart 2014 mocht afzien van handhavend optreden, wordt als volgt overwogen. De omstandigheid dat het college het geluidonderzoek overdag heeft uitgevoerd in plaats van ’s avonds, brengt niet met zich dat het college het verslag van 7 april 2014 niet bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Daarbij wordt betrokken dat het college, zoals het ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, zowel vaste als niet-vast opgestelde bronnen heeft onderzocht en dat geen overschrijding van de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn geconstateerd. Uit het verslag van 7 april 2014 volgt echter dat de overdag gemeten waarde van de vast opgestelde bronnen 41 dB(A) bedraagt. Aangezien die waarde hoger is dan is toegestaan in de avondperiode en gelet op de stelling van [appellant] dat de geluidnormen ’s avonds worden overschreden, had het college aanleiding moeten zien te motiveren dat in de avondperiode een andere bedrijfssituatie aan de orde is of had het nader onderzoek moeten doen naar het geluid van de vast opgestelde bronnen in de avondperiode.

De Afdeling constateert met [appellant] dat uit het dossier volgt dat het college op 31 juli 2014 en 12 augustus 2014, derhalve vóór het besluit op bezwaar van 24 oktober 2014, een overschrijding van de geluidnormen door [de maatschap] met respectievelijk 3 dB(A) en 2 dB(A) heeft geconstateerd. Voorts heeft het college [de maatschap] bij brief van 6 november 2014 medegedeeld dat het voornemens is een last onder dwangsom op te leggen indien geen maatregelen worden getroffen waardoor blijvend aan de voor het bedrijf geldende geluidnormen wordt voldaan.

Gelet op hetgeen hiervoor over het onderzoek van 7 maart 2014 is overwogen en in aanmerking genomen dat het college op 31 juli 2014 en 12 augustus 2014 heeft geconstateerd dat [de maatschap] niet in overeenstemming heeft gehandeld met de geluidnormen, als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit dan wel maatwerkvoorschrift 1.3.1, kan het standpunt van het college dat het ten tijde van het besluit op bezwaar van 24 oktober 2014 niet bevoegd was om tot handhaving over te gaan, niet worden gevolgd, daargelaten of maatwerkvoorschrift 1.1.1 is vervallen. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het college in het besluit op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom geen aanleiding bestaat om [de maatschap] te gelasten geluidreducerende maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door het gesloten houden van de ramen en deuren van de stallen en het melklokaal.

Het betoog slaagt.

4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in het besluit van 24 oktober 2014 terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen grond is om handhavend op te treden ten aanzien van trillinghinder. Het college heeft in het besluit op bezwaar gesteld dat er tijdens controles niet is geconstateerd dat het gebruik van tractoren of andere activiteiten leiden tot overschrijding van artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor heeft het in het besluit gesteld dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4923, maatregelen zijn getroffen die het gebruik van de inrit tussen de woningen [woningen] te Streefkerk door landbouw- en vrachtverkeer feitelijk onmogelijk hebben gemaakt. Gelet op het onweersproken standpunt van het college dat het gebruik van de inrit door landbouw- en vrachtverkeer feitelijk onmogelijk is gemaakt en de omstandigheid dat het college ook anderszins geen overtreding heeft geconstateerd, heeft het college terecht geen aanleiding gezien voor handhavend optreden. Het college heeft in het besluit van 24 oktober 2014 ook overigens gesteld dat het, ondanks dat het met betrekking tot trilling geen overschrijding is geconstateerd, naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Molenwaard heeft besloten om een gecombineerd geluid- en trillingonderzoek uit te voeren op de achtergevel van de woning van [appellant] en dat daarbij afspraken zijn gemaakt over het kwantificeren van trillinghinder.

5. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de hoogte van de dwangsom met betrekking tot de mestopslag en de stalling van de koeien niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Dat het college, zoals door [appellant] gesteld, op 20 mei 2015 heeft geconstateerd dat [de maatschap] mest had opgeslagen binnen de in artikel 3.46 van het Activiteitenbesluit milieubeheer genoemde afstand en derhalve de last onder dwangsom van 15 mei 2014 is overtreden, biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat van de dwangsom een onvoldoende prikkel uitgaat.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 24 oktober 2014 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarin is beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 15 mei 2014 met betrekking tot geluidsoverlast. Het college dient met betrekking tot het gestelde over geluidsoverlast een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voor het overige blijft het besluit van 24 oktober 2014 in stand.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2015 in zaak nr. 14/8576;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard van 24 oktober 2014, kenmerk 116928, voor zover daarin is beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 15 mei 2014, kenmerk 2014014622/CKE, met betrekking tot geluidoverlast;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.087,74 (zegge: tweeduizend zevenentachtig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 1.984,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

672.