Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201509164/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om verwijdering van hem betreffende gegevens uit het Herkenningsdienst Systeem (hierna: HKS) en de Basisvoorziening Handhaving (hierna: BVH) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet politiegegevens
Wet politiegegevens 8
Wet politiegegevens 13
Wet politiegegevens 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Privacy en persoonsgegevens 2018/1189
JBP 2016/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509164/1/A3.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2015 in zaak nr. 14/6346 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om verwijdering van hem betreffende gegevens uit het Herkenningsdienst Systeem (hierna: HKS) en de Basisvoorziening Handhaving (hierna: BVH) afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2015 heeft de korpschef aan [appellant] meegedeeld dat de registratie van de hem betreffende gegevens in het HKS is aangevuld.

Bij uitspraak van 4 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde rechtstreekse beroep gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2016, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Fransen-Rabbering, werkzaam bij de politie, is verschenen.

Overwegingen

1. Met betrekking tot [appellant] zijn in het HKS een antecedent van 31 oktober 1985 ter zake van artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht en een antecedent van 27 december 2007 ter zake van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, met toevoeging ‘sepot 02 (geen wettig bewijs)’ geregistreerd. De korpschef heeft aan de weigering deze gegevens uit het HKS te verwijderen ten grondslag gelegd dat voor het laatste antecedent een bewaartermijn van vijftien jaar geldt en dat volgens artikel 8, derde lid, van het Reglement voor het Herkenningsdienstregister regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland (hierna: het Privacyreglement) antecedenten waarvan de bewaartermijn strikt genomen zou zijn verstreken niet worden verwijderd als een nieuw antecedent wordt geregistreerd.

De bewaartermijn die geldt voor het laatste antecedent is leidend. De expiratiedatum voor beide antecedenten is daarom 27 december 2022. Wel wordt de classificatie ‘vuurwapengevaarlijk’, gekoppeld aan het eerste antecedent, verwijderd, omdat deze niet meer noodzakelijk is voor het doel van het HKS.

In de BVH is geregistreerd dat [appellant] op 13 juni 2014 door de politie is gecontroleerd. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat deze gegevens te verwijderen, omdat de wettelijke bewaartermijn nog niet is verstreken en niet is gebleken dat de gegevens feitelijk onjuist, niet ter zake dienend of in strijd met een wettelijk voorschrift verwerkt zijn.

Bij het besluit van 2 april 2015 heeft de korpschef in aanvulling op het besluit van 5 augustus 2014 aan [appellant] meegedeeld dat in het HKS aan de registratie van het antecedent van 31 oktober 1985 is toegevoegd de vermelding dat [appellant] een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft ontvangen.

Met betrekking tot de registratie in het HKS

2. De rechtbank heeft met betrekking tot de registraties in het HKS overwogen dat gelet op het bepaalde in de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) de korpschef het begrip ‘recidive’ in het Privacyreglement terecht aldus heeft uitgelegd dat daaronder moet worden begrepen het herhaaldelijk opmaken van processen-verbaal wegens betrokkenheid bij een strafbaar feit, waarbij niet noodzakelijk is dat die betrokkenheid tot een veroordeling heeft geleid. Dat [appellant] voor het feit van 1985 een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft ontvangen en de strafvervolging ter zake van het feit van 2007 met een sepot 02 is geëindigd, maakt dan ook op zichzelf genomen niet dat deze antecedenten niet in het HKS konden worden opgenomen. De korpschef heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze gegevens nog altijd ter zake dienend zijn voor de eigen informatievoorziening en derhalve voor het doel van de verwerking in de zin van artikel 28, eerste lid, van de Wpg.

In het HKS zijn met betrekking tot [appellant] geen bejegeningsgegevens meer opgenomen. Voorts zijn de gegevens in het HKS niet beschikbaar voor derden en leiden deze gegevens op zichzelf genomen niet tot aanhouding of staandehouding, zoals [appellant] heeft gesteld. De korpschef heeft het belang van informatievoorziening voor de politie zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij verwijdering van de gegevens en zijn verzoek om verwijdering van de antecedenten uit het HKS in redelijkheid kunnen afwijzen, aldus de rechtbank.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus een onjuiste uitleg aan het begrip ‘recidive’ heeft gegeven. Slechts bij een eerdere strafrechtelijke veroordeling kan worden gesproken van het bij herhaling begaan van een strafbaar feit. De doelstelling van de registraties in het HKS, zijnde het kunnen vaststellen van de mate van recidive, wordt niet gediend door registraties van gebleken onterechte verdenkingen van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Het belang van de registraties in het HKS voor de politie ontbreekt. [appellant] gaat psychisch gebukt onder het besef van de aanwezigheid van de registraties en van het feit dat hij bij een eventuele nieuwe staandehouding opnieuw met de registraties zal worden geconfronteerd en, indien het politiecontact in de nabijheid van zijn winkel plaatsvindt, dat wederom tot argwaan bij en verlies van zijn klantenkring zal leiden.

3.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg kunnen ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak de politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8, 9 en 10, verder worden verwerkt voor zover zij relevant zijn voor het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van eenzelfde persoon of zaak, onder meer ter bepaling van eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, kan een ieder over wiens persoon politiegegevens worden verwerkt de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Privacyreglement heeft het HKS tot doel de informatievoorziening in het kader van de uitvoering van de politietaak mogelijk te maken, mede voor zover het betreft het vaststellen van de mate van recidive van verdachten van misdrijven.

Volgens artikel 5, aanhef en onder a, worden in het register gegevens opgenomen betreffende personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt, indien:

1˚ tegen hen als verdachte van enig misdrijf proces-verbaal is opgemaakt, of

2˚ zij blijkens enig schriftelijk stuk zijn aangehouden als verdachte van enig misdrijf en tegen wie ter zake nog geen proces-verbaal is opgemaakt, of

3˚ uit hun gedragingen blijkt van ernstig gevaar voor het begaan van een ernstig misdrijf, voor zover hiervan proces-verbaal is opgemaakt en het hoofd van de Herkenningsdienst tot die opneming uitdrukkelijk toestemming heeft verleend, gehoord het openbaar ministerie, of

4˚ zij blijkens enig schriftelijk stuk zijn aangehouden als verdachte van enig misdrijf en tegen wie ter zake conform richtlijnen van het openbaar ministerie geen proces-verbaal wordt opgemaakt.

Volgens artikel 8, eerste lid, worden de gegevens uit het register verwijderd wanneer deze niet meer noodzakelijk zijn voor het doel van het register, en zodra mogelijk vernietigd.

Volgens het tweede lid worden de gegevens in ieder geval uit het register verwijderd indien:

a. het feit ter zake waarvan opneming heeft plaatsgevonden een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van tien jaren of meer is gesteld, uiterlijk nadat sinds dat feit dertig jaren zijn verstreken;

b. het feit ter zake waarvan opneming heeft plaatsgevonden een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan een jaar doch minder dan tien jaren is gesteld, uiterlijk nadat sinds dat feit vijftien jaren zijn verstreken;

[-].

Volgens het derde lid vindt in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder a tot en met f, geen verwijdering van gegevens plaats indien andere op grond van artikel 5, onder a, de geregistreerde verdachte betreffende gegevens in het register zijn opgenomen.

3.2. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg en de artikelen 5, aanhef en onder a, en 8, derde lid, van het Privacyreglement bieden, gelet op de formulering ervan, geen ruimte voor het standpunt van [appellant] dat in het HKS slechts gegevens mogen worden opgenomen voor zover deze strafbare feiten betreffen waarvoor een veroordeling door de strafrechter heeft plaatsgevonden. Naar de korpschef terecht heeft gesteld, staat, anders dan bij een sepot 01, met een sepot 02 of een kennisgeving van niet verdere vervolging niet vast dat de verdenking

van betrokkenheid bij een strafbaar feit onterecht is geweest.

Bij een sepot 01 worden de desbetreffende gegevens uit het HKS verwijderd. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de korpschef het belang van informatievoorziening voor de politie zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij verwijdering van de antecedenten en daarbij terecht in aanmerking genomen dat de informatie in het HKS uitsluitend voor de politie beschikbaar is en de registraties op zichzelf genomen geen aanleiding vormen voor controles van [appellant] of zijn bedrijf.

Met betrekking tot de registratie in de BVH

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef op goede gronden het verzoek van [appellant] om verwijdering van de registratie uit de BVH heeft afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de registratie, waarvan de juistheid niet is bestreden, ten tijde in geding nog geen jaar oud was en derhalve ingevolge artikel 8 van de Wpg niet wordt vernietigd, tenzij deze niet langer noodzakelijk is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. De korpschef heeft aannemelijk gemaakt dat die noodzaak er nog is. De politie legt met een zorgvuldige registratie verantwoording af voor haar acties. Niet is gebleken dat de gegevens niet ter zake dienend of onjuist zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt dan wel niet noodzakelijk zijn, aldus de rechtbank.

5. [appellant] stelt dat het belang van de registratie in de BVH voor de politie ontbreekt, terwijl hij onder het besef van de aanwezigheid van deze registratie gebukt gaat.

5.1. In deze enkele stelling ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in weerwil van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen het besluit van de korpschef om de registratie niet te verwijderen in zoverre ondeugdelijk is.

6. Voor het overige heeft [appellant] in het hogerberoepschrift verzocht de in beroep aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen.

6.1. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de beroepsgronden is niet af te leiden waarom [appellant] van oordeel is dat de aangevallen uitspraak onjuist is. Derhalve ziet de Afdeling hierin geen aanleiding deze uitspraak te vernietigen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

598.