Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201508100/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508100/1/A2.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015 in zaak nr. 15/2761 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2015 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Rechtzoekenden van wie het inkomen en vermogen beneden een bepaalde grens liggen en daarom de kosten van een advocaat niet geheel zelf kunnen dragen, kunnen de raad op grond van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) verzoeken om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand.

In artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb is bepaald dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling dan een advocaat.

2. [appellante] heeft een toevoeging aangevraagd voor het maken van bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 12 november 2014. Bij dat besluit heeft het college haar aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen, omdat [appellante] onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de gezamenlijke huishouding die zij vormt.

De raad heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb. Volgens de raad heeft [appellante] geen bijstand van een advocaat nodig om bij het college naar voren te brengen dat zij voldoende informatie heeft overgelegd over de gezamenlijke huishouding. De raad heeft daarbij verwezen naar zijn beleid, zoals neergelegd in de werkinstructie C030. Daarin is vermeld dat, als het verzoek om bijzondere bijstand is afgewezen omdat de rechtzoekende bijvoorbeeld niet de gevraagde stukken of informatie heeft verstrekt, de aanvraag om een toevoeging voor het maken van bezwaar wordt afgewezen met de code ‘zelfredzaamheid’. Als bij de aanvraag om een toevoeging is gemotiveerd dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is, kan bij hoge uitzondering een toevoeging worden verstrekt, aldus die werkinstructie.

3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich in dit geval een zodanige juridische complexiteit voordoet, dat bijstand van een advocaat nodig is, aangezien [appellante] informatie diende te verstrekken over haar feitelijke woonsituatie.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het geschil over de bijzondere bijstand niet louter om het inleveren van stukken en het schenden van de inlichtingenplicht ging, maar ook om de door het college aangenomen gezamenlijke huishouding. Het vraagstuk van de gezamenlijke huishouding was juridisch en feitelijk complex, zoals blijkt uit de daarover gevoerde bezwaarprocedure. De aanvraag is daarom ten onrechte afgewezen, aldus [appellante].

4.1. In het besluit van het college van 12 november 2014 is vermeld:

"U heeft niet of onvoldoende inlichtingen verstrekt over de gezamenlijke huishouding die u vormt. U heeft daarmee niet voldaan aan uw verplichtingen […] Afwijzing: schending inlichtingenplicht […]."

Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] in het kader van het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding informatie diende te verstrekken over haar woonsituatie. Die informatie is feitelijk van aard. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat [appellante] niet heeft gemotiveerd waarom voor het verstrekken van die informatie specifieke juridische kennis was vereist. De raad heeft daarom in overeenstemming met de werkinstructie de aanvraag mogen afwijzen. Dat [appellante] in de bezwaarprocedure in het gelijk is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Daaruit kan niet worden afgeleid dat zij zonder de hulp van een advocaat niet in het gelijk zou zijn gesteld.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Bijloos w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

611.