Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201507079/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:5111, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507079/1/A2.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/1970 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2014 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Özgül, advocaat te Breda, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 28 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] een voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 toegekend van € 16.253,00. Bij besluiten van 21 maart 2013, 21 augustus 2013, 21 januari 2014 en 14 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen naar aanleiding van door [appellant] doorgegeven wijzigingen het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2013 herzien. Bij besluit van 27 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen hem een voorschot kinderopvangtoeslag over 2014 toegekend van € 16.253,00. Bij besluiten van 22 januari 2014 en 21 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen naar aanleiding van door [appellant] doorgegeven wijzigingen het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2014 herzien. Bij besluit van 30 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het over 2013 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen voorts het over 2014 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor de kinderopvang in 2013 en 2014 heeft betaald.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor de kinderopvang over 2013 en 2014 heeft voldaan en dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 derhalve terecht heeft herzien en op nihil heeft gesteld. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de bankafschriften weliswaar is gebleken dat er gedurende 2013 en 2014 diverse betalingen aan de gastouder hebben plaatsgevonden, maar dat, nog los van het feit dat betalingen aan de gastouder via het gastouderbureau moeten lopen, uit de omschrijving van de betalingen niet kan worden opgemaakt dat deze betrekking hebben op de kinderopvang. Bovendien corresponderen de bedragen van de betalingen niet met de nog te betalen bedragen van € 359,40 (lees: € 395,40) in 2013 en € 1.401,93 in 2014.

3. Niet in geschil is dat [appellant] in 2013 € 18.837,00 en in 2014 € 6.357,72 aan kosten voor kinderopvang heeft betaald.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet alle kosten voor de kinderopvang heeft voldaan. Met betrekking tot het jaar 2013 verwijst hij allereerst naar de voorschotbeschikking van 14 maart 2014 waarin staat vermeld dat hij een bedrag van € 16.285,00 aan kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 toegekend heeft gekregen. Gelet hierop en gezien een eigen berekening van de kosten die hij zelf moet dragen, bedragen de kosten voor kinderopvang volgens [appellant] in totaal € 18.521,81. Omdat vaststaat dat hij € 18.837,00 voor kinderopvang heeft betaald, heeft hij over 2013 alle kosten voldaan. Voor het geval dit betoog niet opgaat, voert [appellant] aan dat het jaaroverzicht 2013, waar de Belastingdienst/Toeslagen zich op baseert, van een foutief totaalbedrag van € 19.232,40 en uurtarief van € 5,17 uitgaat. De totale kosten bedragen volgens hem slechts € 17.904,60, zodat hij € 932,40 teveel heeft betaald. Met betrekking tot het jaar 2014 voert hij aan dat hij een deelbetaling ter hoogte van € 1.500,00 rechtstreeks aan de gastouder heeft betaald, als gevolg waarvan hij alle kosten heeft voldaan. Subsidiair stelt hij dat voor het verkrijgen van kinderopvangtoeslag niet alle kosten voor kinderopvang hoeven te zijn voldaan, nu uit wetgeving noch uit jurisprudentie blijkt dat hij gehouden is aan te tonen dat hij aan alle openstaande vorderingen van het gastouderbureau dan wel de gastouder feitelijk heeft voldaan. Een eventueel openstaand bedrag dient aangemerkt te worden als een civielrechtelijke opeisbare vordering. Civielrechtelijke vorderingen verjaren na verloop van vijf jaar. De vordering ten aanzien van de kinderopvang is nog niet verjaard, als gevolg waarvan deze vordering derhalve blijft bestaan, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) is kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in de kosten van kinderopvang. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, zoals dit gold tot 1 januari 2014, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft: a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Ingevolge die bepaling, zoals deze geldt vanaf 1 januari 2014, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft: a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.

Ingevolge artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, draagt een houder van een gastouderbureau zorg voor een verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt verstaan het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders. Ingevolge artikel 1.56, zesde lid, aanhef en onder b, kunnen bij regeling van Onze Minister ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld omtrent het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en vraagouders.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder d en e, van de Regeling Wkkp, de in artikel 1.56, zesde lid, van de Wkkp bedoelde regeling, bevat de administratie van een gastouderbureau bankafschriften waaruit de betalingen van de vraagouder aan het gastouderbureau en van het gastouderbureau aan de gastouder blijken.

4.2. In geschil is of [appellant] alle kosten voor kinderopvang over 2013 en 2014 heeft voldaan. Subsidiair is tussen partijen in geschil of voor het verkrijgen van kinderopvangtoeslag alle kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna moeten zijn voldaan.

4.3. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2519, overweegt de Afdeling dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluit van 24 februari 2015 wat betreft het toeslagjaar 2013 het door [appellant] overgelegde jaaroverzicht ten grondslag gelegd. [appellant] heeft met zijn eigen berekeningen niet aangetoond dat de in het jaaroverzicht vermelde bedragen onjuist zijn. De Afdeling gaat er dan ook met de rechtbank vanuit dat het eerst overgelegde jaaroverzicht de daadwerkelijk gemaakte kosten weergeeft, waarbij reeds is uitgegaan van een uurtarief van € 5,17. Aldus dient [appellant] aan te tonen dat hij de totale kosten van € 19.232,40, zoals vermeld in de jaaropgave, heeft voldaan. Zoals eerder is overwogen is niet in geschil dat [appellant] hiervan € 18.837,00 heeft betaald. Nu [appellant] niet heeft aangetoond dat hij het resterende bedrag ter hoogte van € 395,40 heeft voldaan, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 derhalve terecht heeft herzien en op nihil heeft gesteld. [appellant] stelt dat hij voor het jaar 2014 € 1.500,00 rechtstreeks aan de gastouder heeft betaald. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2811) volgt uit de tekst van artikel 1.1, eerste lid, en artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, van de Wkkp alsmede de doelstelling van de kassiersfunctie dat het gastouderbureau de betalingen van de ouder die bestemd zijn voor de gastouder op objectief vast te stellen en controleerbare wijze onder zich moet hebben gehad en vervolgens moet hebben doorgeleid naar de gastouder. In artikel 11, derde lid, aanhef en onder d en e, van de Regeling is dit vereiste nader uitgewerkt in die zin, dat alle betalingen per bank dienen plaats te vinden. De door [appellant] verrichte betalingen aan de gastouder hebben niet via het gastouderbureau plaatsgevonden. Nu betaling niet op de voorgeschreven wijze is geschied, is niet voldaan aan de wettelijk voorgeschreven kassiersfunctie. Aldus heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 terecht heeft herzien en vastgesteld op nihil.

4.4. Met betrekking tot het door [appellant] gestelde, dat niet alle kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna moeten zijn voldaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:371), brengen doel en strekking van de regeling van het toekennen van kinderopvangtoeslag en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang om tot toekenning van toeslag te kunnen leiden ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna daadwerkelijk moeten worden voldaan. Het betoog van [appellant] dat hij (een deel van) de kosten aan de gastouder nog verschuldigd is en dat hij deze vordering nog kan voldoen, kan in het licht van deze jurisprudentie niet slagen. Daargelaten binnen welke termijn de betaling van de verschuldigde kosten exact dient te geschieden, is betaling van deze kosten voor de toeslagjaren 2013 en 2014 binnen een termijn van vijf jaar, zoals [appellant] heeft betoogd, in ieder geval te laat om aan deze toeslagjaren te kunnen worden toegerekend. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Koeman w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

85-834.