Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201503864/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:1722, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] om toekenning van nadeelcompensatie afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/366 met annotatie van M.K.G. Tjepkema
O&A 2016/57
JOM 2016/578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503864/1/A2.

m uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante], gevestigd te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2015 in zaak nr. 14/3603 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] om toekenning van nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2014 heeft het college het door het [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante], daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 september 2014 vernietigd, voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de afsluiting van de Beemdstraat en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak alsnog een besluit neemt op het verzoek. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 26 september 2013 onder aanpassing van de motivering opnieuw ongegrond verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellante] daarover een zienswijze gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.M.H. van Kuijk, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. Kepers en R. Martens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is gevestigd aan de [locatie] te Eindhoven. Zij stelt omzetschade te hebben geleden door verminderde bereikbaarheid als gevolg van werkzaamheden aan de Meerenakkerweg en de Beemdweg in de periode van mei 2010 tot 14 juni 2013.

Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Het college heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het verzoek niet ziet op de werkzaamheden aan de Beemdstraat. De omzetdaling als gevolg van werkzaamheden aan de Meerenakkerweg is volgens het college relatief gering en valt binnen het normaal ondernemersrisico. Het college heeft bij besluit van 19 januari 2016 de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. Daartoe stelt het college dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde schade het gevolg is van werkzaamheden aan de Meerenakkerweg en de Beemdstraat.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college onder verwijzing naar het advies van Gloudemans van 3 juni 2014 zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde schade als gevolg van de herinrichting van de Meerenakkerweg onder het normaal maatschappelijk risico valt. De door [appellante] gestelde kosten ter beperking van de schade als gevolg van die werkzaamheden zijn onvoldoende onderbouwd en komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek om nadeelcompensatie voor de gestelde schade als gevolg van de werkzaamheden aan de Beemdstraat. Het college dient in een nieuw te nemen beslissing op bezwaar alsnog een besluit te nemen op dit deel van het verzoek van [appellante].

3. [appellante] betoogt, onder meer, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gestelde schade als gevolg van de werkzaamheden aan de Meerenakkerweg onder het normaal ondernemersrisico valt. Daartoe stelt zij dat het college niet mag uitgaan van een omzetdrempel van 15%. Met name de totale duur van de werkzaamheden aan zowel de Meerenakkerweg als de Beemdstraat noopt tot de hantering van een lagere drempel.

4. Ter zitting heeft het college medegedeeld dat sinds december 2015 voor de beoordeling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico wordt uitgegaan van een drempel van 8% van de gemiddelde jaaromzet. Nu de gemeente Eindhoven inmiddels algemeen een drempel van 8% hanteert, geeft het college zijn eerdere standpunt dat een drempel van 15% mocht worden gehanteerd prijs. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het college het besluit van 10 september 2014 zelf in strijd acht met artikel 2, eerste lid, van de gemeentelijke Regeling nadeelcompensatie voor werkzaamheden aan de weg (hierna: de Regeling). In dit artikel is bepaald dat onevenredige, dat wil zeggen buiten het normale ondernemersrisico vallende schade voor vergoeding in aanmerking komt. Hieruit volgt dat het hoger beroep reeds hierom gegrond is en hetgeen verder ten aanzien van de aangevallen uitspraak is aangevoerd geen nadere bespreking behoeft. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 september 2014 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5. Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen. Dit besluit van 19 januari 2016 is, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van deze wet, eveneens voorwerp van dit geding.

6. Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar het advies van Gloudemans van 24 november 2015, dat er geen aanleiding is de door [appellante] gestelde omzetschade te vergoeden. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2013 ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering.

6.1. In het advies is tot uitgangspunt genomen dat de werkzaamheden aan de Meerenakkerweg en aan de Beemdstraat in samenhang moeten worden beschouwd bij de beoordeling van de vraag of [appellante] schade heeft gelegen als gevolg van de werkzaamheden en zo ja, of die schade voor vergoeding in aanmerking komt gelet op het normaal ondernemersrisico. De werkzaamheden zijn in de directe omgeving van het bedrijf uitgevoerd en hebben aansluitend aan elkaar plaatsgevonden. Vanaf mei 2010 tot en met april 2011 zijn werkzaamheden uitgevoerd in het kader van de herinrichting van de Meerenakkerweg. Vanaf 26 april 2011 tot begin september 2012 zijn de werkzaamheden uitgevoerd aan de Beemdstraat. Voor de bouw van de brug in de Beemdstraat over het afwateringskanaal in de Beemdstraat is de Beemdstraat tussen de Lodewijksestraat en de Hurksestraat opnieuw afgesloten geweest in de periode van 6 november 2012 tot 14 juni 2013.

In het advies is voorts vermeld dat op grond van nieuwe gegevens over de maandomzetten, die na het besluit van 10 september 2014 en de uitspraak van de rechtbank door [appellante] zijn verstrekt, geen verband valt vast te stellen tussen de werkzaamheden en de daling van de omzet. Het jaar 2010 is qua omzet een goed jaar voor [appellante] in vergelijking tot de omzetten behaald in de voorgaande jaren 2007 tot en met 2009. In dit jaar zijn de werkzaamheden gestart en uit de bedrijfsgegevens blijkt niet dat de omzet is gedaald. De omzetten in de navolgende jaren, 2011 tot en met 2013, laten wel een dalende trend zien, zo is in het advies vermeld. De ontwikkeling van de brutowinst in die periode is daarentegen relatief stabiel. Uit de maandomzetten blijkt echter niet dat de omzet is gedaald als gevolg van de werkzaamheden. De resultaten van de omzetperiodes in de schadeperiode laten ten opzichte van het gemiddelde in de voorgaande periodes een sterk wisselend beeld zien met hoge pieken en diepe dalen. Hieruit volgt volgens het advies dat de bedrijfsgegevens geen omzetdaling laten zien die in verband kan worden gebracht met de uitgevoerde werkzaamheden in 2010 tot en met 2013. Daarbij is betrokken dat het bedrijf tijdens de werkzaamheden bereikbaar is gebleven. Tijdens de afsluiting van de Beemdstraat diende alleen het verkeer vanuit het centrum van Eindhoven gebruik te maken van een omleidingsroute. De meest voor de hand liggende route leidde via De Karel de Grote-laan en de Kasteellaan. Deze omleiding was slechts één kilometer langer (5,5 km in plaats van 4,5 km) en komt neer op drie minuten langer rijden (15 in plaats van 12 minuten). Daarnaast heeft het college van belang geacht dat na afronding van de werkzaamheden in juni 2013, ook als rekening wordt gehouden met een zekere na-ijlperiode, de omzet in 2014 verder daalt en eerst in 2015 een herstel laat zien.

7. [appellante] betoogt dat het college heeft miskend dat haar bedrijf in de periode mei 2010 tot en met juni 2013 niet of nauwelijks bereikbaar is geweest. Hieruit volgt volgens [appellante] dat de in die tijd geleden omzetdaling het gevolg zijn van de werkzaamheden. Door de gemeente zijn geen borden geplaatst om de omleidingsroute aan te geven. Volgens [appellante] was de onderneming gedurende de werkzaamheden alleen via een fietspad bereikbaar.

7.1. De Afdeling stelt vast dat in het advies uitvoerig is ingegaan op de bereikbaarheid van het bandencentrum. Daarin staat dat het bedrijf tijdens de werkzaamheden bereikbaar is gebleven vanuit het zuiden via de Kasteellaan, vanuit het westen via de Meerenakkerweg en vanuit het noorden via de Hastelweg en de Dillenburgstraat. Alleen het verkeer dat vanuit het centrum van Eindhoven kwam, kon niet via de gebruikelijk route het bedrijf bereiken. Zoals onder 6.1 is weergegeven, diende het verkeer vanuit het centrum van Eindhoven gebruik te maken van een omleidingsroute. Het verschil tussen beide routes is 1 km en ongeveer 3 minuten langer rijden. Anders dan [appellante] betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat het bedrijf onbereikbaar was gedurende de werkzaamheden en dat de gestelde schade reeds daarom het gevolg moet worden geacht van de werkzaamheden.

Het betoog faalt.

8. Voorts betoogt [appellante] dat in afwijking van de eerdere besluitvorming, waarin wel is uitgegaan van een causaal verband tussen de werkzaamheden aan de Meerenakkerweg en de gederfde omzet, thans geen vergelijking is gemaakt met de ontwikkelingen in de branche. Niet valt in te zien waarom in de nieuwe besluitvorming is uitgegaan van een andere benadering. Het college mocht het advies van 24 november 2015 in zoverre niet ten grondslag leggen aan het besluit van 19 januari 2016.

8.1. In het advies van 3 juni 2014 is vastgesteld dat zich in 2010 geen omzetderving heeft voorgedaan. In 2011 is de omzet wel gedaald. Een vergelijkbare omzetdaling heeft zich in 2011 niet voorgedaan bij branchegenoten die niet zijn geconfronteerd met de onderhavige werkzaamheden. Hieruit is de conclusie getrokken dat de omzetdaling mogelijkerwijs het gevolg is van de werkzaamheden aan de Meerenakkerweg. De omzetderving in 2011 is vervolgens berekend door de normomzet te vergelijken met de daadwerkelijk behaalde omzet. Daarbij is gebruik gemaakt van jaarrekeningen en wekelijkse omzetstaten. Het aldus becijferde omzetverlies valt volgens het advies binnen het normale ondernemersrisico.

In het advies van 24 november 2015 is op grond van jaarrekeningen en maandomzetten geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is dat de gestelde schade het gevolg is van de werkzaamheden aan de Meerenakkerweg en de Beemdstraat. In 2011, 2012 en 2013 daalt de omzet met respectievelijk 7%, 4% en 4% ten opzichte van de gemiddeld behaalde omzet in de referentieperiode 2007-2009. Het verloop van de maandomzetten in de schadeperiode is echter zeer grillig, zodat geen verband valt te leggen met de werkzaamheden. In het advies is verder vermeld dat de omzet na afronding van de werkzaamheden verder daalt, in ieder geval tot het einde van 2014. De eerste helft van 2015 laat een lichte stijging zien, maar de omzet komt in geen enkele periode terug op het niveau dat in de referentieperiode is gehaald. De conclusie in het advies is dat de bedrijfsgegevens geen omzetdaling laten zien die in verband kan worden gebracht met de uitgevoerde werkzaamheden.

[appellante] betoogt terecht dat in het advies van 24 november 2015 geen vergelijking is gemaakt met de ontwikkeling in de branche, terwijl die ontwikkeling in het advies van 3 juni 2014 wel van belang is geacht. Deze enkele stelling is echter onvoldoende om het beroep tegen het besluit van 19 januari 2016 te laten slagen. Niet is aangevoerd en aannemelijk gemaakt dat de branche als geheel een groei heeft doorgemaakt en dat de ontwikkeling van de omzet van het bandencentrum, ook als de fluctuaties in de omzetontwikkeling hierbij worden betrokken, daarbij is achtergebleven. De conclusie is dat het [appellante] geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die leiden tot het oordeel dat het college het besluit van 19 januari 2016 niet mocht baseren op het advies van 24 november 2015.

Het betoog faalt.

9. Tot slot betoogt [appellante] dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de door haar gemaakte advertentiekosten van € 15.000,00 ter beperking van de schade.

9.1. Redelijke kosten die een benadeelde heeft gemaakt om schade te beperken of te voorkomen maken deel uit van schade en komen voor vergoeding in aanmerking. Daarbij gaat het om extra kosten die werkelijk ter beperking van omzetdaling als gevolg van werkzaamheden kunnen worden aangemerkt en een incidenteel of buitengewoon karakter hebben. In dit geval heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde advertentiekosten als schadebeperkende kosten kunnen worden aangemerkt. Niet is komen vast te staan dat en in hoeverre de kosten afwijken van de gebruikelijke advertentiekosten en direct aan de werkzaamheden zijn te relateren.

Het betoog faalt.

10. De slotsom is dat het beroep van [appellante] tegen het besluit van 19 januari 2016 ongegrond is.

11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2015 in zaak nr. 14/3603;

III. verklaart het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 10 september 2014;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2016 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.972,00 (zegge: negentienhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 575,00 (zegge: vijfhonderdvijfenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Polak w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

299.