Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201506311/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:4003, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft het college aan [appellant] vijf lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van het perceel [locatie] te Helvoirt, onder meer wegens het zonder omgevingsvergunning aanleggen van een leefkuil in de tuin achter de recreatiewoning.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/576
JBO 2016/197 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506311/1/A1.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2015 in zaak nr. 15/197 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft het college aan [appellant] vijf lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van het perceel [locatie] te Helvoirt, onder meer wegens het zonder omgevingsvergunning aanleggen van een leefkuil in de tuin achter de recreatiewoning.

Bij besluit van 17 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2014 vernietigd voor zover daarbij de tweede last, die zag op het gebouw tegen het gebouw voor houtopslag, is gehandhaafd, het besluit van 30 oktober 2013 in zoverre herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft in de door hem ingediende stukken slechts gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de last onder dwangsom met betrekking tot de leefkuil. Eerst ter zitting heeft hij kenbaar gemaakt dat hij zijn hoger beroep mede wenst te richten tegen het oordeel van de rechtbank over de andere drie lasten onder dwangsom en dat hij daartoe ter zitting alsnog gronden wenste aan te voeren.

1.1. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

Niet is gebleken dat [appellant] niet eerder dan ter zitting gronden heeft kunnen aanvoeren tegen het oordeel van de rechtbank over de andere drie lasten onder dwangsom. Het eerst ter zitting aanvoeren van gronden tegen de in een eerder stadium niet bestreden onderdelen van de rechtbankuitspraak heeft tot gevolg dat het college daarop niet adequaat kan reageren. Bovendien heeft [appellant] door zijn handelswijze de indruk gewekt het oordeel van de rechtbank over de andere drie lasten onder dwangsom niet te betwisten. De Afdeling laat deze gronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing bij de beoordeling van het hoger beroep.

1.2. Gelet op het voorgaande heeft de procedure nog slechts betrekking op de bij besluit van 30 oktober 2013 opgelegde last onder dwangsom wegens het zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 m voor de aanleg van een leefkuil van 70 cm diep in de tuin achter de recreatiewoning.

2. [appellant] betoogt dat hij geen overtreding heeft begaan, omdat hij geen graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder maaiveld heeft uitgevoerd. Hij stelt de leefkuil in twee fasen te hebben aangelegd, waarbij hij eerst een kuil van maximaal 50 cm diep heeft gegraven, die heeft afgewerkt met een houten rand die boven het maaiveld uitstak en vervolgens de uit de kuil afkomstige grond naast de kuil tegen de houten rand heeft opgebracht. Volgens hem heeft de toezichthouder daardoor weliswaar aan één zijde van de kuil een diepte van 70 cm gemeten van de bodem van de kuil tot de bovenkant van de houten rand, maar betekent dat niet dat daarvoor graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder maaiveld zijn uitgevoerd.

2.1. In het primaire besluit van 30 oktober 2013 staat dat op 9 augustus 2013 een controle is uitgevoerd, waarbij is geconstateerd dat in de tuin net achter de recreatiewoning een leefkuil is gemaakt van circa 5.00*4.00*0.70=20.00m2 en dat het uitvoeren van grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0.50 m onder het maaiveld aanlegvergunningplichtig zijn. Wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo gelast het college [appellant] de leefkuil te verwijderen en verwijderd te houden en de grond terug te brengen in de oude staat.

2.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.

Ingevolge artikel 18.5.1, aanhef en onder b, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is het verboden zonder vergunning bodemingrepen uit te voeren dieper dan 0,50 m onder maaiveld.

2.3. Voor over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom, behoorde het college te hebben vastgesteld dat bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder maaiveld waren

uitgevoerd, zodat het om die reden handhavend kon optreden. Het primaire besluit en het verslag van de controle op 9 augustus 2013 vermelden slechts dat een leefkuil van circa 5.00*4.00*0.70=20.00m2 is gemaakt. Uit het verslag volgt niet waar en op welke wijze de diepte van de leefkuil is gemeten en kan niet worden opgemaakt dat de diepte van 0,70 cm is gemeten ten opzichte van het maaiveld. Ter zitting heeft het college bevestigd dat de hoogte van het maaiveld bij die controle niet is vastgesteld. Verder is ter zitting aan de hand van een foto van het college en verklaringen van het college en [appellant] vastgesteld dat het perceel niet vlak is en dat de leefkuil op het diepste punt 0,70 m diep is, maar aan de overzijde daarvan minder dan 0,50 m diep is. Gelet hierop is met de bij de controle van 9 augustus 2013 gedane constatering dat een leefkuil van circa 0,70 m diep is gemaakt, niet vastgesteld dat graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder maaiveld zijn uitgevoerd. Het college heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat [appellant] artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo heeft overtreden. Dat betekent dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 17 december 2014 in stand heeft gelaten, voor zover daarbij de bij besluit van 30 oktober 2013 opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot de leefkuil is gehandhaafd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 17 december 2014 in zoverre alsnog vernietigen, het besluit van 30 oktober 2013 herroepen, voor zover daarbij de onder punt 5 vermelde last onder dwangsom wegens het zonder omgevingsvergunning aanleggen van een leefkuil is opgelegd, en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 17 december 2014.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de geclaimde reis- en verletkosten overweegt de Afdeling dat slechts de reis- en verletkosten voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking komen. Nu de opgegeven verletkosten niet met stukken zijn onderbouwd, is het bedrag daarvoor forfaitair vastgesteld op € 42,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2015 in zaak nr. 15/197, voor zover de rechtbank het besluit van 17 december 2014 in stand heeft gelaten, voor zover daarbij de last onder dwangsom met betrekking tot de leefkuil is gehandhaafd;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaren van 17 december 2014, kenmerk UIT2014/30918/GW, voor zover daarbij de last onder dwangsom met betrekking tot de leefkuil is gehandhaafd;

IV. herroept het besluit van 30 oktober 2013, kenmerk UIT2013/19969/GW, voor zover daarbij de onder punt 5 vermelde last onder dwangsom wegens het zonder omgevingsvergunning aanleggen van een leefkuil is opgelegd;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 83,90 (zegge: drieëntachtig euro en negentig cent);

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haaren aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

687.