Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201504948/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3008, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de minister [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 5.400,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504948/1/A3.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2015 in zaak nr. 14/5823 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de minister [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 5.400,00.

Bij besluit van 12 augustus 2014 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijke bepaling

1. Ingevolge artikel 4.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen zodanige maatregelen getroffen dat het gevaar dat zich met betrekking tot die stoffen of met betrekking tot de arbeid met die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden.

Arbeidsongeval

2. [appellante] exploiteert een zwemschool in Loon op Zand. Voor de waterfilterinstallatie en desinfecteerinstallatie van het zwembad worden onder meer de chemicaliën natriumhypochloriet en zwavelzuur gebruikt. De installaties waren voorzien van een doorstroombeveiliging die ten doel had te voorkomen dat die chemicaliën aan de installatie werden toegevoegd terwijl er geen of te weinig doorstroming van water was. Verder waren de installaties voorzien van een schakelrelais dat ten doel had om te voorkomen dat chemicaliën gelijktijdig aan de installatie werden toegevoegd.

3. Op 18 september 2012 werden ongeveer 25 liter natriumhypochloriet en vijf liter zwavelzuur - ongeveer vijf maal de gebruikelijke dagdosis - in een waterleiding van de installaties geïnjecteerd, terwijl er geen doorstroming van water was. Doordat beide chemicaliën samenkwamen is de gevaarlijke stof chloorgas ontstaan, die als chloorgasbel via een uitstroomopening in het zwembassin en in de ademlucht terecht is gekomen. De aanwezige kinderen en instructrices zijn voor controle overgebracht naar het ziekenhuis en konden het ziekenhuis dezelfde dag nog verlaten. [Werkneemster] moest als gevolg van de blootstelling aan het chloorgas ter behandeling in het ziekenhuis worden opgenomen. Aldaar is vastgesteld dat zij last had van oedeem en gezwollen slijmvliezen in de keel als gevolg van het inademen van chloorgas. Zij is twee nachten opgenomen geweest in het ziekenhuis. De doorstroombeveiliging en het schakelrelais functioneerden ten tijde van de gebeurtenis niet.

De besluiten van de minister

4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] artikel 4.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden, omdat niet is voorkomen dat aan de installatie van het zwembad chemicaliën werden toegevoegd terwijl er geen of weinig doorstroming van water was. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, terwijl de werknemers van [appellante] konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, [appellante] niet zodanige maatregelen had getroffen dat het gevaar dat zich met betrekking tot die stoffen een ongewilde gebeurtenis zou voordoen, zoveel mogelijk wordt vermeden.

De minister heeft het boetebedrag met toepassing van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving vastgesteld op € 5.400,00. Hij heeft geen aanleiding gezien voor matiging van de boete. In dat verband heeft hij gesteld dat niet is gebleken dat de risico's van het niet goed functioneren van de kritische elementen van de waterfilterinstallatie en desinfecteerinstallatie zijn geïnventariseerd. Ook zijn volgens hem onvoldoende maatregelen ter voorkoming van de gebeurtenis genomen, zoals het systematisch onderhouden, controleren op de juiste werking en schoonmaken van de installaties en de bijbehorende veiligheidsvoorzieningen.

De aangevallen uitspraak

5. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] heeft erkend dat zij artikel 4.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden. De rechtbank is [appellante] niet gevolgd in het betoog dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat [appellante] de risico's, waar de overtreding verband mee houdt, heeft geïnventariseerd. De rechtbank acht de opgelegde boete in overeenstemming met de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan [appellante] kan worden verweten.

Beoordeling van het hoger beroep

6. Ter zitting heeft [appellante] de beroepsgrond over het toepassen van de reeds vervallen Beleidsregels ingetrokken. Derhalve behoeft die grond geen bespreking.

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft voldaan aan haar verzoek om de resultaten van een onderzoek van onderzoeksorganisatie TNO, dat in het kader van een strafrechtelijke procedure wordt uitgevoerd, af te wachten.

7.1. In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is vermeld dat de gemachtigde van [appellante] heeft gezegd dat hij het rapport van TNO uit de strafzaak desgewenst kan inbrengen in deze bestuursrechtelijke procedure. Nergens kan uit worden afgeleid dat [appellante], zoals zij in hoger beroep stelt, de rechtbank heeft verzocht om de resultaten van het onderzoek van TNO af te wachten. Los daarvan heeft [appellante] niet aangegeven waarnaar TNO onderzoek verricht en waarom de uitkomsten van dat onderzoek relevant zouden kunnen zijn voor de nu voorliggende zaak.

Het betoog faalt.

8. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de overtreding niet aan haar kan worden verweten. Er is volgens haar geen rekening gehouden met de omstandigheid dat zij een risico-inventarisatie heeft uitgevoerd en voldoende maatregelen heeft getroffen. Ook gaat zij zeer serieus met haar onderneming om en wordt er regelmatig onderhoud uitgevoerd, zodat het incident als iets eenmaligs moet worden beschouwd. De hoogte van de boete had daarom in elk geval moeten worden gematigd. Gelet op de omvang van het bedrijf is bovendien een korting van 20% op zijn plaats, aldus [appellante].

8.1. Bij het door een arbeidsinspecteur opgemaakte boeterapport is een stuk met de titel "Risico-inventarisatie en -evaluatie / Plan van aanpak" gevoegd. Hierin is onder meer opgenomen dat chemicaliën gescheiden naar soort en eigenschap in een speciaal hiervoor ingerichte ruimte moeten worden opgeslagen en dat de natriumhypochlorietoplossing gescheiden moet worden opgeslagen van zwavelzuuroplossing. In het document wordt evenwel niet ingegaan op het risico dat natriumhypochloriet en zwavelzuur aan de waterfilterinstallatie en desinfecteerinstallatie worden toegevoegd zonder voldoende waterdoorstroming en dat de stoffen samenkomen, dat daardoor chloorgas ontstaat en dat dit gas dan door werknemers kan worden ingeademd. Ook voor het overige is niet gebleken dat dit risico is geïnventariseerd.

8.2. Ter motivering van het betoog dat voldoende maatregelen waren getroffen, heeft [appellante] er onder meer op gewezen dat beschermingsmiddelen en een oogspoelfles aanwezig waren en dat waarschuwende teksten en symbolen waren aangebracht op diverse plaatsen. Zoals de minister terecht in het besluit van 12 augustus 2014 heeft vermeld, zijn deze maatregelen evenwel niet relevant voor deze zaak. Geen van deze maatregelen kon immers voorkómen dat chloorgas ontstond door het ongecontroleerd toevoegen en samenkomen van natriumhypochloriet en zwavelzuur. Evenmin konden deze maatregelen de gevolgen van blootstelling aan chloorgas beperken.

8.3. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat voldoende instructies zijn gegeven en adequaat toezicht is gehouden met betrekking tot het toevoegen van chemicaliën aan de waterfilterinstallatie en desinfecteerinstallatie. Voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat regelmatig onderhoud werd uitgevoerd, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. In dat verband is van belang dat, zoals ook in het besluit van 12 augustus 2014 is vermeld, [directeur] tegenover de inspecteur heeft verklaard dat het schoonmaken of controleren op de juiste werking van de doorstroombeveiliging en andere beveiligingen niet tot de gebruikelijke onderhouds- en controlewerkzaamheden behoorde.

8.4. Gelet op hetgeen onder 8.1 tot en met 8.3 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de overtreding niet of niet geheel aan [appellante] te verwijten is.

8.5. Bij het bepalen van de hoogte van de boete heeft de minister rekening gehouden met de omvang van het bedrijf van [appellante]. Er is geen grond voor het oordeel dat de aldus vastgestelde boete niet evenredig is.

De betogen falen.

Slotoverwegingen

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Slump w.g. Herweijer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

640.