Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201504290/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4216, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester de sluiting bevolen van de door [appellante] geëxploiteerde massagesalon [bedrijf] aan de [locatie] te Den Haag voor de duur van zes maanden, ingaande op 9 juli 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/244 met annotatie van J.G. Brouwer, C. Post
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504290/1/A3.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2015 in zaak nr. 14/10015 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester de sluiting bevolen van de door [appellante] geëxploiteerde massagesalon [bedrijf] aan de [locatie] te Den Haag voor de duur van zes maanden, ingaande op 9 juli 2014.

Bij besluit van 24 september 2014 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.P. van Rossum, advocaat te Amsterdam, en vergezeld door [medewerker] van de salon, en [echtgenoot] van een medewerkster van de salon, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Demetriadis en mr. R.W.I. Alkema, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) is het verboden een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

Ingevolge het Handhavingsarrangement seksinrichtingen van de gemeente Den Haag wordt, indien een seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder de daarvoor benodigde vergunning en de exploitatie niet past binnen het prostitutiebeleid, bij de eerste constatering een bevel tot sluiting voor de duur van zes maanden gegeven.

2. De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 ten grondslag gelegd dat er in de gemeente Den Haag sinds enige jaren een enorme toename is van het aantal Chinese massagesalons en er signalen zijn dat in deze branche illegale prostitutie plaatsvindt. Dit leidt onder meer tot mensenhandel, uitbuiting van en gedwongen prostitutie door masseuses, oneerlijke concurrentie ten opzichte van vergunde seksinrichtingen en overlast voor omwonenden. Aldus worden de op vergunde seksinrichtingen van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en het strenge toezicht op de naleving daarvan ontdoken, wordt het gemeentelijk prostitutiebeleid ondermijnd en worden de leefbaarheid en de veiligheid van de woonwijken en de volksgezondheid bedreigd. In de gemeente Den Haag wordt met het oog hierop een streng gereguleerd prostitutiebeleid gevoerd, aldus de burgemeester. Hij heeft de massagesalon [bedrijf] voor de duur van zes maanden gesloten, omdat aannemelijk is dat in de salon seksuele diensten tegen betaling worden verleend en derhalve feitelijk illegaal een seksinrichting wordt geëxploiteerd. Hierbij heeft de burgemeester onder meer in aanmerking genomen dat op 27 december 2013 een klant van [bedrijf] een melding bij de politie heeft gedaan over een vermoeden van illegale prostitutie in de salon. Op 10 februari 2014 is een soortgelijke melding bij de Belastingdienst gedaan. Ook diverse commentaren en zeer expliciete recensies over medewerksters van [bedrijf] op internetfora wijzen erop dat masseuses in de salon seksuele handelingen tegen betaling verrichten. [appellante] heeft begin 2014 twee medewerksters van de salon ontslagen wegens het vermoeden dat zij seksuele diensten aan klanten aanboden. Op 29 april 2014 hebben medewerkers van de gemeente Den Haag, de politie eenheid Den Haag en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) een controle in de salon uitgevoerd. Twee medewerksters van de salon, die tijdens de controle aanwezig waren, zijn onderscheidenlijk eigenaresse en medewerkster geweest van andere massagesalons, die eerder zijn gesloten omdat aannemelijk was dat daar illegaal een seksinrichting werd geëxploiteerd. Blijkens het onderzoeksrapport van het NFI van 12 juni 2014 zijn bij de controle in twee massagekamers biologische sporen aangetroffen en zijn er sterke aanwijzingen dat deze sporen sperma(vloeistof) van ten minste drie mannen bevatten.

3. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester zich op grond van het rapport van bevindingen dat van de controle is opgesteld en de overige processtukken terecht op het standpunt heeft gesteld dat aannemelijk is dat in [bedrijf] illegale prostitutie plaatsvond. Daartoe voert zij aan dat de burgemeester het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 voornamelijk op roddel, achterklap en anonieme aantijgingen heeft gebaseerd. Niet is vastgesteld dat er seksuele activiteiten tegen betaling werden verricht. Het onderzoek door het NFI heeft slechts drie spermasporen opgeleverd. Overal waar mensen bij elkaar zijn zou onderzoek door het NFI tot een dergelijk resultaat leiden. In massagesalons die eerder wegens illegale prostitutie zijn gesloten zijn veel meer sporen aangetroffen dan in [bedrijf]. De rechtbank is ten onrechte en ongemotiveerd voorbijgegaan aan het aangeboden getuigenbewijs, aldus [appellante]. Zij verzoekt de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij door de sluiting van de salon heeft geleden.

3.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester op grond van de in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 vermelde feiten en omstandigheden terecht aannemelijk heeft geacht dat [appellante] zonder de daartoe benodigde vergunning een seksinrichting in de zin van artikel 3:4, eerste lid, van de APV exploiteerde. Daarbij zijn terecht mede in aanmerking genomen de in de massagekamers van de salon aangetroffen biologische sporen, die blijkens onderzoek van het NFI met een hoge mate van zekerheid

sperma(vloeistof) van verschillende mannen bevatten. Naar de burgemeester ter zitting bij de rechtbank heeft toegelicht, is de wijze waarop de controles van de massagesalons worden uitgevoerd alom bekend en heeft dat tot gevolg dat de salons zeer goed worden schoongemaakt en sporen daarom moeilijker vindbaar zijn. De rechtbank heeft terecht in deze toelichting een plausibele verklaring gezien voor het aantreffen van minder sporen bij de controle van [bedrijf] dan bij eerdere gevallen waarin tot sluiting van massagesalons is overgegaan. Dat, zoals [appellante] stelt, overal waar mensen bijeenkomen biologische sporen als hier in geding kunnen worden gevonden, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gelet op deze sporen en de overige onder 2. vermelde feiten en omstandigheden in hun onderlinge verband en samenhang bezien aannemelijk is dat in de salon seksuele handelingen werden verricht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de burgemeester ter zitting bij de Afdeling onbestreden heeft gesteld, er ook controles van massagesalons plaatsvinden waarbij geen biologische sporen worden aangetroffen. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar ter zitting bij de Afdeling naar voren gebrachte stelling dat eerst van prostitutie kan worden gesproken indien, naast de betaling voor de reguliere diensten, afzonderlijk voor seksuele handelingen wordt betaald.

3.2. Het dossier bij de rechtbank bevat reeds een schriftelijke verklaring van de in de salon werkzame [masseuse], inhoudende dat zij, anders dan op het internet is gesuggereerd, geen seksuele diensten tegen betaling heeft verleend. Een gelijkluidende mondelinge verklaring van [masseuse] voegt aan de bewijskracht van die stelling niets toe. De overige door [appellante] genoemde getuigen, [medewerker van de salon], [echtgenoot van een medewerkster van de salon] en [medewerkster van de Stichting Hulp en Opvang Prostitutie en Mensenhandel] te Den Haag, kunnen niet verklaren over hetgeen zich tijdens behandelingen achter gesloten deuren in de massagekamers heeft afgespeeld. Gelet hierop heeft de rechtbank overeenkomstig artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van de getuigen mogen afzien.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellante] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

598.