Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201502429/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:1030, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 december 2014 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502429/1/A1.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 't Veld, gemeente Hollands Kroon,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 13 februari 2015 in zaak nrs. 14/5398 en 14/5401 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon.

Procesverloop

Bij brief van 24 december 2014 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Bij uitspraak van 13 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2015, waar [appellant], vergezeld door J. Vlaming en bijgestaan door mr. A. van Balen, en het college, vertegenwoordigd door ing. D. Treffers en ir. M. van Munster, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft op 25 juni 2014 bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteiten bouwen, kappen en het aanleggen van een uitweg, ten behoeve van de bouw van drie vrijstaande woningen, in de aanvraag aangeduid als A, B en C (hierna: het bouwplan), op het perceel Rijdersstraat/Koggeweg te ’t Veld (hierna: het perceel).

2. Het college heeft de ontvangst van de aanvraag aanvankelijk bij brief van 26 juni 2014 bevestigd, waarbij het aan [appellant] heeft medegedeeld dat het zijn aanvraag met toepassing van de reguliere procedure zal behandelen en binnen acht weken op de aanvraag zal beslissen. Bij brief van 4 augustus 2014 aan [appellant], is het college hiervan teruggekomen en heeft het [appellant] medegedeeld dat het zich op het standpunt stelt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is, nu het bouwplan volgens het college niet in overeenstemming is met het voor het perceel geldende bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp".

Bij brief van 25 november 2014 heeft [appellant] het college verzocht om binnen twee weken na ontvangst van die brief te publiceren dat de omgevingsvergunning voor het bouwplan is verleend.

Het college heeft op 10 december 2014 een ontwerpbesluit tot weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning ter inzage gelegd.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is paragraaf 3.2 (de reguliere voorbereidingsprocedure) van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, voor zover thans van belang, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid, kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.

Ingevolge het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb is, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

Ingevolge artikel 4:20c, eerste lid, maakt het bestuursorgaan de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.

Ingevolge artikel 3:10, vierde lid, is, indien afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van een besluit, paragraaf 4.1.3.3 niet van toepassing.

Ingevolge artikel 1.5b, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo wordt, in afwijking van artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening een vrijstelling als bedoeld in dat artikel, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo is verleend, maar nog niet onherroepelijk is, voor zover die vrijstelling ziet op een bouwactiviteit waarvoor onmiddellijk voor dat tijdstip nog geen aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is ingediend, gelijkgesteld met een beschikking van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo, met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van die wet voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet.

Ingevolge het voor het perceel geldende bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 17.1, aanhef en onder a, van de bestemmingsplanregels zijn de voor "wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met (…).

Ingevolge artikel 17.2, onder a, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen, voor zover thans van belang, de volgende regels:

1. het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen, dan wel het ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" aangegeven aantal;

(…);

4. voor de locatie van het hoofdgebouw geldt de bestaande locatie;

(…).

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 12, wordt onder "bebouwing" verstaan: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 20, onder b, wordt in deze regels ten aanzien van (andere) bouwwerken en gebruik onder "bestaand" verstaan: het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning/omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een vrijstelling op grond van de WRO, een ontheffing op basis van de Wro, of een afwijkingsprocedure op basis van de Wabo.

Op de verbeelding van het bestemmingsplan is voor het bestemmingsvlak "Wonen" waarin het perceel is gelegen, een maximum aantal wooneenheden van 9 aangegeven.

Het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet van rechtswege een omgevingsvergunning voor het bouwplan is verleend. Volgens hem heeft de rechtbank het college ten onrechte gevolgd in het standpunt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het in het bestemmingsvlak maximaal toegestane aantal van negen wooneenheden reeds is vergund. De rechtbank neemt, in navolging van het college, daarbij volgens [appellant] ten onrechte een op 9 december 2008 verleende vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de bouw van vier woningen tussen de locaties Koggeweg 1 en Koggeweg 1a in aanmerking. Voor deze vier woningen is nooit een aanvraag om bouw- of omgevingsvergunning ingediend en deze zullen ook nooit worden gerealiseerd, nu inmiddels voor de betreffende locatie een aanvraag om omgevingsvergunning voor een geheel ander bouwplan is ingediend. Nu vijf woningen binnen het bestemmingsvlak aanwezig zijn, maakt zijn bouwplan volgens [appellant] dus niet dat het maximale aantal van negen wordt overschreden, zodat zijn aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan.

4.1. Het bestemmingsplan laat ingevolge artikel 17.2, onder a, onder 1, van de planregels, gelezen in verbinding met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" op de bijbehorende verbeelding, binnen het bestemmingsvlak negen woningen toe. Indien binnen het bestemmingsvlak hoofdgebouwen worden gebouwd, dient dit ingevolge artikel 17.2, onder a, onder 4, van de planregels te gebeuren op de bestaande locatie.

4.2. [appellant] betoogt terecht dat de vier woningen waarvoor op 9 december 2008 vrijstelling is verleend op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO bij de bepaling van het maximale aantal toegestane woningen als bedoeld in artikel 17.2, onder a, onder 1, van de planregels niet dienen te worden meegeteld. Er zijn maximaal negen woningen binnen het bestemmingsvlak toegestaan en die waren ten tijde van de aanvraag van [appellant] niet aanwezig. Op dat moment waren binnen het bestemmingsvlak vijf woningen aanwezig. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de vier woningen waarvoor vrijstelling is verleend zouden kunnen worden gerealiseerd als de omgevingsvergunning compleet zou zijn, maakt dit niet anders. Bepalend is of de woningen aanwezig waren op het moment van de aanvraag van [appellant]. Dat was niet het geval. Het bouwplan is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan vanwege overschrijding van het maximaal aantal toegestane woningen binnen het bestemmingsvlak.

Niettemin is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aanvraag om omgevingsvergunning van [appellant] in strijd is met het bestemmingsplan, zij het om een andere reden. Artikel 17.2, onder a, onder 4, van de planregels bepaalt dat de locatie van een hoofdgebouw slechts de "bestaande locatie" kan zijn. Volgens de definitie van "bestaand" in artikel 1, onder 20, onder b, van de planregels is dit een locatie waar op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bebouwing aanwezig of in uitvoering is krachtens een bouwvergunning/omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een vrijstelling op grond van de WRO, een ontheffing op basis van de Wro of een afwijkingsprocedure op basis van de Wabo.

Gebleken is dat het in het bouwplan van [appellant] voorziene hoofdgebouw B niet is voorzien op een bestaande locatie zoals hiervoor bedoeld. Op het hoekperceel waar hoofdgebouw B is voorzien, is geen bebouwing aanwezig of in uitvoering zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 20, onder b, van de planregels. Op deze locatie is namelijk in het geheel geen sprake van bebouwing. Dat dit op het tijdstip van inwerking-treding van het op 27 juni 2013 vastgestelde, en op 1 oktober 2013 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan niet anders was, blijkt uit de verbeelding behorend bij dat bestemmingsplan. Daarop is op het bedoelde hoekperceel geen bestaande bebouwing ingetekend.

Nu hoofdgebouw B niet is voorzien op een bestaande locatie, is het bouwplan om die reden in strijd met het bestemmingsplan.

De Afdeling volgt niet de ter zitting door het college naar voren gebrachte betogen dat met "bestaande locatie" uitsluitend is bedoeld de locatie waarvoor de vrijstelling van 9 december 2008 is verleend alsmede dat in de planregels is bedoeld dat op een bestaande locatie reeds een hoofdgebouw aanwezig moet zijn. Deze beide wijzen van uitleg van de planregels volgen niet uit de tekst van artikel 17.2, onder a, onder 4, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder 20, onder b, en artikel 1, aanhef en onder 12, van de planregels. Ook anderszins heeft de Afdeling hiervoor geen aanknopingspunten gevonden.

Overigens behoeft, gelet op het voorgaande, hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht over de volgorde van afhandeling van de verschillende aanvragen om omgevingsvergunning die voor het betrokken gebied zijn gedaan geen bespreking meer.

4.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij heeft daarom eveneens terecht geoordeeld dat gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 3:10, vierde lid, van de Awb voor het bouwplan geen vergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, nu de beslissing van de rechtbank juist is, met verbetering van gronden waarop deze rust te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Bolleboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

641.