Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201504831/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:3104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor [appellant] voor het jaar 2011 definitief vastgesteld op € 12.794,00 en een bedrag van € 10.018,00 aan ten onrechte verstrekte voorschotten van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504831/1/A2.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2015 in zaak nr. 14/7813 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor [appellant] voor het jaar 2011 definitief vastgesteld op € 12.794,00 en een bedrag van € 10.018,00 aan ten onrechte verstrekte voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 18 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door O.K. Hyiaman, werkzaam bij stichting Scientia Potentia Est, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aanleiding voor het geschil

1.1. [appellant] heeft twee kinderen die in 2011 opvang hebben genoten bij achtereenvolgens [Kindercentrum] en [BSO]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan [appellant] € 22.812,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag toegekend. Bij de definitieve vaststelling heeft de dienst alleen een tegemoetkoming toegekend voor de opvang bij [Kindercentrum], omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de kosten van kinderopvang bij [BSO] volledig heeft voldaan.

1.2. De rechtbank heeft overwogen dat het geschil zich beperkt tot de kosten van kinderopvang bij [BSO] in de periode oktober tot en met december 2011. Volgens de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] die kosten niet volledig heeft voldaan, zodat hij geen recht op kinderopvangtoeslag heeft.

2. Het hoger beroep en de beoordeling ervan

2.1. [appellant] is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij stelt wel alle kosten van de kinderopvang bij [BSO] te hebben voldaan. Een [medewerker] van de Belastingdienst/Toeslagen heeft hem telefonisch meegedeeld dat voor de kinderopvang bij [BSO] in de periode september tot en met december 2011 € 2.307,50 te weinig is betaald. Gelet op de overweging van de rechtbank dat het geschil zich beperkt tot de periode oktober tot en met december 2011 dienen volgens hem de kosten van kinderopvang in september 2011 op dat bedrag in mindering te worden gebracht. Dat betekent dat een bedrag van € 445,00 resteert. [appellant] stelt dit bedrag ruimschoots te hebben voldaan, aangezien hij drie maal een bedrag van € 250,00 heeft overgemaakt.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:770; www.raadvanstate.nl), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij voor die opvang kosten heeft gemaakt en wat de hoogte daarvan is. Dit betekent dat het aan [appellant] is om aan te tonen wat de kosten van kinderopvang waren en dat hij deze kosten volledig heeft voldaan.

2.3. Uit de door [appellant] overgelegde facturen blijkt dat de kosten voor kinderopvang bij [BSO] in de periode oktober tot en met december 2011 in ieder geval € 1.862,50 per maand bedroegen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in die maanden steeds een voorschot kinderopvangtoeslag van € 679,00 aan [BSO] overgemaakt. Dit betekent dat de door [appellant] te betalen kosten in die periode € 1.183,50 per maand bedroegen. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij deze kosten heeft voldaan. Uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt slechts dat hij drie maal een bedrag van € 250,00 heeft betaald.

Dat een medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen over de telefoon uitlatingen heeft gedaan over de door [appellant] te betalen kosten van kinderopvang, heeft [appellant] niet met bewijsstukken gestaafd. Van de juistheid van die stelling en de door [appellant] daarop gebaseerde berekening kan daarom niet worden uitgegaan.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de kosten van de kinderopvang bij [BSO] volledig heeft voldaan.

2.4. Het betoog faalt.

3. Conclusie

3.1. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Van den Broek w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

686.