Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201506677/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Haagweg nabij 39 te Monster" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7568
ABkort 2016/259
BR 2016/60 met annotatie van H.E. Woldendorp, J.W. van Zundert
M en R 2016/112 met annotatie van Mr. drs. M.M. Kaajan
JOM 2016/549
JOM 2016/566
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506677/1/R4.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Monster, gemeente Westland,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Monster, gemeente Westland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Haagweg nabij 39 te Monster" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A] en [partij B] hebben daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2016, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. R.M. Köhne en mr. I.R. Köhne, advocaten te Voorburg, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Westerduin en F.N.A. Gordijn, beiden werkzaam bij de gemeente, en mr. P.J.A. Engelvaart, werkzaam bij Emphasis Ruimtelijke ordening en Juridisch Advies, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A], vertegenwoordigd door T. Grootscholten, en [partij B] gehoord.

Overwegingen

Het uitwerkingsplan

1. Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Westmade" (hierna: het bestemmingsplan), vastgesteld door de raad van de gemeente Westland op 18 april 2006. De gronden in het uitwerkingsplangebied hebben op grond van het bestemmingsplan de bestemming "Uit te werken woondoeleinden". Het uitwerkingsplan voorziet in de splitsing van het perceel Haagweg nabij 39 te Monster, kadastraal bekend als perceel I1840, in vijf kleinere uitgeefbare kavels en bijbehorende infrastructuur ten behoeve van 5 tot 8 onder zelfrealisatie te bouwen woningen en bijbehorende parkeervoorzieningen.

Toetsingskader

2. Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.

De beroepen

3. [appellant sub 1] woont op het perceel ten noordwesten van het plangebied, aan de [locatie 1] te Monster. [appellant sub 2] woont op het perceel ten noorden van het plangebied, aan de [locatie 2] te Monster. Aan de overzijde van de Haagweg is het Natura 2000-gebied "Solleveld en Kapittelduinen" gelegen.

Ingetrokken beroepsgronden

4. Ter zitting heeft [appellant sub 1] de beroepsgronden ingetrokken die betrekking hebben op het niet ter inzage leggen van een e-mail van het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: hoogheemraadschap), het mogelijk maken van lantaarnpalen, het beschikbaar stellen van gemeentegrond voor parkeerplaatsen, de gevolgen van het plan voor flora en fauna en planschade.

Ontvankelijkheid

5. Het college stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, voor zover het betreft de beroepsgronden over het maximum aantal woningen, het maximum bebouwingspercentage, de privaatrechtelijke belemmering, de minimumafstand van 5 meter tussen de uitgiftegrens en het bouwvlak en de mogelijkheid van vergunningvrij bouwen en de daardoor in acht te nemen afstand tot de paardenstallen betreft. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben deze beroepsgronden volgens het college niet in hun zienswijzen over het ontwerpplan naar voren gebracht.

5.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een uitwerkingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

5.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de door het college bedoelde beroepsgronden betrekking op plan(onder)delen waarover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren hebben gebracht, namelijk het plandeel met de bestemming "Woongebied". Ook de bepalingen over het maximum aantal hoofdgebouwen en het maximum bebouwingspercentage in artikel 4, lid 4.2.1, onder a en c, van de planregels moeten geacht worden bestreden te zijn in de zienswijzen, omdat de bebouwingsdichtheid in het plangebied in de zienswijzen aan de orde is gesteld. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

Gelet hierop bestaat geen aanleiding de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Nota van uitgangspunten

6. [appellant sub 1] voert aan dat niet is voldaan aan de in artikel 9, lid 3.3, van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen bepaling, waaruit volgens hem volgt dat de Nota van uitgangspunten ten behoeve van de uitwerking Haagweg nb 39 te Monster (hierna: Nota van uitgangspunten) voorafgaand aan het ontwerpuitwerkingsplan had moeten worden opgesteld.

6.1. Het college stelt dat de Nota van uitgangspunten wellicht eerder opgesteld had kunnen worden, maar dat is voldaan aan de procedureregels zoals opgenomen in artikel 4, lid 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

6.2. Ingevolge artikel 9, lid 3.3, van de voorschriften van het bestemmingsplan zal door burgemeester en wethouders een "Nota van uitgangspunten ten behoeve van de uitwerking" worden opgesteld, die onder meer betrekking zal hebben op:

-de actuele woningbehoefte in kwantitatieve en kwalitatieve zin;

-de gewenste beeldkwaliteit van de te realiseren bebouwing en de (beeld)kwaliteit van de te realiseren openbare ruimten.

In artikel 4, lid 2, zijn procedurevoorschriften voor uitwerkingsplannen opgenomen.

6.3. Het ontwerpuitwerkingsplan is met ingang van 29 december 2014 ter inzage gelegd. Vast staat dat de Nota van uitgangspunten is opgesteld op 15 april 2015. In artikel 9, lid 3.3, van de voorschriften van het bestemmingsplan is niet bepaald dat een Nota van uitgangspunten moet worden opgesteld voordat een ontwerpuitwerkingsplan wordt opgesteld. Een dergelijke verplichting vloeit evenmin uit een ander voorschrift van het bestemmingsplan voort. De Nota van uitgangspunten is opgesteld voordat het plan op 23 juni 2015 werd vastgesteld. Het betoog faalt.

Maximum aantal woningen

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het uitwerkingsplan 16 woningen in plaats van, zoals beoogd, maximaal 8 woningen mogelijk maakt.

7.1. Het college stelt dat uit artikel 4, lid 4.2.1, onder d, van de planregels blijkt dat met hoofdgebouwen woningen bedoeld zijn en dat ook uit de plantoelichting blijkt dat maximaal 8 woningen mogelijk worden gemaakt. Het college verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien door in artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels het woord "hoofdgebouwen" te wijzigen in "woningen", als de Afdeling tot het oordeel komt dat het betoog slaagt.

7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels mogen in totaal ten hoogste 8 hoofdgebouwen opgericht worden.

Ingevolge lid 4.2.1, onder d, worden hoofdgebouwen vrijstaand, half vrijstaand of aaneengebouwd (ten hoogste twee aaneen).

Ingevolge artikel 1, lid 1.39, wordt onder "woning" verstaan: een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van een huishouden.

In paragraaf 1.1 van de plantoelichting staat dat het plan voorziet in het splitsen van het perceel in vijf kleinere uitgeefbare kavels en bijbehorende infrastructuur ten behoeve van 5 tot 8 onder "zelfrealisatie" te bouwen woningen met bijbehorende parkeervoorzieningen.

7.3. Vast staat dat is beoogd in het plangebied maximaal 8 woningen toe te staan. Uit artikel 4, lid 4.2.1, onder a en d, van de planregels volgt naar het oordeel van de Afdeling dat maximaal 8 hoofdgebouwen zijn toegestaan. De planregels sluiten echter niet uit dat in een hoofdgebouw meerdere woningen als bedoeld in artikel 1, lid 1.39, van de planregels worden gerealiseerd, nu in een hoofdgebouw meerdere complexen van ruimten die blijkens de indeling en inrichting bestemd zijn voor de huisvesting van een huishouden aanwezig kunnen zijn. In zoverre bestaat er een discrepantie tussen wat de planregels mogelijk maken en de bedoeling van het college. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Op het verzoek van het college om zelf in de zaak te voorzien zal hierna onder 22 worden ingegaan.

Definitiebepalingen

8. Volgens [appellant sub 1] is niet duidelijk wat in het uitwerkingsplan wordt verstaan onder de begrippen "kavel", "bouwkavel" en "kaveloppervlakte". Daardoor is evenmin duidelijk wat wordt bedoeld met de opsplitsing in vijf kavels en met de kaveloppervlakte. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren verder aan dat onduidelijk is hoe het begrip "peil" wordt gebruikt bij het meten van de hoogte van de bebouwing.

8.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.30, wordt onder "kavel" verstaan: de oppervlakte van een afgebakend stuk grond waarop één hoofdgebouw komt te staan. In totaal zijn er ten hoogste 8 kavels toegestaan.

In paragraaf 2.1 van de plantoelichting is een figuur opgenomen, waarin een impressie is gegeven van de kavels binnen het plangebied.

8.1.1. Op zichzelf is in artikel 1, lid 1.30, van de planregels een omschrijving van het begrip "kavel" gegeven die duidelijk maakt wat in het uitwerkingsplan onder "kavel" moet worden verstaan. Hieruit kan tevens worden afgeleid wat onder het begrip "kaveloppervlakte" moet worden verstaan. Zoals echter volgt uit 7.3, heeft het college beoogd te regelen dat een kavel een afgebakend stuk grond is waarop één woning komt te staan. In zoverre wijkt artikel 1, lid 1.30, van de planregels eveneens af van wat het college heeft beoogd, nu daarin sprake is van een hoofdgebouw in plaats van een woning. Door deze discrepantie kan voorts onduidelijkheid ontstaan over de betekenis van het begrip "kavel". Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt in zoverre.

Het begrip "bouwkavel" komt in het uitwerkingsplan niet voor. Voor zover wordt aangevoerd dat het begrip "bouwperceel" of "bouwvlak" onduidelijk is, overweegt de Afdeling dat ook van die begrippen een omschrijving in artikel 1 van de planregels is opgenomen. Het betoog faalt in zoverre.

8.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.34, van de planregels wordt onder "peil" verstaan:

-voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

-in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

8.3. Het college stelt dat op grond van deze begripsbepalingen als peil de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld gehanteerd wordt, omdat een onmiddellijk aan de weg grenzende hoofdtoegang van een gebouw in dit plan niet mogelijk is. Bij het meten van de bouwhoogte van een bouwwerk wordt aldus als startpunt uitgegaan van de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat uit de planregels niet kan worden afgeleid vanaf welk punt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten zal moeten worden. Het betoog faalt.

Maximum bebouwingspercentage

9. [appellant sub 1] voert aan dat ten onrechte geen percentages als bedoeld in artikel 7, lid 7.1, van de planregels van het ontwerpuitwerkingsplan op de verbeelding zijn opgenomen. Ter zitting heeft [appellant sub 1] in aanvulling hierop aangevoerd dat in het bestemmingsplan is bepaald dat een maximumbebouwingspercentage van 25 inclusief de aan- en bijgebouwen in acht moet worden genomen en dat dit in het uitwerkingsplan ten onrechte niet is overgenomen.

9.1. Ingevolge artikel 9, lid 2.2, onder j, van de voorschriften van het bestemmingsplan geldt als uitgangspunt voor de woonpercelen een bebouwingspercentage van 25% (hoofdgebouw en erfbebouwing).

9.2. Artikel 7, lid 7.1, van de planregels van het ontwerpuitwerkingsplan luidde als volgt:

a. Het op de planverbeelding in een bouwvlak vermelde percentage geeft aan, hoeveel procent van het oppervlak van dat bouwvlak maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen;

b. De op de planverbeelding aangegeven bouwvlakken waarin geen percentages zijn geplaatst, mogen volledig worden bebouwd met gebouwen en overkappingen, tenzij in de bestemmingsregels anders is bepaald;

c. Het op de planverbeelding in een bouwvlak vermelde percentage heeft geen betrekking op bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of overkappingen.

9.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder b en c, van de planregels mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken gebouwd worden en mag het totale beganegrondvloeroppervlak van het hoofdgebouw ten hoogste 25% van de uitgegeven kaveloppervlakte bedragen.

Ingevolge lid 4.2.2, onder a, bedraagt het gezamenlijke oppervlak van aan- en uitbouwen, garages, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50% van het zij- en achtererf van de woning tot een maximum van 50 m².

Ingevolge lid 4.2.2, onder b, mag, indien het zij- en achtererf een grotere oppervlakte heeft dan 100 m², bij de maximale oppervlakte van 50 m² een percentage van 10% van het meerdere worden opgeteld, tot een maximum van 75 m².

9.4. [appellant sub 1] heeft er in zijn zienswijze op gewezen dat de in artikel 7, lid 7.1, van de planregels bedoelde percentages ontbreken op de verbeelding. In reactie op deze zienswijze heeft het college artikellid 7.1 van de planregels laten vervallen in het vastgestelde uitwerkingsplan. Volgens het college zijn de bedoelde percentages en de daarbij behorende planregeling thans onderdeel van artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels. In dat artikellid is een maximumbebouwingspercentage voor het hoofdgebouw opgenomen. Daarnaast zijn in lid 4.2.2 maximumbebouwingspercentages en maximale oppervlakten voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen opgenomen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college met deze planregeling niet voldoende heeft vastgelegd welk percentage van de kavels maximaal bebouwd mag worden. Nu voor elk kavel eenzelfde maximumbebouwingspercentage geldt, kon het college ervan afzien dit percentage ook op de verbeelding op te nemen. Het betoog faalt in zoverre.

9.5. Voor zover [appellant sub 1] daarnaast heeft aangevoerd dat deze planregeling niet in overeenstemming is met artikel 9, lid 2.2, onder j, van de voorschriften van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat het betoog in zoverre slaagt. Uit artikel 4, lid 4.2.1, onder c, in samenhang met lid 4.2.2, onder a en b, van de planregels volgt immers dat meer dan 25% van een kavel bebouwd kan worden met hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, garages, bijgebouwen en overkappingen, terwijl in het bestemmingsplan tot uitgangspunt is genomen dat in totaal niet meer dan 25% van een woonperceel wordt bebouwd. Het college heeft niet gemotiveerd waarom het is afgeweken van dit uitgangspunt.

Afwijkingsbevoegdheden

10. [appellant sub 1] voert aan dat het college zichzelf ten onrechte afwijkingsbevoegdheden heeft toegekend, omdat het bestemmingsplan daar niet in voorziet. [appellant sub 1] voert verder aan dat de afwijkingsbevoegdheden uit artikel 4, lid 4.3.1, en artikel 8 van de planregels te ruim zijn.

10.1. Het college stelt dat de algemene afwijkingsregels uit artikel 8 geringe afwijking van de voorgeschreven maten mogelijk maakt en dat dit geen verruiming is ten opzichte van de afwijkingsregels van het bestemmingsplan. Als van het uitwerkingsplan wordt afgeweken, dan moet daarvoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd, in welk kader steeds een afweging plaatsvindt, aldus het college. Verder stelt het college dat de door [appellant sub 1] bedoelde bepaling uit artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels is aangepast.

10.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn burgemeester en wethouders bevoegd - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking kan worden verleend - afwijking van de regels in het plan te verlenen voor:

a. afwijkingen van voorgeschreven maten, waaronder percentages, met ten hoogste 10%. Het moet hierbij primair gaan om het oplossen van knelpunten waar het bestemmingsplan niet in voorziet en waartegen in planologisch opzicht geen bezwaar bestaat en niet om de bouwmogelijkheden bij voorbaat al te vergroten;

(…)

g. afwijkingen van het bestemmingsplan, ten einde de uitvoering van een bouwplan mogelijk te maken, indien op grond van een definitieve uitmeting of in verband met de verkaveling of situering blijkt, dat aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk zou zijn en de afwijking van zo ondergeschikte aard blijft, dat de structuur van het bestemmingsplan niet wordt aangetast;

h. overschrijding van bouwgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch of ruimtelijke kwaliteit i.p.v. esthetisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen;

(…).

Ingevolge lid 8.2 wordt afwijking in ieder geval niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder f, voor het overschrijden van de maximale bouwhoogte van aan- en uitbouwen middels een kap, mits dit niet op stedenbouwkundige bezwaren stuit.

Ingevolge lid 4.2.2, onder f, bedraagt de bouwhoogte van aangebouwde bijgebouwen in afwijking van het bepaalde onder e ten hoogste 2/3e van de bouwhoogte van het hoofdgebouw, met een maximum van 5 meter, mits de goothoogte ten hoogste 0,40 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden bedraagt.

10.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

Ingevolge het derde lid maakt een uitwerking als bedoeld in het eerste lid, onder b, deel uit van het plan.

10.4. Nu het uitwerkingsplan deel uitmaakt van het bestemmingsplan, waarin op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, afwijkingsregels kunnen worden opgenomen, staat geen rechtsregel eraan in de weg in een uitwerkingsplan afwijkingsmogelijkheden op te nemen, mits de uitwerkingsregels uit het bestemmingsplan hierbij in acht worden genomen. In hetgeen is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college met de afwijkingsmogelijkheden uit artikel 4, lid 4.3.1, en artikel 8, lid 8.1, van de planregels buiten de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan is getreden. Dit betreft immers afwijkingen van ondergeschikte aard, waarbij aan de voorwaarden als genoemd in deze artikelen moet worden voldaan, hetgeen wordt beoordeeld in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning. Ingevolge artikel 8, lid 8.2, van de planregels wordt de omgevingsvergunning niet verleend als daardoor onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan als zodanig bestemde gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Het betoog faalt.

Stedenbouwkundige aspecten

11. [appellant sub 1] betoogt dat het uitwerkingsplan niet in overeenstemming is met artikel 9, lid 2.2, van de voorschriften van het bestemmingsplan over de stedenbouwkundige inrichting van het gebied. Hij voert hiertoe aan dat niet is voldaan aan de minimumafstand van 5 meter tussen de uitgiftegrens en het bouwvlak aan de achterzijde. Verder is volgens [appellant sub 1] niet voldaan aan het vereiste van een "open bebouwingsstructuur" dat geldt voor het tweede bebouwingslint naast de Haagweg. [appellant sub 1] voert voorts aan dat het zogenoemde vergeeste duinlandschap verloren gaat door het uitwerkingsplan en dat het plangebied wat dit betreft ten onrechte vergeleken wordt met andere in ontwikkeling zijnde gebieden. Ter onderbouwing van deze beroepsgronden heeft [appellant sub 1] een stedenbouwkundig advies van de maatschap voor Ruimtelijke Ordening B.V. van 17 maart 2016 (hierna: stedenbouwkundig advies van mRO) overgelegd. Ter zitting heeft [appellant sub 1] onder verwijzing naar dit advies aangevoerd dat het uitwerkingsplan afbreuk doet aan de kwaliteit van het karakteristieke bebouwingslint.

11.1. Het college stelt dat artikel 9, lid 2.2, van de voorschriften van het bestemmingsplan ziet op een groter gebied dan het plangebied. Voor het plangebied gelden de specifieke inrichtingsaspecten voor deelgebied A. Volgens het college wordt aan die inrichtingsaspecten voldaan. Het college wijst er in dit kader op dat alleen twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen zijn toegestaan en dat de kavels in het plangebied ruimer zijn dan gemiddeld in de Westlandse Zoom. Omdat het totale plangebied ongeveer 4.100 m² omvat, ontstaat er met 8 woningen een dichtheid van 20 woningen per ha. Een dergelijke bebouwingsdichtheid is te typeren als landelijk of dorps en past in de omgeving, aldus het college. Doordat op de verbeelding bouwvlakken zijn opgenomen gelden in samenhang met de planregels voorts bepaalde minimumafstandsmaten tussen gebouwen en wordt een open structuur nagestreefd. De te realiseren gebouwen krijgen daarnaast een maximale footprint van 70 m² tot 145 m², wat vergelijkbaar is met de bebouwing aan de Haagweg. Verder maakt het plangebied volgens het college deel uit van het "vergeeste" duinlandschap. Ter zitting heeft het college in reactie op het stedenbouwkundig advies van mRO gesteld dat het plangebied geen deel uitmaakt van de strook met bebouwing langs de Haagweg, maar van het daarachter gelegen gebied, waar reeds volgens het bestemmingsplan woningbouw is voorzien. Het college stelt dat de minimumafstand tussen de uitgiftegrens en het bouwvlak aan de achterzijde 5 meter moet bedragen en erkent dat hier in een klein deel van het plangebied niet aan wordt voldaan.

11.2. Ingevolge artikel 9, lid 2.2, van de bestemmingsplanvoorschriften gelden voor de inrichting van de in lid 1.1 bedoelde bestemming de volgende bepalingen:

(…)

c. Binnen het op de kaart aangegeven "Deelgebied A":

-dient bij de stedenbouwkundige inrichting te worden aangesloten op het westelijk gelegen duinlandschap waarbij de nadruk ligt op een "open" bebouwingstructuur;

(…)

h. Binnen de onderscheiden deelgebieden kan, indien de stedenbouwkundige situatie daartoe aanleiding geeft, medewerking worden verleend voor de bouw van blokken van 3 of meer aaneengesloten eengezinswoningen tot ten hoogste 10% van het aantal te bouwen woningen; voor het overige zullen hoofdzakelijk vrijstaande of blokken van ten hoogste twee aaneengesloten eengezinswoningen worden gebouwd.

11.3. De Afdeling stelt voorop dat het plangebied ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen" heeft op grond waarvan woningbouw met inachtneming van de uitwerkingsregels is toegestaan. In de bestemmingsplanvoorschriften is niet nader ingevuld wat onder een "open" bebouwingsstructuur moet worden verstaan en wanneer de stedenbouwkundige inrichting aansluit bij het westelijk gelegen duinlandschap. In de toelichting van het bestemmingsplan staat over de stedenbouwkundige inrichting dat wordt gestreefd naar gebieden met een hoge ruimtelijke kwaliteit door het integreren van bestaande, te handhaven situaties, de ontwikkeling van een duidelijke water- en groenstructuur en het creëren van ruimtelijke verbijzonderingen bij de inrichting en de bebouwing. Wat betreft de aantallen te bouwen woningen is volgens de toelichting van het bestemmingsplan gekozen voor een zekere mate van flexibiliteit om gedurende de looptijd van het plan in te kunnen spelen op maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen en de prijsontwikkelingen op de woningmarkt. Verder staat in de plantoelichting dat het duinengebied een relatief vrije verkaveling kent waar doorheen water- en groenelementen zijn verweven. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het uitwerkingsplan wat betreft de stedenbouwkundige inrichting niet aan artikel 9, lid 2.2, onder c en h, van de voorschriften van het bestemmingsplan voldoet. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het uitwerkingsplan alleen vrijstaande, half vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen mogelijk maakt. Verder moeten op grond van artikel 4, lid 4.2.1, onder h, van de planregels bepaalde minimumafstanden tussen hoofdgebouwen binnen een bouwvlak in acht worden genomen en hebben de hoofdgebouwen op grond van artikel 4, lid 4.2.1, onder c, van de planregels een bepaalde maximale beganegrondoppervlakte. Het college heeft zich gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wordt aangesloten bij het westelijk gelegen duinlandschap en dat een zekere open bebouwingsstructuur gewaarborgd is. Het betoog faalt in zoverre.

11.4. In paragraaf 2.1 van de toelichting van het uitwerkingsplan staat dat ten aanzien van het plangebied onder meer als stedenbouwkundige randvoorwaarde geldt dat de minimumafstand tussen de uitgiftegrens en de bebouwingszone aan de achterzijde 5 meter bedraagt. Ter zitting is vastgesteld dat de afstand tussen de inspringing in de noordwestelijke uitwerkingsplangrens en het noordwestelijk gesitueerde bouwvlak ongeveer 4,20 meter bedraagt. Op grond van artikel 4, lid 4.2.1, onder b, van de planregels mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken gebouwd worden. Aan de randvoorwaarde om aan de achterzijde, tussen het perceel van [appellant sub 1] en een bouwvlak, een bebouwingsvrije zone van 5 meter te hanteren, wordt derhalve niet geheel voldaan. In zoverre bestaat er een discrepantie tussen wat op grond van de planregels en de verbeelding mogelijk is en de bedoeling van het college. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt in zoverre.

Privacy, uitzicht en bezonning

12. [appellant sub 1] betoogt dat het uitwerkingsplan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn privacy, uitzicht en de bezonning van zijn perceel. Door de toegestane bouwhoogte zal hij minder licht, bezonning en uitzicht ervaren op en vanaf zijn perceel. Verder onttrekt de aanwezige beplanting de nieuwe woningen niet volledig aan zijn zicht en is [partij A] voornemens om de nog aanwezige bomen te rooien, aldus [appellant sub 1].

Verder ontstaat er volgens [appellant sub 1], doordat te dicht op de erfgrens kan worden gebouwd, vanuit de nieuwe woningen zicht op zijn erf en in zijn woning. Voor [appellant sub 1] is het onduidelijk waarom de privacy minder ernstig wordt aangetast door het hanteren van verschillende maaiveldhoogten.

12.1. Het college stelt dat de toegestane goot- en bouwhoogte van 7 en 11 meter minder hoog zijn dan volgens de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan is toegestaan. Verder wijst het college op de bebouwingsvrije zone die wordt gehanteerd tussen de bestaande en de nieuwe woningen. Het college stelt daarnaast dat de hinder minder zal zijn door de verschillende maaiveldhoogten. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het maaiveld in het plangebied ongeveer 30 tot 40 cm lager ligt dan het maaiveld van de aangrenzende percelen van onder meer [appellant sub 1]. Verder heeft het college er ter zitting op gewezen dat de nieuwe woningen schuin achter de woning van [appellant sub 1] komen te staan en niet recht erachter.

12.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.2.4, onder a, sub 1, van de bestemmingsplanvoorschriften dient binnen deelgebied A voor de eengezinswoningen te worden uitgegaan van ten hoogste drie bouwlagen al dan niet met kap of een substituutlaag.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder e, f en g, van de planregels van het uitwerkingsplan bedragen de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen ten hoogste de met de aanduidingen "maximale goothoogte (m)" en "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven goot- en bouwhoogte en mag de goothoogte alleen worden overschreden met een kap.

12.3. Op de verbeelding is een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter aangegeven. Vast staat dat deze maximale goot- en bouwhoogte voldoen aan de genoemde uitwerkingsregel uit het bestemmingsplan en dat deze daarom in beginsel aanvaardbaar moeten worden geacht voor zover het de gevolgen die dit heeft voor de privacy, het uitzicht en de bezonning betreft.

De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de gronden met de bestemming "Woongebied" waarop een bouwvlak is voorzien, ongeveer 14 meter bedraagt. In aanmerking nemend dat er geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de verwezenlijking van het uitwerkingsplan zijn gemoeid dan aan de belangen van [appellant sub 1] bij het behoud van zijn uitzicht.

Verder heeft het college ter zitting toegelicht op welke wijze de verschillende maaiveldhoogten maken dat er minder zicht vanuit de nieuwe woningen op het perceel van [appellant sub 1] zal bestaan, dan wanneer sprake zou zijn van een gelijk maaiveld. Naast de lagere ligging van het plangebied, zorgt de in het plangebied aanwezige beplanting ervoor dat de inkijk op het perceel van [appellant sub 1] wordt beperkt. Voorts is in de Nota van uitgangspunten opgenomen dat de aanleg van een groene omzoming van de woonkavels met gebiedseigen soorten een van de uitgangspunten voor het uitwerkingsplan is en is in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en [partij A] opgenomen dat de woonkavels groen moeten worden ingericht. Onder deze omstandigheden heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitwerkingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 1].

De betogen falen.

Groenvoorziening

13. [appellant sub 1] voert aan dat het uitwerkingsplan ten onrechte niet waarborgt dat een groenvoorziening wordt aangelegd en in stand gehouden. Dat dit noodzakelijk is volgt volgens [appellant sub 1] uit de Nota van uitgangspunten. Dat in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en [partij A] is opgenomen dat 10% van het plangebied groen moet worden ingericht, biedt aan derden onvoldoende zekerheid, aldus [appellant sub 1].

13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de groene invulling zoals in de Nota van uitgangspunten omschreven via de anterieure overeenkomst voldoende is gewaarborgd. Bovendien is volgens het college niet in het bestemmingsplan voorgeschreven dat 10% van het plangebied groen moet worden ingericht.

13.2. In de Nota van uitgangspunten is als een van de uitgangspunten voor het uitwerkingsplan genoemd: "de aanleg van een groene omzoming van de woonkavels met gebiedseigen soorten". De gronden met de bestemming "Woongebied" zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen. Die gronden zijn in eigendom van [partij A]. In de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en [partij A] is opgenomen dat [partij A] zich jegens de gemeente verplicht om tenminste 10% van de onderhavige, te bebouwen, kavels "groen" in te richten en "groen" te houden. Nu uit de Nota van uitgangspunten en de anterieure overeenkomst kan worden afgeleid dat een groene inpassing van de te realiseren woningen volgens het college noodzakelijk is met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het uitwerkingsplan, heeft het college de aanleg en instandhouding van de groene omzoming ten onrechte niet in het uitwerkingsplan geregeld. Het betoog van [appellant sub 1] dat de door het college noodzakelijk geachte groenvoorzieningen onvoldoende in het uitwerkingsplan zijn gewaarborgd slaagt.

Waterberging

14. [appellant sub 1] voert aan dat uit de e-mail van 11 december 2014 van N. van den Bedem, beleidsmedewerker Ruimtelijke Planvorming van het hoogheemraadschap, niet volgt dat het hoogheemraadschap heeft ingestemd met de waterparagraaf van het uitwerkingsplan, nu uit de e-mail niet blijkt dat deze namens het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap is verzonden.

14.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid aanhef en onder b en c, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg zijn neergelegd.

Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

14.2. De Afdeling begrijpt het betoog aldus, dat het uitwerkingsplan in strijd met deze bepalingen is vastgesteld. In paragraaf 4.4.2 van de plantoelichting is vermeld op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het uitwerkingsplan voor de waterhuishouding. Hierin wordt verwezen naar het onderzoeksrapport "Watertoets plangebied Haagweg nabij nr. 39 te Monster" van 13 oktober 2014. Het hoogheemraadschap heeft volgens de plantoelichting ingestemd met de manier waarop water wordt geborgen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het uitwerkingsplan in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid aanhef en onder b en c, of artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is vastgesteld. Uit de plantoelichting blijkt op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het uitwerkingsplan voor de waterhuishouding en met de uitkomsten van het onder meer met het hoogheemraadschap gevoerde overleg. Dat het college overleg met het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap heeft gevoerd, blijkt naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam uit de e-mailwisseling tussen de medewerker van de gemeente Westland en de beleidsmedewerker van het hoogheemraadschap. Het betoog faalt.

Paardenhouderij

15. [appellant sub 2] stelt op zijn perceel hobbymatig paarden te houden. [appellant sub 2] betoogt dat het uitwerkingsplan gelet op het gemeentelijke beleid, zoals neergelegd in de beleidsnotitie "Paarden houden in Westland" van 18 november 2008 (hierna: de beleidsnotitie), woningen op een te korte afstand van zijn paardenhouderij mogelijk maakt. Hij vreest hierdoor te worden belemmerd in dit gebruik van zijn perceel. Volgens [appellant sub 2] moet de afstand tussen de nieuwe woningen en de paardenstallen ten minste 19 meter zijn. [appellant sub 2] is bereid de paardenstal die grenst aan de achterzijde van het perceel in noordelijke richting te verplaatsen, mits de gemeente of [partij A] een financiële bijdrage levert aan de daarmee gepaard gaande kosten.

15.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen waarin het plan voorziet is gewaarborgd, omdat voldoende afstand tot de paardenhouderij in acht is genomen en het gebruik als paardenhouderij eindig is. Het college stelt dat het perceel van [appellant sub 2] behoort tot gebiedstype 1 als bedoeld in de beleidsnotitie, waar het houden van paarden niet is toegestaan. Voorts beroept het college zich op privaatrechtelijke afspraken over beëindiging van het gebruik als paardenhouderij. Daarnaast stelt het college dat de volgens de beleidsnotitie in acht te nemen minimumafstand van 15 meter niet op het hobbymatig houden van paarden, zoals hier aan de orde, van toepassing is en dat ook overigens geen normen gelden voor het hobbymatig houden van paarden.

15.2. Niet in geschil is dat op het perceel [locatie 2] hobbymatig paarden worden gehouden en niet bedrijfsmatig. [appellant sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat maximaal vijf dressuurpaarden worden gehouden. Ter zitting is aan de hand van door [appellant sub 2] overgelegde foto’s vastgesteld dat zich op het perceel een paardenbak en paardenstallen aan weerszijden van een trainingsmolen voor de paarden bevinden. [appellant sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat van de paardenbak geen hinder te verwachten valt omdat deze besproeid kan worden. Van de paardenstallen zullen de nieuwe bewoners volgens [appellant sub 2] naar verwachting wel hinder ondervinden, omdat onder meer geurhinder en hinder van vliegen niet geheel te voorkomen is. Ter zitting is vastgesteld dat een van de paardenstallen zich op een afstand van ongeveer 1 meter van het plangebied bevindt. De kortste afstand tussen een paardenstal en een nieuw te bouwen woning is daardoor ongeveer 6 meter. [appellant sub 2] heeft verder ter zitting gesteld dat de afgesloten mestopslagvoorziening zich aan de Haagweg bevindt.

[appellant sub 2] heeft een bouwvergunning van 24 mei 1988 overgelegd voor het aanbrengen van een luifel aan een bestaande paardenstal. Dit betreft de nabij het plangebied gelegen paardenstal. Het college heeft een overeenkomst van 17 december 1987 overgelegd tussen de voormalige gemeente Monster en [appellant sub 2], waaruit blijkt dat het houden van paarden is toegestaan zolang [appellant sub 2] op het perceel woont, maar dat dit gebruik moet worden beëindigd en dat de paardenstal moet worden gesloopt als [appellant sub 2] dit perceel vervreemdt. Desgevraagd heeft het college ter zitting niet kunnen verduidelijken of het houden van paarden op het perceel van [appellant sub 2] en de daarbij behorende bebouwing planologisch is toegestaan. Volgens [appellant sub 2] is het gebruik en de bebouwing als zodanig bestemd in het bestemmingsplan, nu de gronden de bestemming "Uit te werken woondoeleinden" hebben en op grond daarvan onder meer zijn bestemd voor recreatieve en sportieve doeleinden.

15.3. In geschil is welke betekenis toekomt aan de beleidsnotitie die door het college is vastgesteld. De Afdeling overweegt daarover het volgende. In de beleidsnotitie is vermeld dat deze tot doel heeft om op integrale wijze een handzame set van toetsingscriteria te geven op basis waarvan besloten kan worden of de verschillende paardenhouderijen passen binnen de visie van de gemeente. In de beleidsnotitie wordt onderscheid gemaakt tussen paardenhouderijen met een hobbymatig karakter en bedrijfsmatige paardenhouderijen. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat de beleidsnotitie niet van toepassing is op hobbymatige paardenhouderijen, kan dit standpunt derhalve niet worden gevolgd.

In de beleidsnotitie wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen drie gebiedstypen: "woonkernen en bedrijventerreinen" (gebiedstype 1), "glastuinbouwgebied" (gebiedstype 2) en "recreatiegebied en groenzones" (gebiedstype 3). In de beleidsnotitie is vermeld dat aan de hand van het toepasselijke bestemmingsplan wordt vastgesteld tot welk gebiedstype een locatie behoort. Nu het perceel van [appellant sub 2] de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Uit te werken woondoeleinden" heeft, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat dit perceel behoort tot gebiedstype 1. Volgens de beleidsnotitie zijn zowel hobbymatige als bedrijfsmatige paardenhouderijen op locaties binnen dit gebiedstype niet toegestaan. Alleen op locaties die behoren tot gebiedstype 2 kan, onder meer onder de voorwaarde dat een afstand van 15 meter tussen een paardenbak en een woning van derden wordt gehanteerd, een paardenhouderij worden toegestaan. In de beleidsnotitie is vermeld dat die afstand tot stand is gekomen door toepassing van een correctie op de bij een professionele paardenhouderij aan te houden afstand. Uitgaande van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) geldt volgens de beleidsnotitie een richtafstand van 50 meter tussen een professionele paardenhouderij of manege en een woning in een rustige woonwijk. Volgens de beleidsnotitie is het gerechtvaardigd om de afstand met twee stappen te verlagen tot 15 meter, vanwege het hobbymatige karakter en vanwege de ligging in een gemengd gebied.

Volgens de beleidsnotitie zal tegen bestaande illegale situaties handhavend worden opgetreden. De bestaande illegale situaties zijn aangeduid op een overzichtskaart, waarop het perceel van [appellant sub 2] niet als zodanig is aangeduid. Ter zitting heeft het college onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overeenkomst gesteld dat de paardenhouderij op dit perceel is toegestaan zolang [appellant sub 2] hier woont. Het college acht het wenselijk dat dit gebruik daarna eindigt. Ter zitting is echter niet gebleken dat de woning binnen de planperiode zal worden vervreemd.

15.4. Zoals blijkt uit hetgeen onder 15.2 is overwogen, heeft het college zich bij het nemen van het bestreden besluit geen rekenschap gegeven van het op het perceel [locatie 2] planologisch toegestane gebruik en de toegestane bebouwing en van de mogelijke gevolgen die dit heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het uitwerkingsplan toegestane woningen. Verder blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dat niet is onderbouwd waarom een afstand van 6 meter tussen een paardenstal en een op te richten woning ruimtelijk aanvaardbaar is, terwijl aannemelijk is dat hiervan hinder kan ontstaan voor de nieuwe bewoners. Dit klemt te meer nu in de beleidsnotitie een afstand van 15 meter is genoemd als minimumafstand, welke afstand het college kennelijk minimaal noodzakelijk acht voor het kunnen waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat voor bestaande woningen op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] ook niet aan deze afstand van 15 meter wordt voldaan, overweegt de Afdeling dat dit niet betekent dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd voor de voorziene nieuwe woningen. Het enkele gegeven dat in een overeenkomst is vastgelegd dat het gebruik als paardenhouderij moet worden gestaakt als [appellant sub 2] zijn woning vervreemdt, betekent naar het oordeel van de Afdeling evenmin dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen daarmee is gewaarborgd, nu aan de overeenkomst planologisch geen betekenis toekomt.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover het de gevolgen van de aanwezigheid van een hobbymatige paardenhouderij op het perceel [locatie 2] voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen betreft. Nu het college onvoldoende heeft onderbouwd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aldaar gewaarborgd is, is evenmin deugdelijk gemotiveerd dat [appellant sub 2] door het uitwerkingsplan niet zal worden belemmerd in het gebruik van zijn perceel voor het houden van paarden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen. Het betoog slaagt.

Ontsluiting

16. [appellant sub 1] voert aan dat de in het plangebied voorziene weg te smal is en ten onrechte geen verkeersbestemming heeft. Verder heeft [appellant sub 1] ter zitting, onder verwijzing naar het stedenbouwkundig advies van mRO, aangevoerd dat de ontsluiting van het plangebied niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan omdat deze ontsluiting niet is voorzien ter plaatse van de aanduiding "Ontsluitingspunt autoverkeer" en in de weg staat aan de aanleg van een ontsluitingsweg ter plaatse van die aanduiding.

16.1. Het college stelt dat het plangebied wordt ontsloten op het Verlengde Schelpenpad met een 10 meter brede ontsluiting, waarna het verkeer richting de Haagweg kan rijden. De ontsluitingsweg in het plangebied wordt 4 meter breed. Door de parkeerplaatsen op het eigen terrein van de woningen haaks op de weg te situeren, kunnen auto’s het plangebied volgens het college vooruit rijdend verlaten. Verder wijst het college op de geringe hoeveelheid verkeer dat van de weg gebruik zal maken. In reactie op de gestelde strijdigheid met het bestemmingsplan heeft het college ter zitting toegelicht dat weliswaar 7 pijlen op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn aangeduid, maar dat dat niet betekent dat er ook 7 ontsluitingen voor autoverkeer zullen komen. Volgens het college zijn 3 tot 4 ontsluitingen voorzien. De aanduidingen op de verbeelding zijn volgens het college indicatief.

16.2. In het midden van het plangebied, met aan weerszijden de gronden waarop bouwvlakken zijn voorzien, is aan gronden de aanduiding "ontsluiting" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn die gronden bestemd voor een ontsluitingsweg. In zoverre is aan de gronden derhalve een aanduiding toegekend die het mogelijk maakt verkeer af te wikkelen. De gronden met de aanduiding "ontsluiting" hebben een breedte van ongeveer 4 meter en ongeveer 10 meter in het meest westelijk gelegen deel van het plangebied, waar de ontsluitingsweg zal worden aangesloten op een bestaande weg. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ontsluitingsweg gelet op de breedte niet geschikt is om het verkeer dat door maximaal 8 woningen zal worden gegenereerd te verwerken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de verkeersintensiteit op deze weg beperkt zal zijn nu alleen bestemmingsverkeer hier gebruik van zal maken en dat parkeerplaatsen op eigen terrein en haaks op de weg moeten worden gerealiseerd. Het betoog faalt.

16.3. Ingevolge artikel 9, lid 2.3, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan zal de ontsluiting van de in lid 1.1 bedoelde bestemmingen voor autoverkeer in hoofdzaak geschieden vanuit de op de kaart gegeven aanduiding "Ontsluitingspunt autoverkeer".

Volgens de toelichting bij het bestemmingsplan wordt het plangebied ontsloten door de Haagweg, via drie nieuwe aansluitingen waarvan twee op elkaar aangesloten, en de Orberlaan.

Nu op de verbeelding zeven aanduidingen "Ontsluitingspunt autoverkeer" zijn opgenomen, terwijl volgens de plantoelichting is beoogd om drie nieuwe aansluitingen te realiseren, staat niet vast dat ter plaatse van deze aanduiding ter hoogte van het perceel Haagweg 39 een van de aansluitingen op de Haagweg moet worden gerealiseerd. Bovendien staat het uitwerkingsplan er niet aan in de weg dat aan de gronden met de aanduiding "ontsluiting" ter hoogte van het perceel Haagweg 39 een aansluiting richting de Haagweg wordt gekoppeld. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de regeling voor de ontsluiting van het plangebied in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

Parkeren

17. [appellant sub 1] voert aan dat de parkeernorm uit artikel 4, lid 4.2.4, van de planregels te vrijblijvend geformuleerd is.

17.1. Het college stelt dat de bepaling dat de twee parkeerplaatsen op het eigen terrein haaks naast elkaar en niet achter elkaar aangelegd moeten worden voortkomt uit de eis dat beide parkeerplaatsen onafhankelijk van elkaar te gebruiken moeten zijn. Dit is volgens het college voldoende verankerd in de planregels.

17.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.4, van de planregels moeten bij de realisering van de bestemming "Wonen" ten minste twee parkeerplaatsen per woning op het eigen perceel gerealiseerd worden, waarbij wordt uitgegaan van een situering van deze parkeerplaatsen op eigen terrein, haaks op de weg en direct naast elkaar gesitueerd. In het openbaar gebied moet tevens 0,3 parkeerplaats per woning gerealiseerd worden.

17.3. Nu in de voornoemde planregel is bepaald dat ten minste 2 parkeerplaatsen per woning op het eigen perceel gerealiseerd moeten worden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze bepaling onvoldoende stringent is zoals [appellant sub 1] aanvoert. Uit de tekst van de bepaling volgt niet dat daarvan kan worden afgeweken. Het betoog faalt.

Natuur

18. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan. [appellant sub 1] voert aan dat een voortoets verricht had moeten worden, die aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) voorgelegd had moeten worden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren verder aan dat in het rapport "Eco-effectscan Haagweg 39 te Monster" van 10 juli 2014 (hierna: Eco-effectscan) en de "Notitie effecten op Natura 2000 Haagweg 39 te Monster" van 14 november 2014 (hierna: Effectennotitie) ten onrechte is uitgegaan van 5 in plaats van 8 woningen. De toename van het verkeer is relatief groter dan waarvan in de genoemde rapporten is uitgegaan, en ten onrechte is een vergelijking gemaakt met het aantal auto’s en woningen in heel Monster, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. [appellant sub 1] stelt verder dat bij het onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de toename van de uitstoot van stikstof van de HR-ketels van de nieuwe woningen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren voorts aan dat de negatieve gevolgen van cumulatie met andere plannen en projecten niet zijn onderzocht. [appellant sub 2] stelt dat optische verstoring optreedt, nu de bomenrijen zijn gerooid. Gelet op deze gebreken staat volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet vast dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied door realisatie van het uitwerkingsplan niet zullen worden aangetast.

18.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het uitwerkingsplan geen significante negatieve effecten heeft voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Het college stelt dat in de genoemde rapporten is uitgegaan van de voor het bepalen van het effect op de totale stikstofdepositie gangbare rekenmethodiek. Daarbij wordt de stikstofemissie vanwege de mogelijkheden van het uitwerkingsplan afgezet tegen de al aanwezige stikstofemissie in de gehele kern van Monster. Volgens het college is de procentuele toename van belang en niet op welke locatie binnen de kern die toename plaatsvindt. Het college stelt voorts dat de toename van de stikstofemissie per ontwikkeling wordt beoordeeld en dat de stikstofemissie die het gevolg is van de realisatie van 5 of 8 woningen onder 1 mol/ha/jaar zal blijven. Uitgaande van de Leidraad bepaling significantie van het Steunpunt Natura 2000 van 7 juli 2009 is bij een dergelijke geringe toename van de stikstofdepositie volgens het college geen sprake van significante negatieve effecten en kon een passende beoordeling achterwege blijven. Volgens het college zijn vanwege optische verstoring geen negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te verwachten, omdat de kwalificerende habitattypen hiervan geen effect ondervinden en de kwalificerende habitatsoort nauwe korfslak hier niet gevoelig voor is.

18.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 19g.

Ingevolge het vijfde lid geldt de verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een plan als bedoeld in het tweede lid niet in gevallen waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, slechts worden verleend indien het college van gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

18.3. In de Eco-effectscan is vermeld dat het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen" op een afstand van ongeveer 100 meter van het plangebied ligt. Dit Natura 2000-gebied is aangewezen voor de habitattypen Witte duinen, Grijze duinen, Duinheiden met struikhei, Duindoornstruwelen, Duinbossen en Vochtige duinvalleien en de soort Nauwe korfslak. Omdat het realiseren van de woningen zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en een toename van het gebruik van HR-ketels en andere verbrandingsbronnen zal de stikstofemissie volgens de Eco-effectscan toenemen. In het Natura 2000-gebied zijn nabij het plangebied stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Dit betreft met name het prioritaire habitattype Grijze duinen, welk habitattype zeer gevoelig is voor stikstofdepositie. Voor dit habitattype geldt als doelstelling behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Volgens de Eco-effectscan kunnen negatieve effecten op het Natura 2000-gebied van de ontwikkeling die het uitwerkingsplan mogelijk maakt niet op voorhand worden uitgesloten en dient nader onderzoek plaats te vinden. Ter uitvoering daarvan is de Effectennotitie opgesteld. Daarin is vermeld dat de toename van het verkeer door de te bouwen woningen minimaal zal zijn ten opzichte van het totale aantal verkeersbewegingen in Monster. Ook de toename van de uitstoot van stikstof door HR-ketels van de nieuwe woningen zal minimaal zijn ten opzichte van het totaal in Monster, aldus de Effectennotitie. Omdat tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied bebouwing aanwezig is, vindt volgens de Effectennotitie geen optische verstoring van het Natura 2000-gebied plaats. In de Effectennotitie is geconcludeerd dat de realisatie van 5 woningen naar verwachting een te verwaarlozen effect heeft op de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen". In de plantoelichting is op basis van de Eco-effectscan en de Effectennotitie geconcludeerd dat nader onderzoek en een vergunning als bedoeld in de Nbw 1998 niet noodzakelijk zijn.

18.4. Naar aanleiding van de beroepen en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3575, is evenwel nader onderzoek verricht, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport "Voortoets Haagweg 39 te Monster" van Aqua Terra Nova van 15 maart 2016 (hierna: Voortoets). In de Voortoets is uitgegaan van 8 woningen, zodat in zoverre aan de beroepen tegemoet is gekomen.

18.4.1. Verder zijn de gevolgen van het onderhavige uitwerkingsplan in de Voortoets gecumuleerd met de gevolgen van het uitwerkingsplan "Westmade fase 1b", dat maximaal 43 woningen mogelijk maakt aan de andere zijde van het Verlengde Schelpenpad. Desgevraagd heeft het college zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er naast dit plan geen andere plannen of projecten zijn die op grond van de Nbw 1998 hadden moeten worden betrokken bij het onderzoek. Het college heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat ook het uitwerkingsplan "Westmade fase 1b" hier niet bij betrokken had hoeven worden, nu daarvoor nog geen vergunning op grond van de Nbw 1998 is verleend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben dit standpunt ter zitting weersproken en aangevoerd dat cumulatie als bedoeld in de Nbw 1998 ruim moet worden uitgelegd.

De Afdeling overweegt hierover het volgende. Op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 moet voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied worden gemaakt. Het college moet op grond van die bepaling inzichtelijk maken of het uitwerkingsplan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen". De Afdeling stelt vast dat het uitwerkingsplan "Westmade fase 1b" is vastgesteld op 14 juli 2015. Nu dat uitwerkingsplan is vastgesteld na het onderhavige uitwerkingsplan, was dat uitwerkingsplan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een onzekere toekomstige gebeurtenis, waarmee het college geen rekening behoefde te houden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de effecten van het uitwerkingsplan "Westmade fase 1b" buiten beschouwing hadden mogen worden gelaten.

18.4.2. Volgens de Voortoets leidt de realisatie van 8 woningen tot een stikstofdepositie van maximaal 0,35 mol/ha/jaar op het habitattype Grijze duinen. In combinatie met het realiseren van 43 woningen in het plangebied van het uitwerkingsplan

"Westmade fase 1b" bedraagt de stokstofdepositie 0,73 mol/ha/jaar. Gelet op hetgeen onder 18.4.1 is overwogen, laat de Afdeling de stikstofdepositie van het uitwerkingsplan "Westmade fase 1b" verder buiten beschouwing en gaat zij uit van een stikstofdepositie van maximaal 0,35 mol/ha/jaar. In de Voortoets is voorts vermeld dat de kritische depositiewaarde van het habitattype Grijze duinen in het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen" wordt overschreden. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangevoerd dat onder deze omstandigheid, in samenhang met de voor het habitattype Grijze duinen geldende behoud- en verbeterdoelstelling, iedere toename van de stikstofdepositie significante effecten kan hebben. Een passende beoordeling had dan ook volgens hen niet achterwege kunnen blijven.

In hetgeen zij hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het uitwerkingsplan in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 is vastgesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2929 en 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3434), kan de conclusie dat de nadelige effecten die kunnen optreden als gevolg van een plan of project als niet-significant kunnen worden aangemerkt, op zichzelf niet worden gedragen door de enkele stelling dat een vaste getalsmatige grens niet wordt overschreden. Indien uitsluitend van een dergelijke grens wordt uitgegaan wordt immers niet voldaan aan de verplichting de mate waarin aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt voldaan bij de beoordeling van de significantie te betrekken, noch aan de verplichting de significantie van de effecten te beoordelen in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft. Gezien deze uitspraken kan het standpunt van het college dat geen sprake is van significante effecten omdat de stikstofdepositie die het gevolg is van het uitwerkingsplan onder 1 mol/ha/jaar blijft, niet worden aanvaard. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte onder verwijzing naar deze vaste getalsmatige grens op het standpunt gesteld dat geen passende beoordeling hoeft te worden verricht. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat reeds van een overbelaste situatie met betrekking tot stikstofdepositie sprake is en dat voor het prioritaire habitattype Grijze duinen een behoud- en verbeterdoelstelling geldt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voor het uitwerkingsplan ten onrechte geen passende beoordeling gemaakt. Op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm had tevens een milieueffectrapport gemaakt moeten worden. Het betoog slaagt.

18.5. Een passende beoordeling is volgens het college verder niet vereist, omdat in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: PAS) reeds een passende beoordeling is gemaakt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998 van toepassing is, wordt overwogen dat het college de passende beoordeling die in het kader van de PAS is gemaakt niet ten grondslag heeft gelegd en ook niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het uitwerkingsplan, nu de wet tot wijziging van de Nbw 1998 (programmatische aanpak stikstof), het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en de Regeling programmatische aanpak stikstof eerst op 1 juli 2015 in werking zijn getreden en het uitwerkingsplan op 23 juni 2015 is vastgesteld.

18.6. De overige beroepsgronden over de gevolgen van het uitwerkingsplan voor het Natura 2000-gebied kunnen gelet op het voorgaande buiten bespreking blijven.

Privaatrechtelijke belemmering

19. [appellant sub 1] voert aan dat een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van het uitwerkingsplan, omdat hij een (klein) deel van het plangebied in eigendom heeft. Ter zitting heeft [appellant sub 1] toegelicht dat hij een procedure bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt teneinde een verklaring voor recht te verkrijgen inhoudende dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de desbetreffende gronden.

19.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat van een evidente privaatrechtelijke belemmering geen sprake is.

[partij A] heeft ter zitting gesteld onderbouwd te kunnen betwisten dat [appellant sub 1] eigenaar is geworden van de bedoelde gronden.

19.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1737, overweegt de Afdeling dat in het kader van een bestemmingsplanprocedure ter beoordeling staat of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en niet in strijd is met het recht. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een uitwerkingsplan in de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De aanwezigheid van zakelijke rechten is in beginsel niet doorslaggevend. Dit is slechts anders indien op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat een evidente belemmering aan de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode in de weg staat en tevens vaststaat dat niet binnen de planperiode tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. Nu een procedure bij de burgerlijke rechter aanhangig is waarin de vraag centraal staat wie eigenaar is van de bedoelde gronden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, waarvan op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat die in de weg staat aan de verwezenlijking van een deel van het bestreden uitwerkingsplan binnen de planperiode. Het betoog faalt.

Beperking gebruiksmogelijkheden

20. [appellant sub 1] voert aan dat hij door het uitwerkingsplan wordt beperkt in de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Volgens [appellant sub 1] komen de grenzen op de kadastrale ondergrond op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl niet overeen met de plangrens. Ter zitting heeft [appellant sub 1] toegelicht dat het uitwerkingsplan zich ten onrechte mede uitstrekt tot zijn gronden, waardoor hij wordt beperkt in het gebruik van deze gronden.

20.1. Het college stelt dat de meest recente door het kadaster beschikbaar gestelde ondergrond is gebruikt voor het uitwerkingsplan en dat deze ondergrond slechts dient ter oriëntatie. Als uit de procedure bij de burgerlijke rechter naar voren komt dat het uitwerkingsplan zich mede uitstrekt tot gronden van [appellant sub 1], dan leidt dit volgens het college niet tot beperkingen van de gebruiksmogelijkheden voor [appellant sub 1], nu de gronden een woonbestemming hebben.

20.2. Zoals onder 19.2 is overwogen, is een procedure bij de burgerlijke rechter aanhangig om te bepalen wie eigenaar is van de door [appellant sub 1] bedoelde gronden. Reeds daarom kunnen beroepsgronden die uitgaan van de eigendom van [appellant sub 1] in deze procedure niet aan de orde komen. Overigens zijn eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis. Voorts is de kadastrale ondergrond van een verbeelding geen bindend onderdeel daarvan. Aan die ondergrond kunnen dan ook geen rechten ontleend worden in het kader van het uitwerkingsplan. Het betoog faalt reeds hierom.

Conclusie

21. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling gelet op hetgeen onder 7.3, 8.1.1, 9.5, 11.4, 13.2, 15.4 en 18.4.2 is overwogen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 9, lid 2.2, onder j, van de bestemmingsplanvoorschriften, artikel 3:2 en 3:46 van de Awb, artikel 3.1, eerste lid, in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, van de Wro en artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

22. Voor zover het college heeft verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling gelet op het aantal en de aard van de gebreken die aan het bestreden besluit kleven geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien.

23. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

24. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 23 juni 2015 tot vaststelling van het uitwerkingsplan "Haagweg nabij 39 te Monster" met kenmerk 15-0615022;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Westland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

-€ 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1];

-€ 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

-€ 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1]; -€ 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Poppelaars

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

780.