Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201506421/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:5514, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de volgens hem op het perceel [locatie 1] te Sevenum (hierna: het perceel) gevestigde [bierbrouwerij] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506421/1/A1.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 juli 2015 in zaak nr. 14/1619 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de volgens hem op het perceel [locatie 1] te Sevenum (hierna: het perceel) gevestigde [bierbrouwerij] afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Flinsenberg en G. Zoet, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] woont aan de [locatie 2] te Sevenum. Volgens [appellant] wordt op het naastgelegen perceel door [belanghebbende] in strijd met de in het ter plaatse geldende bestemmingsplan aan dat perceel toegekende woonbestemming een [bierbrouwerij] geëxploiteerd. Hij heeft het college bij diverse brieven van september en oktober 2013 verzocht daartegen handhavend op te treden (hierna: het handhavingsverzoek).

Volgens het college is het handhavingsverzoek vergelijkbaar met twee eerdere handhavingsverzoeken van [appellant] waarop het afwijzend heeft beslist. Het college heeft het handhavingsverzoek op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onder verwijzing naar eerdere afwijzende beslissingen afgewezen, omdat volgens hem in het verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld.

2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking.

3. [appellant] betoogt - in de kern weergegeven - dat de rechtbank heeft miskend dat in het handhavingsverzoek nieuw gebleken feiten zijn vermeld. Daartoe voert hij aan dat hij heeft gewezen op een advertentie in het huis-aan-huisblad ’t Klökske voor een cursus die door [bierbrouwerij] zou worden georganiseerd. Deze cursus heeft volgens hem op 5 oktober 2013 plaatsgevonden op het perceel. Het organiseren van een dergelijke cursus wijst erop dat op het perceel een bierbrouwerij wordt geëxploiteerd, aldus [appellant].

[appellant] betoogt verder dat de afwijzing van het handhavingsverzoek berust op onvoldoende onderzoek, omdat het college slechts is afgegaan op een telefonische mededeling van [belanghebbende] dat op 5 oktober 2013 een privébijeenkomst plaatsvond. De advertentie vormde volgens [appellant] op zichzelf al voldoende aanleiding voor het college om nader onderzoek te verrichten naar het gebruik op het perceel.

3.1. [belanghebbende] stelt dat [appellant] geen belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep omdat de bijeenkomst op 5 oktober 2013 al heeft plaatsgevonden, zodat op dit moment geen sprake meer is van een (vermeende) overtreding. De Afdeling volgt dit betoog niet, reeds nu [appellant] belang heeft bij een oordeel over de vraag of het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van het handhavingsverzoek.

3.2. [appellant] heeft het college een aantal malen eerder verzocht om handhavend optreden omdat volgens hem in strijd met de in het bestemmingsplan aan het perceel toegekende woonbestemming een commerciële bierbrouwerij wordt geëxploiteerd. Het college heeft het laatste verzoek van [appellant] bij besluit van 20 november 2012, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 15 juli 2013, afgewezen op de grond dat op het perceel slechts hobbymatig bier wordt gebrouwen en dat dit niet in strijd is met het bestemmingsplan. [appellant] heeft het college bij het handhavingsverzoek opnieuw verzocht om handhavend optreden omdat volgens hem in strijd met het bestemmingsplan op het perceel een commerciële bierbrouwerij wordt geëxploiteerd.

Aangezien de verzoeker om handhaving ([appellant]), het bevoegd gezag (het college) en het onderwerp van het handhavingsverzoek dezelfde zijn als bij het bij het besluit van 20 november 2012 afgewezen handhavingsverzoek, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het handhavingsverzoek een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in het handhavingsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld waaruit blijkt dat de situatie sinds het besluit van 15 juli 2013 in die zin is gewijzigd dat de activiteiten van [bierbrouwerij] het hobbymatig karakter overstijgen en wat ruimtelijke uitstraling betreft niet meer in overeenstemming zijn met de woonbestemming van het perceel. In de advertentie staat dat de bierbrouwers van [bierbrouwerij] een cursus ambachtelijk bierbrouwen geven en dat deze cursus door bierbrouwersgroep Sint Rombout tegen kostprijs wordt georganiseerd. De advertentie vermeldt weliswaar contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) van [belanghebbende], maar niet waar en wanneer de cursus wordt gegeven. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd noopte deze advertentie het college er op zichzelf niet toe op voorhand nader onderzoek op het perceel te verrichten, nu uit de advertentie niet kan worden afgeleid dat de cursus op 5 oktober 2013 op het perceel zou worden gegeven. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college, door naar aanleiding van een melding van [appellant] bij het college op 6 oktober 2013 dat deze cursus op 5 oktober 2013 zou hebben plaatsvinden op het perceel uitsluitend telefonisch navraag te doen bij [belanghebbende], onvoldoende onderzoek naar het gebruik op het perceel heeft gedaan. Daargelaten of het geven van een dergelijke cursus een bedrijfsmatige activiteit is, heeft [appellant] verder met de enkele stelling dat deze cursus op 5 oktober 2013 op het perceel zou zijn gegeven niet aannemelijk gemaakt dat deze cursus op het perceel is gegeven. [appellant] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de personen die op 5 oktober 2013 [bierbrouwerij] bezochten daar waren om de cursus te volgen waarvoor is geadverteerd. Anders dan hij heeft gesteld, blijkt dit niet uit de door hem overgelegde foto’s.

Voor zover [appellant] ter zitting, onder verwijzing naar foto’s, heeft aangevoerd dat de distributie van bier plaatsvindt op het perceel en dat dit wijst op het bedrijfsmatig brouwen van bier, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] eerder heeft verzocht om handhavend optreden vanwege gestelde bezorgactiviteiten en dat het college daarop reeds afwijzend heeft beslist.

Nu in het handhavingsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangevoerd dat buitengewone omstandigheden bestaan waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan, ziet de Afdeling, evenmin als de rechtbank, grond voor vernietiging van het besluit van 9 april 2014.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt, tot slot, dat het college in strijd met het in de Nota integraal handhavingsbeleid 2012-2015 Horst aan de Maas en Venray neergelegde handhavingsbeleid heeft gehandeld. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

414-784.