Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201508211/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Zijdeweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508211/1/R4.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Wassenaar,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wassenaar,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Zijdeweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2016, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door drs. M.W.H. Mulder en R. van der Pijl, beiden werkzaam bij de Werkorganisatie Duivenvoorde, zijn verschenen.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader en planbeschrijving

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een renovatie en uitbreiding van het Van der Valk hotel "Hotel Den Haag Wassenaar" en een herschikking en uitbreiding van de gebouwen van Stichting Nationale Dierenzorg aan de Zijdeweg in Wassenaar. Het plangebied wordt begrensd door de Rijksstraatweg, de Landscheidingsweg, de Zijdeweg, het landgoed "Langenhorst" met boerderij "De Os" en de Veenwatering te Wassenaar.

Reden van het beroep

4. [appellant] en anderen wonen in woonboerderij "De Os" en het oude stalgebouw "De Kleine Os" (hierna: woonboerderij "De Os"), gesitueerd aan de Zijdeweg te Wassenaar nabij het plangebied. Zij vrezen dat het plan leidt tot een aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het plangebied.

Ontvankelijkheid

5. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover het beroep is ingesteld door [persoon A] en [persoon B]. Volgens de raad hebben zij geen zienswijzen over het ontwerpplan naar voren gebracht.

5.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

5.2. De Afdeling stelt vast dat van de appellanten die het beroepschrift van [appellant] en anderen hebben ondertekend, [persoon A] en [persoon B] geen zienswijzen over het ontwerpplan naar voren hebben gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hun dat redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon A] en [persoon B], is niet-ontvankelijk.

5.3. In de navolgende overwegingen wordt met [appellant] en anderen bedoeld [appellant], [persoon C], [persoon D] en [persoon E].

Groenstrook

6. Woonboerderij "De Os" wordt ontsloten via een toegangsweg gelegen ten oosten van Hotel Den Haag Wassenaar en ten westen van het rijksmonument boerderij "Welgelegen". De toegangsweg bevat aan de west- en noordwestzijde beplanting, een zogenoemde groenstrook. In het plan is aan de groenstrook de bestemming "Horeca - 1" toegekend. [appellant] en anderen betogen dat het noodzakelijk is dat de groenstrook in stand wordt gelaten en voorts wordt aangevuld met alle jaargetijden groen blijvende beplanting om te waarborgen dat de in het plan voorziene uitbreiding van Hotel Den Haag Wassenaar gezien vanaf de toegangsweg en boerderij "Welgelegen" aan het zicht wordt onttrokken. Zij voeren hiertoe aan dat het plangebied in de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: Verordening ruimte 2014) is aangeduid als "beschermingscategorie 1 - kroonjuweel cultureel erfgoed", in welk gebied volgens hen is vereist dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ten minste gelijk blijft. Volgens [appellant] en anderen blijft de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied niet ten minste gelijk indien de in het plan voorziene uitbreiding van de bebouwing van Hotel Den Haag Wassenaar niet door middel van een alle jaargetijden groenblijvende groenstrook aan het zicht wordt onttrokken. Het plan bevat op dit punt ten onrechte onvoldoende waarborgen, aldus [appellant] en anderen.

6.1. Het plangebied is op "Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit" bij de Verordening ruimte 2014 aangeduid als "beschermingscategorie 1 - kroonjuweel cultureel erfgoed". Gelet op het bepaalde in artikel 2.2.1, vierde lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, onder a, van de Verordening ruimte 2014 - welke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak - dient, omdat de gronden in het plangebied zijn aangeduid als beschermingscategorie 1, in het plan te zijn gemotiveerd dat bij de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied ten minste gelijk blijft.

6.2. In een beeldkwaliteitsparagraaf in de plantoelichting is toegelicht op welke wijze is gewaarborgd dat bij de in het plan voorziene uitbreiding van Hotel Den Haag Wassenaar de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied ten minste gelijk blijft of mogelijk zelfs verbetert. Op pagina 34 van de plantoelichting staat dat de uitbreiding van Hotel Den Haag Wassenaar wat betreft de bouwhoogte aansluit bij de hoogte van het bestaande deel van het hotel. Het bestaande deel en het nieuwe deel van het hotel worden voorzien van een houten omkleding passend bij de bestaande bebouwing in Wassenaar, aldus de beeldkwaliteitsparagraaf. In de beeldkwaliteitsparagraaf staat voorts dat de landschappelijke inpassing van het voorterrein van het hotel en de bestaande parkeerterreinen door middel van verschillende groenelementen wordt verbeterd, waardoor het totale terrein van Hotel Den Haag Wassenaar een representatief landelijk karakter krijgt. De wijze waarop deze landschappelijke inpassing door middel van verschillende groenelementen zal worden vormgegeven, is uitgewerkt in de bij de plantoelichting gevoegde Landschapsvisie opgesteld door KuiperCompagnons in april 2015 (hierna: de Landschapsvisie). De Afdeling stelt vast dat de doorwerking van de beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in de plantoelichting en de Landschapsvisie is gewaarborgd in artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder h, van de planregels, welke planregel is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Volgens de raad zal, nu de uitbreiding van Hotel Den Haag Wassenaar gepaard gaat met een verbetering van de landschappelijke inpassing van de bestaande bebouwing en buitenterreinen van het hotel, de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied na de in het plan voorziene uitbreiding van het hotel ten minste gelijk blijven of zelfs verbeteren. De omstandigheid dat de uitbreiding van het hotel gezien vanaf boerderij "Welgelegen" en de toegangsweg naar de woonboerderij van [appellant] en anderen niet alle jaargetijden volledig aan het zicht zal zijn onttrokken, doet volgens de raad niet af aan de algehele ruimtelijke kwaliteitsverbetering die met de verbeterde landschappelijke inpassing van de bestaande bebouwing en buitenterreinen van het hotel wordt bereikt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De Afdeling kent hierbij gewicht toe aan de toelichting van de raad dat de bestaande groenstrook aangrenzend aan de toegangsweg naar de woonboerderij van [appellant] en anderen reeds gedeeltelijk het zicht op de uitbreiding van het hotel zal ontnemen. De stelling van de raad dat de instandhouding van deze groenstrook afdoende is gewaarborgd in artikel 4:11 van de Algemene plaatselijke verordening Wassenaar 2014, waar is bepaald dat voor het vellen van houtopstand een vergunning is vereist die onder meer kan worden geweigerd wegens de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en beeldbepalende waarden van de houtopstand, hebben [appellant] en anderen niet weersproken.

6.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat afdoende is gewaarborgd dat na de realisatie van de in het plan voorziene uitbreiding van Hotel Den Haag Wassenaar de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied ten minste gelijk blijft als bedoeld in artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen kunnen zich tevens niet verenigen met de aan de groenstrook toegekende bestemming "Horeca - 1", welke bestemming het mogelijk maakt ter plaatse van de groenstrook horeca-activiteiten te exploiteren. Volgens [appellant] en anderen leidt het exploiteren van horeca-activiteiten ter plaatse van de groenstrook tot een aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het plangebied. Daarnaast bestaat er volgens hen geen noodzaak voor het exploiteren van horeca-activiteiten ter plaatse van de groenstrook.

7.1. Aan de groenstrook gelegen aangrenzend aan de toegangsweg richting de woonboerderij van [appellant] en anderen is in het plan de bestemming "Horeca - 1" toegekend.

Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, van de planregels - welke planregel is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak - is het planologisch toegestaan op de als "Horeca - 1" bestemde gronden horeca-activiteiten van categorie 1 te verrichten.

7.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij bij het toekennen van de bestemming "Horeca - 1" aan de groenstrook aansluiting heeft gezocht bij de plansystematiek van het voorheen voor het plangebied geldende bestemmingsplan, waarin aan de groenstrook evenmin een specifiek op de situatie toegesneden bestemming was toegekend. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de raad met het toekennen van de bestemming "Horeca - 1" aan de groenstrook echter niet beoogd het planologisch mogelijk te maken dat ter plaatse van de groenstrook de horeca-activiteiten kunnen worden geëxploiteerd. Volgens de raad is dit in de praktijk reeds afdoende gewaarborgd, omdat de feitelijk beschikbare ruimte ter plaatse van de groenstrook te beperkt is voor het exploiteren van horeca-activiteiten. Naar het oordeel van de Afdeling vereist de rechtszekerheid echter dat, indien de exploitatie van horeca-activiteiten ter plaatse van de groenstrook uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar wordt geacht, ter plaatse een bestemming wordt toegekend die de exploitatie van horeca-activiteiten niet mogelijk maakt. Nu de raad dit heeft nagelaten, is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Uitbreiding opvanglocatie voor honden

8. [appellant] en anderen richten zich tevens tegen de in het plan voorziene uitbreiding van de bestaande opvanglocatie voor honden op de gronden van Stichting Nationale Dierenzorg. Volgens [appellant] en anderen heeft deze uitbreiding eveneens tot gevolg dat de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied niet ten minste gelijk blijft. Zij stellen hiertoe dat de uitbreiding het zicht vanaf de Zijdeweg op de monumentale boerderij "Welgelegen" zal ontnemen en er voorts toe zal leiden dat de ter plaatse aanwezige boomgaard zal verdwijnen. Dit is volgens hen in strijd met de Verordening ruimte 2014, waarin het plangebied is aangeduid als "beschermingscategorie 1 - kroonjuweel cultureel erfgoed" en gedeeltelijk als "landgoedbiotoop".

8.1. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd om de cultuurhistorische waarden van de bestaande bebouwing in het plangebied, waaronder de monumentale boerderij "Welgelegen", te inventariseren. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het bij de plantoelichting gevoegde rapport "Welgelegen te Wassenaar, Cultuurhistorische verkenning" opgesteld door Vlaardingerbroek & Wevers in september 2011. Met behulp van de resultaten van dit onderzoek zijn voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan in overleg met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de lokale commissie voor Welstand en Cultureel Erfgoed stedenbouwkundige kaders opgesteld voor de herschikking en uitbreiding van de bebouwing van Stichting Nationale Dierenzorg. Als kaders zijn vermeld het zichtbaar houden van het rijksmonument boerderij "Welgelegen" vanaf de Zijdeweg, het realiseren van doorzichten naar de nabijgelegen polders en het herkenbaar houden van de ruimtelijke karakteristieken van het gebied.

Volgens de raad is bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening gehouden met deze stedenbouwkundige kaders en zal de in het plan voorziene uitbreiding van de opvanglocatie voor honden op de gronden van Stichting Nationale Dierenzorg niet leiden tot een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. De raad wijst er daartoe op dat de thans bestaande opvanglocatie voor honden een aanbouw aan boerderij "Welgelegen" vormt die wat betreft de ruimtelijke uitstraling niet past bij het monumentale karakter van de boerderij. Door de boerderij te ontdoen van deze aanbouw en daarvoor in de plaats een nieuwe opvanglocatie te bouwen die, zoals in de in de plantoelichting opgenomen beeldkwaliteitsparagraaf is vermeld, zal refereren aan de houten schuren die elders in Wassenaar rond oude boerderijen zijn terug te vinden, zal het monumentale karakter van de boerderij worden hersteld, aldus de raad. Dit monumentale karakter wordt volgens de raad eveneens hersteld door de realisatie van de in de Landschapsvisie genoemde groenelementen op het terrein van de Stichting Nationale Dierenzorg waarmee het karakter van het gehele terrein als boerenerf zal worden versterkt.

8.2. Dat de uitbreiding van de opvanglocatie in overeenstemming dient te zijn met de beeldkwaliteitsparagraaf en de Landschapsvisie is gewaarborgd in artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder g, van de planregels, welke planregel is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de landschappelijke inpassing van de nieuwe opvanglocatie voor honden op de wijze zoals is omschreven in de beeldkwaliteitsparagraaf en de Landschapsvisie, wordt voorkomen dat de bouw van de nieuwe opvanglocatie leidt tot een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat [appellant] en anderen hebben bevestigd dat de huidige opvanglocatie voor honden, welk gebouw gelet op de ruimtelijke uitstraling volgens [appellant] en anderen in de volksmond ook wel "het zwembad" wordt genoemd, niet past bij het monumentale karakter van boerderij "Welgelegen". De stelling van de raad dat door dit gebouw te vervangen door een gebouw dat zal refereren aan de houten schuren die elders in Wassenaar rond oude boerderijen zijn terug te vinden het monumentale karakter van de boerderij zal worden hersteld, komt de Afdeling niet onaannemelijk voor.

8.3. Voor zover [appellant] en anderen in het bijzonder vrezen dat als gevolg van de uitbreiding van de opvanglocatie de zichtlijnen vanaf de Zijdeweg naar boerderij "Welgelegen" zullen worden verstoord, overweegt de Afdeling dat in het plan door middel van maximale bouwhoogten is gewaarborgd dat de bouwhoogte van de nieuwe opvanglocatie minimaal 2 meter lager blijft dan de bouwhoogte van boerderij "Welgelegen". De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de raad dat met de begrenzing van de maximale bouwhoogten is gewaarborgd dat de nieuwe opvanglocatie ondergeschikt blijft aan boerderij "Welgelegen", waardoor de zichtlijnen richting de boerderij slechts beperkt zullen worden verstoord.

8.4. Wat betreft de vrees van [appellant] en anderen dat de uitbreiding van de opvanglocatie ertoe zal leiden dat de ter plaatse aanwezige boomgaard zal verdwijnen, stelt de Afdeling vast dat deze vrees ongegrond is. De Afdeling wijst hiertoe op pagina 35 van de beeldkwaliteitsparagraaf in de plantoelichting alsmede op de Landschapsvisie waaruit blijkt dat de boomgaard zal worden hersteld en vergroot. Zoals hiervoor onder 8.2 is overwogen, is de doorwerking van de beeldkwaliteitsparagraaf en de Landschapsvisie gewaarborgd in artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder g, van de planregels.

8.5. Nu hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied ook na de in het plan voorziene uitbreiding van de opvanglocatie voor honden ten minste gelijk zal blijven, biedt het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de Verordening Ruimte 2014 is vastgesteld.

De Afdeling merkt hierbij op dat voor zover [appellant] en anderen erop wijzen dat een deel van het plangebied in de Verordening ruimte 2014 is aangeduid als "landgoedbiotoop", deze aanduiding gelet op het bepaalde in artikel 2.3.6 van de Verordening ruimte 2014 uitsluitend betrekking heeft op de bescherming van de waarden van de landgoedbiotoop van het nabij het plangebied aanwezige landgoed Langenhorst. [appellant] en anderen hebben zich in hun beroepschrift en ter zitting wat betreft de ruimtelijke gevolgen van de in het plan voorziene uitbreiding van de opvanglocatie voor honden echter beperkt tot de gevolgen voor het monumentale karakter van boerderij "Welgelegen", welke boerderij geen onderdeel is van de landgoedbiotoop van landgoed Langenhorst. In de enkele stelling van [appellant] en anderen dat een deel van het plangebied in de Verordening ruimte 2014 is aangeduid als "landgoedbiotoop", ziet de Afdeling dan ook evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Verordening ruimte 2014 is vastgesteld.

Het betoog faalt.

9. [appellant] en anderen betwijfelen verder of er een noodzaak bestaat voor de in het plan voorziene uitbreiding van de opvanglocatie voor honden. De Stichting Nationale Dierenzorg heeft deze noodzaak niet met cijfers onderbouwd, aldus [appellant] en anderen. Verder betogen [appellant] en anderen dat er alternatieve locaties beschikbaar zijn om de extra opvanglocaties voor honden te realiseren. Zij wijzen hiertoe op de voormalige stal behorende bij de monumentale boerderij "Welgelegen" alsmede op het in het plangebied gelegen voormalige terrein van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (hierna: NAM-terrein).

9.1. De raad heeft toegelicht dat de uitbreiding van de opvanglocatie voor honden voor Stichting Nationale Dierenzorg noodzakelijk is, omdat de huidige opvanglocatie verouderd is en niet meer voldoet aan de huidige wensen en wettelijke vereisten ten aanzien van de huisvesting van dieren. In de enkele stelling van [appellant] en anderen dat de Stichting Nationale Dierenzorg deze noodzaak niet met cijfers neergelegd in een onafhankelijk opgesteld rapport heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er thans, dan wel in ieder geval binnen de planperiode van het bestemmingsplan van tien jaar, een noodzaak zal bestaan voor de in het plan voorziene uitbreiding van de opvanglocatie voor honden.

9.2. Voor zover [appellant] en anderen erop wijzen dat de uitbreiding van de opvanglocatie ook op andere locaties binnen het plangebied kan worden gerealiseerd, stelt de Afdeling voorop dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij de afweging van de voor- en nadelen van deze alternatieve locaties.

Wat betreft de voormalige stal behorend bij boerderij "Welgelegen" heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat gelet op de huidige eisen op het gebied van dierenwelzijn en arbeidsomstandigheden, de voorkeur uitgaat naar de herbouw en uitbreiding van de huidige opvanglocatie voor honden in plaats van naar de huisvesting van de honden in de enkele honderden jaren oude stal behorend bij boerderij "Welgelegen". In aanmerking genomen dat de raad bij deze afweging van belangen over beleidsvrijheid beschikt, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen.

De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook het voormalige NAM-terrein geen geschikte alternatieve locatie is voor de bouw van een nieuwe opvanglocatie voor honden. Daartoe acht de Afdeling van belang dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek is verricht naar het voormalige NAM-terrein als alternatieve locatie, maar dat deze locatie is afgevallen, omdat het voormalige NAM-terrein een gedeeltelijk open terrein betreft gelegen nabij enkele weilanden. Het standpunt van de raad dat uit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit moet worden voorkomen dat dit terrein volledig wordt bebouwd, acht de Afdeling niet onredelijk.

9.3. De betogen falen.

Bouwen tot de erfgrens

10. [appellant] en anderen stellen voorts dat het plan voorziet in een uitbreiding van Hotel Den Haag Wassenaar tot op de kadastrale erfgrens van de gronden van Stichting Nationale Dierenzorg. Volgens hen is dit onder meer in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) waar is bepaald dat het niet is geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van het naburige erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke bouwwerken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

10.1. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8537, overweegt de Afdeling dat voor het oordeel dat het burenrecht aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat slechts aanleiding bestaat indien op voorhand duidelijk is dat de regels van het burenrecht aan de verwezenlijking van in het plan geboden bouwmogelijkheden in de weg staan.

Uit het plan volgt niet dat de hierin opgenomen bouwmogelijkheden slechts in strijd met artikel 5:50 van het BW kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

10.2. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting in het kader van hun betoog omtrent het bepaalde in artikel 5:50 van het BW de eigendomsverhoudingen van de in het plangebied gelegen gronden aan de orde hebben gesteld, overweegt Afdeling dat in het kader van een bestemmingsplan ter beoordeling staat of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij zijn in beginsel de eigendomsverhoudingen niet doorslaggevend. Dit is evenwel slechts anders indien evident is dat de eigendomsverhoudingen aan de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode in de weg staan. Niet gebleken is dat deze uitzonderingssituatie zich in dit geval voordoet. De Afdeling verwijst in dit verband naar hetgeen in het onderstaande onder 11.1 zal worden overwogen.

Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid van de bestemming "Horeca - 1"

11. [appellant] en anderen wijzen er verder op dat een deel van de gronden waaraan de bestemming "Horeca - 1" is toegekend voorheen in eigendom was van Stichting Nationale Dierenzorg. Volgens [appellant] en anderen zijn de bestuurders van deze stichting gelet op de statutaire doelstelling van de stichting niet bevoegd om de bij de stichting in eigendom zijnde gronden te verkopen indien daarmee een gebruik voor horeca wordt gefaciliteerd. Gelet hierop is de grondtransactie nietig, ten gevolge waarvan de uitvoerbaarheid van de bestemming "Horeca - 1" ter plaatse van de voorheen in eigendom van Stichting Nationale Dierenzorg zijnde gronden onzeker is, aldus [appellant] en anderen.

11.1. In het kader van een bestemmingsplanprocedure staat ter beoordeling of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Aan privaatrechtelijke verhoudingen, waaronder de vraag of een grondtransactie tussen twee privaatrechtelijke partijen geldig is, komt uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen doorslaggevende betekenis toe. Dit is slechts anders indien op voorhand duidelijk is dat deze verhoudingen aan de verwezenlijking van de bestemming binnen de planperiode van tien jaar in de weg staan. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerste aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. In dit geval is nog allerminst zeker dat de grondtransactie tussen Stichting Nationale Dierenzorg en Hotel Den Haag Wassenaar nietig zal worden verklaard. Het is dan ook niet evident dat de geldigheid van de grondtransactie tussen Stichting Nationale Dierenzorg en Hotel Den Haag Wassenaar in de weg staat aan de uitvoering van het plan.

Het betoog faalt.

Bijlagen bij de plantoelichting

12. [appellant] en anderen betogen voorts dat de overeenkomst betreffende de hiervoor onder 11 genoemde grondtransactie tussen Hotel Den Haag Wassenaar en Stichting Nationale Dierenzorg ten onrechte niet als bijlage bij het plan is gevoegd.

Verder stellen [appellant] en anderen dat niet alle bijlagen waar in de plantoelichting naar wordt verwezen bij het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd.

Grondtransactie

12.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen wat betreft de grondtransactie aldus dat de desbetreffende overeenkomst bij het ontwerpplan ter inzage had moeten worden gelegd. Het betoog dat de grondtransactie ten onrechte niet bij het vastgestelde plan ter inzage is gelegd, betreft namelijk een betoog dat betrekking heeft op een mogelijk gebrek dat dateert van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten.

12.1.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

12.1.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de overeenkomst betreffende de grondtransactie tussen Hotel Den Haag Wassenaar en Stichting Nationale Dierenzorg een stuk is dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerpplan. De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat, zoals hiervoor onder 10.2 is overwogen, eigendomsverhoudingen bij de beoordeling van de vraag of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet doorslaggevend zijn. Deze overeenkomst behoefde dan ook niet met het ontwerpplan ter inzage te worden gelegd.

Het betoog faalt.

Ontbrekende bijlagen bij de plantoelichting

12.2. Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat niet alle bijlagen behorende bij het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat dit eventuele gebrek eveneens dateert van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Bovendien mist het betoog van [appellant] en anderen blijkens het verhandelde ter zitting feitelijke grondslag. Daartoe overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen ter zitting hebben toegelicht dat zij van de gemeente Wassenaar een papieren versie van het vastgestelde plan hebben ontvangen waar volgens hen niet alle bijlagen behorend bij het plan aan waren toegevoegd. De stelling van de raad dat vanaf het moment van de terinzagelegging van het plan op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl wel alle bij het plan behorende stukken beschikbaar zijn gesteld, hebben [appellant] en anderen niet weersproken.

Overige beroepsgronden

13. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Bestuurlijke lus

14. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in 7.2 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 7.2 is overwogen:

- hetzij alsnog deugdelijk te motiveren dat het toekennen van de bestemming "Horeca - 1" aan de groenstrook gelegen aangrenzend aan de toegangsweg richting de woonboerderij van [appellant] en anderen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is;

- hetzij het besluit te wijzigen door het vaststellen van een andere planregeling voor de groenstrook, welke planregeling het niet mogelijk maakt ter plaatse van de groenstrook horeca-activiteiten te exploiteren. Voor het vaststellen van een nieuwe planregeling behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

Proceskosten

15. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [persoon A] en [persoon B], niet-ontvankelijk;

II. draagt de raad van de gemeente Wassenaar op:

a. om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak het onder 14 genoemde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen omtrent dit gebrek in deze uitspraak is overwogen;

b. de Afdeling de uitkomst van de onder II.a. opgenomen opdracht mede te delen en een nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Kramer w.g. Van Zuijlen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

810.

BIJLAGE

* Bij rechtsoverwegingen 6 en 8

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit van de Verordening ruimte 2014

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

[...];

c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:

[…].

Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën

a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden.

Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf

Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een motivering, bij voorkeur vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling:

a. […], of

b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.

* Bij rechtsoverwegingen 6 en 7

Artikel 3 Horeca - 1 van de planregels bij het bestemmingsplan "Zijdeweg"

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Horeca -1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. horeca van categorie 1, waaronder in ieder geval begrepen […];

[…]

f. groenvoorzieningen;

[…].

3.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels:

[…];

h. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd wanneer de inpassing in overeenstemming is met de in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen beeldkwaliteitsparagraaf en de als bijlage bij de toelichting opgenomen Landschapsvisie.

* Bij rechtsoverweging 8

Artikel 4 Maatschappelijk - Dierenopvangcentrum van de planregels bij het bestemmingsplan "Zijdeweg"

4.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels:

[…];

g. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd wanneer de inpassing in overeenstemming is met de in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen beeldkwaliteitsparagraaf en de als bijlage bij de toelichting opgenomen Landschapsvisie.