Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201501007/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:8021, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het college aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een garage als hoefsmederij en het aanleggen van twee parkeerplaatsen op het perceel [locatie] te Reusel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/920
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501007/2/A1

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden

2. [appellant sub 2], wonend te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2014 in zaak nr. 14/2966 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het college aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een garage als hoefsmederij en het aanleggen van twee parkeerplaatsen op het perceel [locatie] te Reusel.

Bij uitspraak van 24 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2014 vernietigd voor zover daarbij voorschriften zijn gesteld en zelf voorziend een aantal voorschriften aan de vergunning verbonden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft twee verweerschriften ingediend.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 24 september 2015 gevoegd behandeld met zaak nr. 201501008/1/A4, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door N. Ansems en mr. M. Olthuis, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Bij tussenuitspraak van 3 februari 2016, ECLI:RVS:2016:227, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 10 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 22 juli 2014 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college ten behoeve van de hoefsmederij opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 3 maart 2016 naar voren te brengen.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

1. De rechtbank heeft de vergunning van 22 juli 2014 in stand gelaten, maar wel de voorschriften daarvan vernietigd en zelfvoorziend andere voorschriften (de voorschriften A tot en met F) aan de vergunning verbonden. Zowel [appellant sub 2] als [appellant sub 1] verzetten zich tegen een aantal van deze nieuwe voorschriften. Daarnaast verzet [appellant sub 1] zich ook tegen het verlenen van de vergunning. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geconcludeerd dat de hoger beroepen gegrond zijn en de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de voorschriften C, D en F aan de vergunning van 22 juli 2014 zijn verbonden, moet worden vernietigd. Voor het overige blijft de uitspraak van de rechtbank in stand. In deze einduitspraak neemt de Afdeling deze conclusie over.

Het beroep van [appellant sub 1] tegen de besluiten van 22 juli 2014 en 3 maart 2016

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 4.3 overwogen dat zij, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, in de einduitspraak het besluit van 22 juli 2014 gedeeltelijk zal vernietigen. Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college naar aanleiding van de tussenuitspraak op grond van dezelfde aanvraag opnieuw vergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Dit besluit wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede onderwerp te zijn van het geding.

Het besluit van 3 maart 2016 moet in die zin worden opgevat dat daarmee de vergunning van 22 juli 2014 is ingetrokken. Indien het besluit van 3 maart 2016 in rechte stand houdt - en daarmee ook de intrekking van de vergunning van 22 juli 2014 - heeft [appellant sub 1] geen belang meer bij een gegrondverklaring van het beroep tegen de vergunning van 22 juli 2014 en een (gedeeltelijke) vernietiging van die vergunning. In dat geval zal de Afdeling - anders dan in de tussenuitspraak is overwogen - in de einduitspraak niet meer toekomen aan de gegrondverklaring van het beroep en (gedeeltelijke) vernietiging van de vergunning van 22 juli 2014.

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geconcludeerd dat het besluit van 22 juli 2014 moet worden vernietigd, voor zover daarbij geen voorschriften zijn gesteld over het aanbrengen van afschermende beplanting volgens een concreet omschreven plan en wat betreft het vergunningvoorschrift onder het vierde gedachtestreepje in bijlage 2 over het parkeren. Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college deze gebreken hersteld door het opnieuw verlenen van een vergunning met de voorschriften D en E. [appellant sub 1] kan zich met deze voorschriften niet verenigen. De aan de vergunning verbonden voorschriften A, B en C zijn identiek aan de door de rechtbank aan de vergunning van 22 juli 2014 verbonden voorschriften A, B en E. Nu de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van die voorschriften, gelet op hetgeen onder 1 is overwogen, in stand blijft, is de rechtmatigheid van de voorschriften A, B en C van de vergunning van 3 maart 2016 niet in geding. Thans gaat het uitsluitend om de voorschriften D en E van de vergunning van 3 maart 2016.

Deze voorschriften luiden:

"D. Vergunninghouder dient binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze omgevingsvergunning een landschappelijk inpassingsplan/beplantingsplan in wat voldoet aan de volgende voorwaarden:

- inpassing vindt geheel plaats op eigen grond;

- het plan bevat een inrichtingstekening(en) op schaal;

- het plan bevat een beplantingslijst met inheemse struiken en bomen (gemengd bosplantsoen);

- het plan zorgt voor een aantoonbare visuele afscherming van de hoefsmederij. De visuele afscherming kan worden onderbroken in verband met de toegankelijkheid van het perceel en het bedrijfsgebouw van de hoefsmederij;

- het plan bevat de aanleg van 2 haaksparkeerplaatsen, één en ander conform de tekening "Situatieschets nieuwe situatie d.d. 29 juli 2015", opgesteld door J.P.P. van Rijswijk Architect BNA;

- het plan voldoet aan artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014.

E. Vergunninghouder zal in het eerste plantseizoen na het goedkeuren van het landschappelijk inpassingsplan/beplantingsplan de betreffende gronden inrichten overeenkomstig het plan."

4. Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 2.12 van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van een goede ruimtelijke ordening.

5. [appellant sub 1] betoogt dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek over het aanbrengen van afschermende beplanting volgens een concreet plan niet is hersteld. Hiertoe voert zij aan dat in de vergunning van 3 maart 2016 geen concreet plan is voorgeschreven, dat niet duidelijk is wat de plichten van de vergunninghouder zijn, dat het begrip 'aantoonbare visuele afscherming' vaag is en dat geen concrete termijn is gesteld waarbinnen het inpassingsplan/beplantingsplan (hierna: het inpassingsplan) moet worden uitgevoerd. Verder is niet duidelijk wie goedkeuring aan het inpassingsplan moet verlenen en wat rechtens geldt indien goedkeuring wordt geweigerd.

5.1. In voorschrift D van de vergunning van 3 maart 2016 is een aantal voorwaarden neergelegd waaraan het beplantingsplan/inpassingsplan (hierna: inpassingsplan) moet voldoen, waaronder een tekening op schaal en een beplantingslijst met inheemse struiken en bomen. Het inpassingsplan moet zorgen voor een aantoonbare visuele afscherming van de hoefsmederij. De Afdeling acht de gestelde voorwaarden en de daarbij gehanteerde begrippen voldoende duidelijk. Voorschrift D bepaalt voorts dat de vergunninghouder het inpassingsplan binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning moet indienen. Voorschrift E impliceert dat het inpassingsplan door het college moet worden goedgekeurd. Indien die goedkeuring achterwege blijft behoeft het inpassingsbesluit aanpassing. Voorschrift E bepaalt voorts dat het inpassingsplan in het eerste plantseizoen na goedkeuring wordt uitgevoerd. In zoverre is de uitvoering van het inpassingsplan voldoende verzekerd.

In het inpassingsplan vindt de gedetailleerde uitwerking plaats van de visuele afscherming. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het college de voorschriften D en E, wat het inpassingsplan betreft, niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten met het oog op het belang van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij merkt de Afdeling op dat tegen het besluit over de goedkeuring van het inpassingsplan rechtsmiddelen open staan.

Gelet op het vorenstaande falen de gronden over de visuele afscherming.

6. [appellant sub 1] betoogt verder dat in de vergunning van 3 maart 2016 ten onrechte geen directe verplichting is opgenomen om twee haaksparkeerplaatsen aan te leggen. Nu de aanleg van deze parkeerplaatsen in het inpassingsplan moet worden opgenomen, kan het lange tijd duren voordat de verplichting tot aanleg daadwerkelijk zal gelden. Verder is in vergunningvoorschrift D niet duidelijk gemaakt welke parkeerplaatsen worden bedoeld. Voor zover het gaat om de twee op de tekening van 29 juli 2015 aangeduide plaatsen, zijn deze te klein voor auto's met trailers en vrachtwagens en komen deze niet overeen met de overzichtstekening die behoort bij de ruimtelijke onderbouwing van 20 januari 2014 en waarnaar het college in de considerans van het besluit van 3 maart 2016 verwijst. Ten slotte is in de vergunning ten onrechte niet voorgeschreven dat de parkeerplaatsen alleen mogen worden gebruikt ten behoeve van de hoefsmederij, aldus [appellant sub 1].

6.1. In vergunningvoorschrift D is bepaald dat het inpassingsplan de aanleg van twee haaksparkeerplaatsen bevat overeenkomstig de "Situatieschets nieuwe situatie d.d. 29 juli 2015". Gelet op de samenhang met de visuele afscherming heeft het college deze verplichting in het inpassingsplan kunnen opnemen. Dat de parkeerplaatsen daardoor mogelijk later worden gerealiseerd, betekent niet dat het voorschrift in zoverre in strijd is met het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Op de tekening van 29 juli 2015 zijn twee parkeerplaatsen voor auto's met trailers direct bij de hoefsmederij aangegeven. Het is duidelijk dat deze de in voorschrift D bedoelde parkeerplaatsen zijn. Anders dan [appellant sub 1] stelt, kan niet worden geoordeeld dat deze te klein zijn voor auto's met trailers. Mogelijk kunnen ter plaatse geen vrachtwagens worden geparkeerd maar de verkeersaantrekkende werking ten aanzien van vrachtwagens is zeer gering. Het enkele feit dat de situering en afmetingen van de parkeerplaatsen afwijken van de overzichtstekening van de ruimtelijke onderbouwing van 20 januari 2014 betekent verder niet dat het college de in voorschrift D bedoelde parkeerplaatsen niet in redelijkheid kon voorschrijven. Het college heeft op dit punt kunnen aansluiten bij de situatie waarvoor bij besluit van 25 september 2015 voor de op hetzelfde perceel gelegen horecagelegenheid omgevingsvergunning is verleend. Voorts heeft het college een bepaling dat de parkeerplaatsen uitsluitend voor de hoefsmederij mogen worden gebruikt met het oog op een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid achterwege kunnen laten.

De gronden over de parkeerplaatsen falen.

7. Het beroep tegen het besluit van 3 maart 2016 is ongegrond. Gelet op hetgeen onder 2 is overwogen is het beroep tegen het besluit van 22 juli 2014 in deze einduitspraak niet meer aan de orde.

Conclusie

8. De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] zijn gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover daarbij de voorschriften C, D en F aan de vergunning van 22 juli 2014 zijn verbonden. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 3 maart 2016 is ongegrond. [appellant sub 2] is niet opgekomen tegen het besluit van 3 maart 2016.

Proceskosten

9. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op navolgende wijze te worden veroordeeld in de bij hen in hoger beroep opgekomen proceskosten. Daarbij merkt de Afdeling op dat deze zaak gevoegd is behandeld met de zaak nr. 201501008/1/A4 en de reiskosten van [appellant sub 1] zijn begrepen in de bij uitspraak van 3 februari 2016 in de laatstgenoemde zaak (ECLI:NL:RVS:2016:228) uitgesproken proceskostenveroordeling.

Voor een veroordeling van bij [appellant sub 1] in verband met het besluit van 3 maart 2016 opgekomen proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2014 in zaak nr. 14/2966, voor zover daarbij de voorschriften C, D en F aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden van 22 juli 2014 zijn verbonden;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, voor zover deze is aangevallen;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden van 3 maart 2016 ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden tot vergoeding van de bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden tot vergoeding van de bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.029,44 (zegge: duizendnegenentwintig euro en vierenveertig cent), waarvan € 992,00 is toe rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) ieder, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

190-769.