Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201505194/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:2978, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2014 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505194/1/A1.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 juni 2015 in zaak nr. 15/351 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2014 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd.

Bij besluit van 2 februari 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J.B. Kemerink, H.J. Munster en H.E. Nijkamp, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het CBR heeft [appellant] bij besluit van 10 november 2014 een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd en dit besluit in het besluit op bezwaar van 2 februari 2015 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd. Het CBR heeft daaraan ten grondslag gelegd een mededeling van de korpschef van politie van 10 oktober 2014, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorieën van motorrijtuigen waarvoor aan hem een rijbewijs is afgegeven. Volgens het bij de mededeling gevoegde mutatierapport heeft [appellant] op 5 oktober 2014 als bestuurder van een motorrijtuig op de snelweg A1 ter hoogte van Bathmen in de rijrichting Amsterdam opvallend rijgedrag vertoond door met onaangepaste snelheid, variërend van 70 km/u tot 110 km/u, ten opzichte van de overige verkeersdeelnemers te rijden. Daardoor moest het achteropkomend verkeer meerdere malen onverwachts afremmen of uitwijken om een aanrijding met het voertuig van [appellant] te voorkomen. Voorts blijkt uit het mutatierapport dat [appellant] slingerend reed, meermaals met meer dan de helft van zijn voertuig over een afstand van tientallen meters bijna over de vluchtstrook reed en zonder aanleiding op de linkerrijstrook reed.

[appellant] komt op tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

2. De relevante bepalingen van de WVW 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Hogerberoepsgronden

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR hem ten onrechte het onderzoek heeft opgelegd, omdat aan het mutatierapport niet het vermoeden kan worden ontleend dat hij niet langer beschikt over de rijvaardigheid die voor het besturen van een motorvoertuig is vereist. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR niet mocht uitgaan van de juistheid van de mededeling en het daaraan gehechte mutatierapport, omdat de mededeling en de daarbij behorende stukken geen feiten en omstandigheden bevatten die tot dat vermoeden kunnen leiden. Het bij de mededeling behorende mutatierapport bevat vermoedens, veronderstellingen en onjuistheden, aldus [appellant]. Hij betwist dat hij de daarin beschreven gedragingen heeft verricht en stelt ertegenover dat hij koersvast 90 km/u op cruisecontrol heeft gereden en een enkele vrachtauto heeft ingehaald. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat zijn snelheid ten onrechte niet is gemeten met een geijkte boordsnelheidsmeter en, ook al zou hij op het traject met een snelheid variërend van 70 km/u tot 110 km/u hebben gereden, hij het traject van 30 km lang in 21 minuten heeft afgelegd, hetgeen een gemiddelde snelheid van 86 km/u oplevert, welke snelheid volgens hem is toegestaan. Voorts voert hij aan dat de kladnotitie op basis waarvan het mutatierapport is opgemaakt, ontbreekt of in het geheel niet is opgemaakt en dat het mutatierapport niet de weersomstandigheden van de bewuste avond vermeldt. Ten slotte voert hij aan dat de verbalisant niet over de vereiste expertise voor het vaststellen van de beschreven gedragingen beschikt.

3.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6338, 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6581 en 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:71), kan het vermoeden dat betrokkene niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor aan hem een rijbewijs is afgegeven, worden gebaseerd op een mutatierapport. Anders dan [appellant] betoogt, is een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal ter staving van het vermoeden niet vereist. [appellant] verwijst in dit verband tevergeefs naar de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566, en 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2204. In die zaken was de mededeling weliswaar op een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal gebaseerd, maar daaruit volgt niet dat het vermoeden moet worden gebaseerd op een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR heeft mogen uitgaan van de betrouwbaarheid en juistheid van de waarnemingen zoals die in het mutatierapport zijn weergegeven. Het mutatierapport bevat een voldoende precieze omschrijving van de gedragingen van [appellant]. In de omstandigheden dat de snelheid niet met een geijkte boordsnelheidsmeter is gemeten en het mutatierapport niet de weersomstandigheden van de bewuste avond vermeldt, is geen grond gelegen om aan de betrouwbaarheid en juistheid van het mutatierapport te twijfelen.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de stelling van [appellant] dat de verbalisant niet over de vereiste expertise voor het vaststellen van de gedragingen beschikt, omdat zijn expertise niet bij het wegverkeer ligt, niet maakt dat niet kan worden afgegaan op de feitelijke waarnemingen van de verbalisant. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat van een opsporingsambtenaar met voldoende rijvaardigheid, zoals in dit geval, kan worden verwacht, dat hij tijdens het autorijden het rijgedrag van een andere weggebruiker zorgvuldig kan waarnemen en registreren. Voor het standpunt van [appellant] dat de verbalisant fouten heeft gemaakt en in strijd met zorgvuldigheidsnormen heeft gehandeld, bieden de wijze van totstandkoming en de inhoud van het mutatierapport geen aanknopingspunten. Dat het mutatierapport door de verbalisant vijf dagen na de vaststelling van de feiten is opgemaakt en de kladnotitie op basis waarvan de verbalisant het mutatierapport heeft opgesteld niet meer beschikbaar is, leidt, anders dan [appellant] betoogt, niet tot het oordeel dat het CBR niet mocht uitgaan van de juistheid van het mutatierapport.

Ook het standpunt van [appellant] dat het mutatierapport niet aan de mededeling ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat de gedragingen door slechts één verbalisant zijn waargenomen, wordt niet gevolgd, nu geen rechtsregel, in het bijzonder niet artikel 3 van de Regeling, zich ertegen verzet dat het mutatierapport op waarnemingen van één verbalisant berust.

Voor zover [appellant] betoogt dat, anders dan in de mededeling, in het mutatierapport niet staat dat zijn gedrag gevaarzetting opleverde, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat voor een vermoeden als hier bedoeld niet is vereist dat sprake is van gevaarzetting.

Hetgeen [appellant] verder nog naar voren heeft gebracht, biedt ook geen grond voor de gevolgtrekking dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat op het mutatierapport het vermoeden kon worden gebaseerd dat [appellant] niet langer over de vereiste rijvaardigheid beschikte.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR contact had moeten opnemen met de verbalisant alvorens hem een onderzoek naar zijn rijvaardigheid op te leggen. Daartoe voert hij aan dat in het mutatierapport is vermeld dat de verbalisant vermoedde dat [appellant] mogelijk last heeft van nachtblindheid, terwijl in de mededeling staat dat het vermoeden is ontstaan dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid.

4.1. Ook dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de mededeling niet gebaseerd op het vermoeden van nachtblindheid, doch op het vermoeden van gebrekkige rijvaardigheid. Voor dit vermoeden bieden de in het mutatierapport vermelde gedragingen van [appellant] voldoende grondslag. Dat in het mutatierapport is vermeld dat bij de verbalisant het vermoeden bestond dat [appellant] mogelijk last heeft van nachtblindheid en [appellant] tegenover de verbalisant heeft verklaard niet bekend te zijn met nachtblindheid, maakt dit niet anders. Het betekent niet dat het CBR was gehouden contact met de verbalisant op te nemen alvorens [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid op te leggen. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat het vermoeden van nachtblindheid was gebaseerd op het rijgedrag van [appellant], welk rijgedrag evenzeer kon worden toegeschreven aan een gebrek aan rijvaardigheid.

Het beroep van [appellant] op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de WVW 1994 (Toelichting bij de Tweede Nota van Wijziging bij het wetsvoorstel Vervanging van de Wegenverkeerswet, Kamerstukken II, 1991-1992, 22 030, nr. 12, pag. 15-16) kan hem niet baten, reeds omdat daaruit niet volgt dat het CBR in alle gevallen is gehouden diegenen die het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid hebben aangedragen, nader te raadplegen alvorens een beslissing over een onderzoek te nemen.

5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de in het mutatierapport vermelde feiten voldoende aanleiding gaven voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek en dat het CBR ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994,

in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling, gehouden was het onderzoek aan [appellant] op te leggen.

6. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] betoogt, terecht overwogen dat voor het CBR geen aanleiding bestond om hangende het bezwaar de tenuitvoerlegging van het besluit van 10 november 2014 op te schorten. Het indienen van een bezwaarschrift heeft op zichzelf geen schorsende werking. Van een zeer bijzonder geval op grond waarvan van voormelde regel diende te worden afgeweken, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen sprake.

7. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de klachtenprocedure bij de politie valt buiten het kader van dit geschil en dient, wat daar ook van zij, buiten beschouwing te blijven.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoet op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

531-828.

BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130, eerste lid:

Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c:

Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Artikel 133, eerste lid:

In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2, eerste lid:

Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Artikel 23, derde lid, aanhef en onder a:

Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’.

Bijlage 1, onder A. Rijvaardigheid en Rijgedrag, onderdeel I Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, onder I.2. Beheersing van het motorrijtuig, onder 1, onder a:

Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie, slingerend wordt gereden.

Bijlage 1, onder A. Rijvaardigheid en Rijgedrag, onderdeel II Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer, onder 2 Gebrekkige rijvaardigheid, onder b: Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid.