Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1566

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201505109/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te Bloemendaal (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2016/101 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2017/839
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505109/1/A1.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Bloemendaal, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2015 in zaak nr. 14/4091 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te Bloemendaal (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de motivering om af te wijken van het bestemmingsplan en de overige bezwaren ongegrond verklaard. De motivering van het besluit tot verlening van omgevingsvergunning is aangepast.

Bij uitspraak van 21 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M.H. Dellaert, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, bijgestaan door mr. P.G. Muller, advocaat te Haarlem, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in een aanbouw met kelder op het perceel. Het bouwplan is in strijd met de in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bloemendaal 2012" op het perceel rustende bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1", omdat het bijgebouw op minder dan 2,5 m van de perceelgrens is voorzien. Het college heeft besloten met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) ten behoeve van het bouwplan op dit punt van het bestemmingsplan af te wijken. Er is besloten van het bestemmingsplan af te wijken, omdat volgens het college sprake is van een onevenredigheid van bestemmen.

De rechtbank heeft overwogen dat het college in redelijkheid ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken.

[appellant] kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen, omdat hij zich op het standpunt stelt dat het bouwplan ook wat betreft het wijzigen van de hoofdvorm in strijd met het bestemmingsplan is en dat het toestaan van de aanbouw op minder dan 2,5 m van de erfgrens leidt tot vermindering van lichtinval in zijn woning en tot schade aan zijn woning. Volgens hem is het besluit niet voorzien van een zorgvuldige belangenafweging.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college met toepassing van beleidsregel 1, aanhef en onder 3, opgenomen in Hoofdstuk 2 van de beleidsnota Ruimtelijke beoordeling 2010 (hierna: de Beleidsnota) in redelijkheid ten behoeve van het bouwplan, voor zover het de afstand tot de perceelgrens betreft, van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken. Volgens hem is, mede gezien het feit dat het bestemmingsplan recent is vastgesteld, geen sprake van een onevenredigheid in de wijze van bestemmen en is heel bewust gekozen voor de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1" om lichthinder bij naaste buren te voorkomen.

2.1. Ingevolge artikel 23.2.2, aanhef en onder g, van de planregels geldt ten aanzien van de gronden met de bestemming "Wonen" dat met betrekking tot gronden aangeduid met "specifieke bouwaanduiding - 1" geldt, dat de afstand van gebouwen tot een perceelgrens ten minste 2,5 m dient te bedragen.

2.2. Volgens beleidsregel 1, aanhef en onder 3, van de Beleidsnota wordt in beginsel meegewerkt aan een ruimtelijke procedure die een afwijking van het vigerende bestemmingsplan tot gevolg heeft indien het een verzoek betreft waarop een bijzondere omstandigheid van toepassing is. Blijkens de toelichting op voornoemd artikel kan een bijzondere omstandigheid zijn gelegen in een onevenredigheid in de wijze van bestemmen. "Het kan voorkomen dat tijdens het herzien van een (groot) bestemmingsplan een onzorgvuldigheid heeft plaatsgevonden. In eerste instantie is het aan de eigenaar van ieder perceel om na te gaan of tijdens de bestemmingsprocedure zorgvuldigheid wordt betracht. Hiervoor bestaan uitgebreide inspraakmogelijkheden. Mocht na de vaststelling [van] een plan toch blijken dat een onzorgvuldigheid is geslopen in de wijze van bestemmen, kan dit een reden zijn om medewerking te verlenen aan een verzoek in strijd met dit bestemmingsplan."

2.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval ten behoeve van het bouwplan met toepassing van beleidsregel 1 van de Beleidsnota van het bepaalde in artikel 23.2.2, aanhef en onder g, van de planregels kan worden afgeweken, omdat de situatie aan de orde is dat sprake is van een onevenredigheid in het bestemmen. Volgens het college is met de in artikel 23.2.2 van de planregels opgenomen afstand van gebouwen van 2,5 m tot de perceelgrens beoogd om de voor ruim opgezette villawijken zo kenmerkende verschijningsvorm van vrijstaande bouwmassa’s te handhaven. Wanneer die vrije ruimte niet zou bestaan, kunnen er bijgebouwen op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd, waardoor het zo kenmerkende karakter van de individuele kavels met vrijstaande bouwmassa’s wordt aangetast, aldus het college. Volgens het college is achteraf bezien bij de totstandkoming van het bestemmingsplan per vergissing niet opgenomen dat de afstandseis niet geldt voor de perceelgrens die gesplitste woningen scheidt.

Gelet op het bovenstaande en de door het college ter zitting gegeven toelichting dat wanneer de villa niet was gesplitst, de aangevraagde aanbouw wel was toegestaan, is het aannemelijk dat met de in artikel 23.2.2 van de planregels opgenomen afstand van 2,5 m tot de perceelgrens is beoogd dat op de zijdelingse perceelgrenzen niet kan worden gebouwd. Zoals ter zitting door het college is toegelicht wordt daarmee voorkomen dat het kenmerkende karakter van de individuele kavels met vrijstaande bouwmassa’s wordt aangetast. Anders dan [appellant] betoogt, biedt het bestemmingsplan geen aanknopingspunten voor de uitleg dat bewust is gekozen voor de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1" om lichthinder bij naaste buren te voorkomen. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval ten behoeve van het bouwplan met toepassing van beleidsregel 1 van de Beleidsnota van het bepaalde in artikel 23.2.2, aanhef en onder g, van de planregels kan worden afgeweken, omdat de situatie aan de orde is dat sprake is van een onevenredigheid in het bestemmen.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 20 augustus 2014 niet is voorzien van een deugdelijke belangenafweging. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij zijn belangenafweging mocht betrekken dat er een haag op het perceel aanwezig is die al een gedeelte van de lichtinval in de woning van [appellant] wegneemt. Verder is volgens hem in het besluit onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het bouwen van de aanbouw schade aan de woning kan aanrichten.

3.1. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de haag op het perceel al een gedeelte van de lichtinval in de woning wegneemt, nu deze haag ten tijde van het besluit van 20 augustus 2014 niet hoger was dan de onderkant van het glas-in-lood raam van de woning van [appellant]. De rechtbank is evenwel terecht tot het oordeel gekomen dat het college ten aanzien van het aspect lichtinval zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in zoverre de belangen van vergunninghouder bij de aanbouw zwaarder wegen dan de belangen van [appellant]. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het verlies van lichtinval in de woning van [appellant] niet onredelijk is, omdat een bestaand deel van de villa, op de bouwtekeningen behorende bij de omgevingsvergunning weergegeven onder "daktrim", al een deel van de lichtinval uit de woning wegneemt. Daarbij komt dat de aanbouw is voorzien van een schuin dak waardoor minder verlies van lichtinval ontstaat. Ten aanzien van de schade die tijdens de bouw kan ontstaan wordt overwogen dat het college dit, anders dan [appellant] betoogt, wel heeft meegewogen in zijn besluitvorming. Het college heeft aan de verleende omgevingsvergunning in dat kader verschillende voorschriften verbonden. Onder "Algemeen", c en d, onder "Heiwerkzaamheden, ontgraven bouwput of injecteren van grond" a tot en met e en onder "Schade of ernstige hinder voor de omgeving", zijn voorschriften opgenomen die zijn gericht op het tegengaan van schade aan naastgelegen bouwwerken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan ook in strijd is met artikel 32.2 van de planregels, omdat met het bouwplan de hoofdvorm, wat betreft de oppervlakte ervan, wijzigt. Daartoe voert hij aan dat in het bouwplan de aanbouw een oppervlakte heeft van 66,6 m² en het vloeroppervlak van de huidige woning, na sloop van de bestaande bijkeuken, 89 m² bedraagt. Ten onrechte heeft het college in het besluit van 20 augustus 2014 niet gemotiveerd waarom afwijking van het bestemmingsplan op dit punt aanvaardbaar is, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 32.2 van de planregels geldt op de gronden met de bestemming "Waarde-Cultuurhistorie" de aanvullende bouwregel dat gronden, voor zover deze zijn aangeduid als "karakteristiek", in aanvulling op hetgeen elders in de planregels is bepaald, bij verbouw en/of nieuwbouw de hoofdvorm van het gebouw, bepaald door goothoogte en bouwhoogte, dakvorm, oppervlakte alsmede de verhouding tussen lengte en breedtematen en gevelindeling mag niet worden gewijzigd.

Ingevolge artikel 32.3.1 kan het college afwijken van het bepaalde in artikel 32.2 indien daardoor de hoofdvorm van het gebouw niet in onevenredige mate wordt aangetast.

Ingevolge artikel 32.3.2 wint het bevoegd gezag ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 32.3.1 advies in bij een ter zake deskundige.

4.2. Op het perceel rust naast de bestemming "Wonen" de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" met de aanduiding "karakteristiek". Dat betekent dat in dit geval de aanvullende bouwregel van toepassing is dat bij verbouw en/of nieuwbouw de hoofdvorm van het gebouw niet mag worden gewijzigd. Uit artikel 32.2 van de planregels volgt dat de hoofdvorm van het gebouw ook wordt bepaald door de oppervlakte en dat de oppervlakte van de hoofdvorm derhalve niet mag worden gewijzigd. Uit de aanvraag behorende bij het besluit van 21 november 2013 volgt dat de oppervlakte van de woning wordt vergroot met ongeveer 38 m². De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in dit geval, gelet op artikel 32.2 van de planregels, tot verbouw van de hoofdvorm, ook het bouwen van een aanbouw aan de woning behoort, omdat daarmee de oppervlakte van de hoofdvorm wijzigt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 32.2 van de planregels tot doel heeft de karakteristieken van de hoofdvorm te beschermen en dat het bouwen van een aanbouw aan de woning maakt dat de karakteristiek van de villa kan worden aangetast. Daarbij komt dat naast de oppervlakte ook de dakvorm wijzigt, nu de aanbouw wordt voorzien van een kap. Ook in dit opzicht is sprake van een wijziging van de hoofdvorm als bedoeld in artikel 32.2 van de planregels. [appellant] betoogt derhalve terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het bouwplan de hoofdvorm wijzigt, zodat het bouwplan ook in strijd is met artikel 32.2 van de planregels. Dat betekent dat het college heeft nagelaten in het besluit van 20 augustus 2014 te motiveren of en zo ja waarom het in dit geval bereid is met toepassing van artikel 32.3.1 van de planregels van het bepaalde in artikel 32.2 af te wijken. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Het betoog slaagt.

5. De conclusie is dat het besluit van 20 augustus 2014 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het hiervoor onder 4.2 genoemde gebrek in dat besluit te herstellen. Daartoe dient het college uiterlijk binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college dient te motiveren of en zo ja waarom het in dit geval bereid is met toepassing van artikel 32.3.1 van de planregels van het bepaalde in artikel 32.2 af te wijken. Gelet op artikel 32.3.1 van de planregels dient het college advies in te winnen bij een ter zake deskundige.

6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 20 augustus 2014, kenmerk 2014054284, te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

270-776.