Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
201507898/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2014, aangevuld bij besluit van 30 april 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] toegekende voorschot huurtoeslag over 2013 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507898/1/A2.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2015 in zaak nr. 14/4178 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2014, aangevuld bij besluit van 30 april 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] toegekende voorschot huurtoeslag over 2013 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 1 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2014 vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] moet beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, is verschenen.

Overwegingen

Achtergrond

1. [wederpartij] huurde in 2013 een woonboot aan het [locatie] te Groningen. Zij heeft hiervoor huurtoeslag aangevraagd en ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen is hier evenwel van teruggekomen. De dienst heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [wederpartij] woonruimte huurt die geen woning in de zin van artikel 1, aanhef en onder j (thans: k), van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) is. De woonruimte bevindt zich op een woonboot, die niet als onroerende zaak in de zin van artikel 7:233, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) kan worden aangemerkt, omdat deze niet duurzaam met de grond is verenigd, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn standpunt niet met objectiveerbare gegevens heeft onderbouwd. De enkele stelling dat de woning van [wederpartij] een woonboot betreft is daartoe onvoldoende. Dit geldt temeer nu [wederpartij] in bezwaar en onder verwijzing naar jurisprudentie heeft aangevoerd dat de woonboot naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarom had de Belastingdienst/Toeslagen in bezwaar een onderzoek moeten doen naar de feitelijke situatie, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen

3. De Belastingdienst/Toeslagen kan zich met dit oordeel niet verenigen. Hij betoogt dat uit hetgeen [wederpartij] in bezwaar en beroep over de verbinding met de kade heeft gesteld niet blijkt dat de woonboot aard- en nagelvast en duurzaam met de grond verenigd was. Voorts is van belang dat [wederpartij] heeft erkend dat de woonboot los te maken en in theorie verplaatsbaar is. Dit betekent volgens de dienst dat de woonboot kan drijven en per definitie een schip is in de zin van artikel 8:1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). Gelet hierop was meer feitelijk onderzoek niet nodig, aldus de dienst.

3.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j (thans: k), van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten verstaan onder woning, een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning.

3.2. Uit artikel 1, aanhef en onder j (thans: k), van de Wht vloeit voort dat alleen een gebouwde onroerende zaak als woning kan worden aangemerkt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 2006/07, 30 811, nr. 3, blz. 1-3) blijkt dat de wetgever daarmee bewust heeft aangesloten bij de definitie van woonruimte in artikel 7:233 van het BW en dat het niet de bedoeling is huurtoeslag mogelijk te maken "voor woonschepen die verplaatst kunnen worden en dus roerend zijn". Voor de toetsingsmaatstaven van het criterium gebouwde onroerende zaak wordt daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 1997, NJ 1998, 97 (Portacabin). Daaruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een gebouw duurzaam met de grond is verenigd als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, van het BW, en daarmee onroerend is in de zin van die bepaling, als maatstaf geldt dat het gebouw naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, gelet ook op de bedoeling van de bouwer, voor zover deze naar buiten kenbaar is. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010 in zaak nr. 07/13305 (ECLI:NL:HR:2010:BK9136) volgt dat een schip, zijnde een zaak die bestemd is om te drijven en drijft, in het algemeen een roerende zaak is, maar dat een schip zowel via de daaronder gelegen bodem als via de oever duurzaam met de grond verenigd, en dus onroerend, kan zijn.

3.3. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest van 15 januari 2010 eveneens overwogen dat een duurzame vereniging van een schip met de oever niet kan worden aangenomen enkel op grond van een verbinding door middel van kabels en de aansluiting op nutsleidingen en riolering. Dit betekent dat het feit dat de woonboot van [wederpartij] met de kade is verbonden door afhouders, kettingen en staaldraden en is aangesloten op de nutsleidingen, anders dan [wederpartij] heeft gesteld, onvoldoende is voor het oordeel dat de woonboot duurzaam met de oever is verenigd. Dat [wederpartij] te kennen heeft gegeven dat de woonboot tien jaar geleden voor het laatst is verplaatst en niet binnen een half uur losgemaakt kan worden leidt evenmin tot dit oordeel. Hieruit kan immers worden afgeleid dat de woonboot verplaatsbaar is en dat de verbindingen met de oever en de nutsvoorzieningen losgekoppeld kunnen worden. Dit betekent dat de woonboot naar aard en inrichting niet bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de woonboot een roerende zaak is en dat nader onderzoek naar de feitelijke situatie niet nodig was.

Tussenconclusie

4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen slaagt, zodat de overige hogerberoepsgronden geen bespreking meer behoeven. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling hierna de beroepsgronden van [wederpartij] bespreken, waaraan de rechtbank niet is toegekomen.

Het beroep van [wederpartij]

5. Het betoog van [wederpartij] dat uit de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1331) voortvloeit dat de woonboot een onroerende zaak betreft, faalt, nu daarin alleen is beoordeeld of sprake is van een bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en niet ter beoordeling voorlag of sprake was van een onroerende zaak.

6. [wederpartij] heeft voorts betoogd dat de Belastingdienst/Toeslagen door wel toeslag aan haar toe te kennen voor de jaren 2009, 2010 en 2012 voor de huur van dezelfde woonruimte, bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat zij ook in 2013 recht had op huurtoeslag.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9242) vloeit uit artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voort, dat aan het verlenen van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en kan worden herzien. Gelet hierop had [wederpartij], zolang de tegemoetkoming nog niet was vastgesteld, er rekening mee te houden dat het voorschot zou worden herzien, als zou blijken dat zij geen aanspraak op huurtoeslag heeft. Dat aan [wederpartij] wel huurtoeslag over de jaren 2009, 2010 en 2012 is verstrekt, betekent niet dat zij daarom ook recht heeft op toeslag over 2013. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting toegelicht dat hij vanwege capaciteitsgebrek niet in staat is iedere aanvraag voor toeslag te controleren, zodat de controle steekproefsgewijs plaatsvindt. Hierdoor kan het voorkomen dat iemand voor een of meerdere jaren toeslag toegekend krijgt, terwijl achteraf blijkt dat hij niet aan alle voorwaarden heeft voldaan. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat de Belastingdienst/Toeslagen gehouden is in zo’n geval een fout uit een voorgaand toeslagjaar te herhalen.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 september 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de rechtbank dat besluit ten onrechte heeft vernietigd. [wederpartij] heeft geen recht op huurtoeslag over 2013.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2015 in zaak nr. 14/4178;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Kramer w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

752.