Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201601065/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:1090, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij mondelinge uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601065/1/V3.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 februari 2016 in zaak nr. NL 16.128 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Volgens de op de zaak betrekking hebbende stukken is de vreemdeling op 10 januari 2016 op uitreis bij een buitengrens wegens het gebruik van een vervalst reisdocument aangehouden.

Op 19 januari 2016 heeft de gemachtigde van de vreemdeling te kennen gegeven dat de vreemdeling asiel wil vragen. Na beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op 22 januari 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar opgehouden. Hij heeft op 23 januari 2016 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. De staatssecretaris heeft de bewaring op 3 februari 2016 opgeheven.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de beantwoording van de door de Afdeling en deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, gestelde prejudiciële vragen van belang is voor de onderhavige zaak. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat een belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uitvalt, omdat onzeker is wanneer de vraag van de Afdeling na de zitting van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 22 januari 2016 zal worden beantwoord en of dan ook de vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, zal worden beantwoord, de vreemdeling volgens de staatssecretaris geen gevaar voor de openbare orde vormt en omdat de aanvraag is ingediend voordat hij in bewaring is gesteld en het een eerste aanvraag betreft.

In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet alleen niet heeft onderkend dat de duur van de prejudiciële spoedprocedure niet van belang is, omdat de bewaring van de vreemdeling ingevolge artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 niet langer dan zes weken kan duren, maar ook dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in afwachting van de beslissing op de aanvraag niet kan leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring.

2.1. Onder verwijzing naar overweging 7.6 van de uitspraak van 13 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1383, overweegt de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte in de belangenafweging heeft betrokken dat de aanvraag van de vreemdeling is ingediend voordat hij in bewaring is gesteld en dat het een eerste aanvraag betreft. Voorts klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte bij de belangenafweging de duur van de prejudiciële spoedprocedure in het voordeel van de vreemdeling heeft laten wegen. Gegeven de aard en het verloop van deze procedure kon de rechtbank ten tijde van de zitting op 2 februari 2016 redelijkerwijs verwachten dat vóór het verstrijken van de in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van zes weken antwoord van het Hof zou komen. Dat de vreemdeling geen gevaar voor de openbare orde vormt is aldus op zichzelf onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling te laten uitvallen.

De grief slaagt in zoverre.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in de enige grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 23 januari 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De beroepsgrond over de in het besluit van 23 januari 2016 in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gebruikte grond dat hij zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, faalt, reeds omdat de vreemdeling de overige gebruikte gronden niet heeft bestreden.

5. De beroepsgrond dat de staatssecretaris bij de belangenafweging ten onrechte niet heeft betrokken dat hij onrechtmatig strafrechtelijk is gedetineerd, omdat uit het proces-verbaal van gehoor van 11 januari 2016 blijkt dat hij te kennen heeft gegeven asiel te willen vragen, faalt ook.

Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de door de vreemdeling gestelde onrechtmatigheid van de strafrechtelijke detentie door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld. In deze situatie is de staatssecretaris niet gehouden dit door de vreemdeling gestelde belang bij de met iedere bewaring vereiste belangenafweging te betrekken (vergelijk de uitspraak van 17 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6646).

6. De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0695, 7 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC1068 en 17 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC1588, aangevoerd dat de staatssecretaris geen uitzettingshandelingen heeft verricht en aldus heeft nagelaten een onderzoek naar zijn eventuele uitzetting in te stellen. De staatssecretaris heeft daarom niet met voldoende voortvarendheid aan zijn uitzetting gewerkt, zodat de bewaring onrechtmatig is, aldus de vreemdeling.

6.1. Op 20 juli 2015 is de wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013 L 180) en Richtlijn 2013/33/EU (PB 2013 L 180) in werking getreden. Met deze wijziging is artikel 59b ingevoegd.

Vóór deze wetswijziging konden asielzoekers krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Voor een bewaring krachtens deze bepaling was zicht op uitzetting een voorwaarde. De uitspraken waarop de vreemdeling een beroep heeft gedaan hebben betrekking op deze bepaling.

Zoals de Afdeling evenwel bij uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552, heeft overwogen is voor een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 zicht op uitzetting geen voorwaarde. Daaruit volgt dat de staatssecretaris bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De uitspraken waarop de vreemdeling een beroep heeft gedaan zijn daarom niet van toepassing op een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 januari 2016 dient ongegrond te worden verklaard. Er is geen grond voor schadevergoeding.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 februari 2016 in zaak nr. NL 16.128;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

347.