Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201602379/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2016 heeft het college besloten de raad van de gemeente Schiedam een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ertoe strekkende dat de planregels die een grootschalige detailhandel in sportartikelen met bijbehorende ‘try and buy’ mogelijk maken, geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Sportplaza Harga", zoals dat door de raad bij besluit van 26 januari 2016 is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7579
ABkort 2016/251
RVR 2016/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

201602379/2/R4.

Datum uitspraak: 6 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Schiedam,

2. Decathlon S.A., gevestigd te Villeneuve-D’Ascq (Frankrijk), en anderen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2016 heeft het college besloten de raad van de gemeente Schiedam een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ertoe strekkende dat de planregels die een grootschalige detailhandel in sportartikelen met bijbehorende ‘try and buy’ mogelijk maken, geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Sportplaza Harga", zoals dat door de raad bij besluit van 26 januari 2016 is vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de raad en Decathlon en anderen beroep ingesteld.

De raad en Decathlon en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 26 mei 2016, waar de raad, vertegenwoordigd door R. Schmidt, werkzaam bij de gemeente en bijgestaan door mr. G. Heutink, advocaat te Amsterdam, en Decathlon en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.G. Wakelkamp en bijgestaan door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het college gehoord, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, werkzaam bij de provincie, en bijgestaan door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het bestemmingsplan "Sportplaza Harga" voorziet in de herontwikkeling van het noordelijke deel van sportpark Harga te Schiedam tot een sportplaza waar ruimte is voor commerciële functies rond het thema sport, gezondheid en ontspanning. Decathlon en anderen hebben het voornemen om ter plaatse een grootschalige detailhandel in sportartikelen te realiseren en te exploiteren. Deze op grond van de planregels mogelijke grootschalige detailhandel in sportartikelen is getroffen door de bestreden reactieve aanwijzing. De bestreden reactieve aanwijzing is gegeven wegens strijd met artikel 2.1.4, derde lid, onder a, van de Verordening ruimte 2014 (hierna: de Verordening).

3. Het college betoogt dat het verzoek van Decathlon en anderen zonder inhoudelijke behandeling moet worden afgewezen omdat geen van de daarin betrokken partijen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Het college voert daartoe aan dat uit het verzoekschrift volgt dat geen van de betrokken vennootschappen een eigen en actueel belang heeft bij het bestreden besluit.

3.1. Uit het verzoekschrift van Decathlon en anderen blijkt dat VolkerWessels Vastgoed B.V., namens wie het beroep onder meer is ingesteld, een overeenkomst met de gemeente heeft gesloten over de ontwikkeling en realisering van het plangebied. Gelet hierop en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:235, verwacht de voorzieningenrechter dat in de bodemprocedure in ieder geval VolkerWessels Vastgoed B.V. als belanghebbende zal worden aangemerkt bij het bestreden besluit. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat het beroep van Decathlon en anderen in de bodemprocedure geheel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het betoog van het college faalt.

4. De raad en Decathlon en anderen hebben de voorzieningenrechter gevraagd de bestreden reactieve aanwijzing te schorsen omdat deze niet op de geldende tekst van artikel 2.1.4, lid 3, onder a, van de Verordening kan worden gebaseerd. Zij voeren hiertoe aan, samengevat weergegeven, dat de aanwijzing onvoldoende is gemotiveerd, waarbij onder meer wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011, C-400/08 (Commissie tegen Spanje), ECLI:EU:C:2011:172, op grond waarvan volgens hen een nadere motivering over de rechtvaardiging van het besluit is vereist met het oog op het recht van vrije vestiging.

Ook betogen zij dat aan de aanwijzing een onjuiste uitleg van de genoemde bepaling uit de Verordening ten grondslag is gelegd. Deze wijze van toepassen is bovendien in strijd met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en met Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376/36; hierna: Dienstenrichtlijn). De aanwijzing is derhalve onrechtmatig en moet in afwachting van vernietiging in de bodemprocedure in deze procedure worden geschorst, aldus de raad en Decathlon en anderen.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat het bij wijze van voorlopige voorziening schorsen van de bestreden reactieve aanwijzing verstrekkende gevolgen kan hebben voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. De planonderdelen die door het bestreden besluit worden geraakt, maken daardoor namelijk weer deel uit van het bestemmingsplan. Na bekendmaking van deze planonderdelen kunnen bouwtitels ontstaan. In het geval dat in de bodemprocedure tegen de bestreden reactieve aanwijzing dit besluit in stand zou worden gelaten, kan die uitkomst naar voorlopig oordeel niet meer van betekenis zijn voor de uitkomst van eventuele procedures tegen de intussen verleende omgevingsvergunningen voor het bouwen. De voorlopige voorziening zou daarmee in feite geen voorlopig karakter hebben. Gelet hierop bestaat alleen aanleiding voor het schorsen van de bestreden reactieve aanwijzing als op voorhand duidelijk is dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven.

6. Ingevolge artikel 2.1.4, lid 1, van de Verordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, voorziet een bestemmingsplan uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden:

a. binnen of direct aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;

b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;

c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.

Ingevolge lid 3, onder a, is het eerste lid niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel:

detailhandel in auto’s, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeelapparatuur, fitnessapparatuur, piano’s, surfplanken, tenten, grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen en brand- en explosiegevaarlijke goederen en detailhandel die zich uit oogpunt van ruimtelijke ordening niet onderscheidt van de hiervoor genoemde detailhandel.

7. In de bestreden reactieve aanwijzing is onderbouwd waarom het college van oordeel is dat een grootschalige detailhandel in sportartikelen zich onderscheidt van de genoemde detailhandel in het derde lid van artikel 2.1.4 van de Verordening. Het grootste deel van het assortiment van een dergelijke detailhandel leent zich goed voor verkoop in een centrum en het is volgens het college dan ook niet noodzakelijk dat deze voorziene grootschalige detailhandel in sportartikelen buiten de kern en niet bij een bestaande winkelconcentratie wordt gevestigd.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de raad en Decathlon en anderen niet betwisten dat een groot deel van het assortiment op een centrumlocatie zou kunnen worden verkocht. Zij betogen echter dat het concept als geheel zich niet goed leent voor vestiging in een centrum, onder meer vanwege de bijbehorende ‘try and buy’-voorzieningen. Tevens betogen zij dat de ruimtelijke effecten van een grootschalige detailhandel in sportartikelen zich juist niet onderscheiden van de effecten van detailhandel in de in het derde lid genoemde goederen. Gelet op de onderbouwing van de bestreden reactieve aanwijzing acht de voorzieningenrechter hetgeen is aangevoerd onvoldoende voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het besluit in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Over de verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in verband met de rechtvaardiging van het besluit wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3602, waarin is geoordeeld dat het voorkomen van onaanvaardbare leegstand in de kernen en het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit op de bestaande perifere detailhandelslocaties als ruimtelijke belangen kunnen worden beschouwd die het geven van een reactieve aanwijzing kunnen rechtvaardigen. Ook in dit aspect ziet de voorzieningenrechter derhalve geen aanleiding om te oordelen dat op voorhand duidelijk is dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in deze zaak aan de orde zijnde vraag hoe de laatste zinsnede van artikel 2.1.4, derde lid, onder a, van de Verordening moet worden uitgelegd, zich gelet op hetgeen onder 5 is overwogen niet leent voor beantwoording in deze procedure. Het antwoord op deze vraag is daarnaast van belang voor de beantwoording van de vraag of deze bepaling in strijd is met artikel 49 VWEU en de Dienstenrichtlijn. Deze vervolgvraag leent zich evenmin voor beantwoording in deze procedure, te minder nu over soortgelijke bepalingen door de Afdeling bij uitspraak van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:75, prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie.

Nu de antwoorden op de hierboven genoemde vragen geenszins vaststaan, kan ook wat deze aspecten betreft niet worden geconcludeerd dat op voorhand duidelijk is dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven.

10. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat niet op voorhand duidelijk is dat de bestreden reactieve aanwijzing in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Bij afweging van alle betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter dan ook aanleiding om de verzoeken af te wijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2016

545.