Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201504338/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2657, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2014 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een door hem bij de Curaçaose autoriteiten gedaan immigratieverzoek, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Beleidsregels VOG-NP-RP 2013
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens 8
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens 28
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504338/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2015 in zaak nr. 14/7541 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2014 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een door hem bij de Curaçaose autoriteiten gedaan immigratieverzoek, afgewezen.

Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, en mr. E.G. Kurtovic, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.J. Nooteboom, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft op Curaçao een baan aangeboden gekregen. Hij wil daarom emigreren naar dat land en heeft daartoe bij de Curaçaose autoriteiten een immigratieverzoek ingediend. Zijn gezin en zijn ouders wonen al op het eiland. Voor de toewijzing van het immigratieverzoek verlangen de Curaçaose autoriteiten onder meer dat een VOG wordt overgelegd.

2. Zie voor het juridisch kader de bijlage.

3. Aan de weigering aan [appellant] een VOG te verstrekken heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) een zaak staat geregistreerd wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en witwassen, gepleegd op 25 april 2014. Deze zaak staat nog open. Deze feiten vormen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Door het telen van hennep raakt iemand betrokken in het drugscircuit en loopt hij het risico te worden aangespoord om drugs te gaan verhandelen en daardoor in aanraking te komen met daarmee samenhangende criminele activiteiten. De inwoners van Curaçao kunnen hiervan slachtoffer worden. Gelet op het vermogensdelict waarmee [appellant] blijkens het JDS in aanraking is gekomen, bestaat voorts het risico dat [appellant] in Curaçao criminele activiteiten faciliteert of bevordert om zichzelf of anderen te bevoordelen. Ook kan worden gedacht aan het faciliteren van grensoverschrijdende criminele activiteiten. Er bestaat derhalve een verhoogde kans dat andere personen in aanraking komen met criminele activiteiten, waardoor de openbare orde en de rechtsorde in Curaçao worden verstoord, aldus de staatssecretaris. Het belang van [appellant] bij verkrijging van de VOG weegt volgens hem niet op tegen het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris door afgifte van de VOG te weigeren geen inbreuk heeft gemaakt op de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde onschuldpresumptie. De weigering hem de gevraagde VOG te verstrekken berust alleen op een verdenking. De onschuldpresumptie geldt voorts niet alleen voor strafrechtelijke autoriteiten in het strafproces, maar ook voor bestuursorganen, aldus [appellant].

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de weigering van de VOG niet in strijd is met de onschuldpresumptie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8010), kan de enkele verdenking van een strafbaar feit de staatssecretaris, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg), voldoende grondslag bieden om een weigering als bedoeld in deze bepaling op te baseren. Zoals de Afdeling in diezelfde uitspraak heeft overwogen, is de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument dat een preventief doel dient en niet het opleggen van een sanctie inhoudt. De staatssecretaris heeft door de registratie van het strafbare feit aan de weigering ten grondslag te leggen geen oordeel gegeven over de vraag of [appellant] schuldig is aan hetgeen waarvan hij wordt verdacht en derhalve geen inbreuk gemaakt op artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

De omstandigheid dat [appellant] nog steeds niet is gedagvaard en ook niet duidelijk is of en zo ja wanneer dit zal gebeuren, zoals [appellant] ter zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven, doet aan het voorgaande niet af. De bestuursrechter dient het besluit van 17 oktober 2014 immers te beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold en het beleid dat van kracht was ten tijde van het nemen van dat besluit. Ten tijde van dat besluit stond het feit waarvan [appellant] wordt verdacht in het JDS geregistreerd en was een half jaar verstreken sinds de daar vermelde pleegdatum.

Het betoog faalt.

5. [appellant] heeft niet anderszins betoogd dat niet aan het objectieve criterium wordt voldaan, zodat hiervan dient te worden uitgegaan.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weigering hem een VOG te verstrekken geen inbreuk maakt op het recht op respect voor zijn gezins- en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Zonder VOG kan hij geen visum verkrijgen, zodat hij zich niet bij zijn gezin op Curaçao kan voegen. [appellant] betoogt vervolgens dat de weigering geen legitiem doel dient en ook niet noodzakelijk is. Er is geen grondslag om op verzoek van de Curaçaose autoriteiten te beoordelen of hij een risico is voor de Curaçaose samenleving. Curaçao valt bovendien buiten de werkingssfeer van het EVRM. Daarbij komt dat gelet op de vastgestelde screeningsprofielen dient te worden beoordeeld of risico’s aanwezig zijn voor de uitoefening van een taak, functie of bezigheid in aangewezen werkgebieden waarbinnen een machtsverhouding aanwezig is. Aan de risico’s van een machtsverhouding in de door hem op Curaçao beoogde functie is echter niet getoetst. Er is ten onrechte beoordeeld of zijn verblijf een risico vormt voor de Curaçaose samenleving, wat volgens hem niet zo is.

Verder betoogt hij dat de inbreuk op zijn recht op gezins- en privéleven door de weigering de VOG te verstrekken niet proportioneel is. Hij mag wel vrij verblijven in Nederland, maar niet in Curaçao, dat overigens onderdeel is van het Koninkrijk der Nederlanden. Ook had met minder ingrijpende middelen kunnen worden volstaan. Zo hadden op grond van artikel 8 van de Wjsg zijn justitiële gegevens aan de Curaçaose autoriteiten kunnen worden verstrekt, op basis waarvan zij zelf een beoordeling haden kunnen maken, aldus [appellant].

[appellant] betoogt verder dat de weigering hem een VOG te verstrekken in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Er wordt onderscheid gemaakt op grond van status, namelijk of iemand wel of niet justitiële antecedenten heeft, aldus [appellant].

6.1. Voor zover [appellant] zich heeft beroepen op bepalingen van het Handvest, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 51 van het Handvest de bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met de afwijzing van het verzoek om verkrijging van een VOG, wordt geen recht van de Unie ten uitvoer gebracht, aangezien met de regelingen waarop het besluit is gebaseerd geen Unierecht is omgezet en zich ook anderszins geen juridische situatie voordoet die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Zie in dit verband de arresten van het Hof van Justitie van 6 maart 2014, C 206/13, Cruciano Siragusa, ECLI:EU:C:2014:126, punten 20, 21, 24, 25, 26 en 29, en van 8 mei 2014, zaak C 483/12, Pelckmans Turnhout NV, ECLI:EU:C:2014:304, punt 22). Derhalve valt het besluit niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest, zodat reeds daarom geen aanleiding bestaat te oordelen dat het besluit in strijd is met artikel 7 van het Handvest.

Het betoog faalt in zoverre.

6.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de weigering [appellant] een VOG te verstrekken geen inbreuk maakt op het in artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op gezinsleven. De rechtbank heeft daartoe terecht overwogen dat die weigering er niet aan in de weg staat dat [appellant] zijn gezinsleven in Nederland voortzet.

Voor zover [appellant] zich heeft beroepen op familie- en gezinsleven met zijn ouders, wordt overwogen dat het vaste jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens is dat hiervoor tussen ouders en meerderjarige kinderen sprake moet zijn van ‘more than normal emotional ties’ (zie bijvoorbeeld de beslissing A.A.Q. tegen Nederland van 30 juni 2015 in zaak nr. 42331/05). [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat tussen hem en zijn ouders meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid bestaat, zodat zijn familieleven met zijn ouders niet binnen de beschermingssfeer van artikel 8, eerste lid, van het EVRM valt.

6.3. De Afdeling is van oordeel dat de weigering aan [appellant] een VOG ten behoeve van emigratie te verstrekken wel een inmenging is in zijn recht op privéleven, omdat hij daardoor wordt beperkt in zijn vrijheid te gaan wonen waar hij wil. Beoordeeld dient te worden of deze inmenging gerechtvaardigd is, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

6.4. In de artikelen 28 en 35 van de Wjsg staat vermeld dat bij de beoordeling of een VOG kan worden verstrekt, onder meer wordt gekeken naar het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd. Er is geen belemmering om deze bepalingen ook toe te passen als de autoriteiten van een ander land een VOG verlangen van een Nederlandse onderdaan. In het screeningsprofiel ‘Visum en emigratie’ staat vermeld: "Getoetst wordt of de openbare orde van het betreffende land in gevaar komt indien betrokkene tot dat land wordt toegelaten." Volgens de toelichting bij de Beleidsregels wordt daarbij gekeken naar het verblijf in het betreffende land, niet naar het achterliggende doel van het verzoek om toelating tot dat land. Anders dan [appellant] heeft betoogd heeft de staatssecretaris derhalve terecht niet getoetst aan de risico’s die een machtsverhouding bij de uitoefening van een taak, functie of bezigheid meebrengt. Die machtsverhouding is immers geen element in het van toepassing zijnde screeningsprofiel. De staatssecretaris heeft terecht getoetst of de openbare orde van Curaçao in gevaar komt, indien [appellant] tot dat land wordt toegelaten.

Gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM vindt het in het eerste lid omschreven recht op privéleven zijn begrenzing in de bescherming van de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. De bescherming van de openbare orde, beoogd met het hier van toepassing zijnde screeningsprofiel, valt daar onder. Dat het land Curaçao buiten de werkingssfeer van het EVRM valt, is hier niet van belang. Het is immers aan de staatssecretaris te beoordelen of de VOG kan worden verleend. De staatssecretaris dient daarbij, ongeacht het land van bestemming, het EVRM in acht te nemen. De weigering van de staatssecretaris de VOG te verstrekken in verband met de bescherming van de openbare orde van Curaçao dient derhalve een legitiem doel.

Voorts gaat het betoog van [appellant] dat hij geen risico zou vormen voor de openbare orde van Curaçao aangezien hij in Nederland wel vrij mag verblijven, niet op. [appellant] heeft de Nederlandse nationaliteit en kan reeds daarom niet uit Nederland worden geweerd, ongeacht de aard en de ernst van de misdrijven waarvan hij wordt verdacht. In Nederland loopt een strafprocedure tegen [appellant]. De omstandigheid dat [appellant] in Nederland mag verblijven staat derhalve los van het oordeel dat hij een risico vormt voor de Curaçaose samenleving. Verder bestaat op grond van artikel 8 van de Wjsg, anders dan [appellant] betoogt, geen mogelijkheid zijn justitiële gegevens ten behoeve van de beoordeling van het immigratieverzoek aan de Curaçaose autoriteiten te verstrekken. Daarbij komt dat de Curaçaose autoriteiten het overleggen van een VOG hebben vereist. Het staat [appellant] vrij zelf zijn justitiële gegevens aan Curaçao te verstrekken, maar de staatssecretaris was, anders dan [appellant] heeft gesteld, daartoe niet gehouden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de inmenging op het recht van privéleven van [appellant] als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM ongerechtvaardigd is. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

6.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1631) is onderscheid slechts ongeoorloofd in de zin van artikel 14 van het EVRM, indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling ontbreekt.

Het onderscheid dat bij de beoordeling of aan iemand een VOG wordt verstrekt wordt gemaakt tussen personen met een justitieel verleden enerzijds en personen zonder dat verleden anderzijds kent een objectieve en redelijke rechtvaardiging, namelijk het beschermen van de samenleving van het land van bestemming.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging in het kader van het subjectieve criterium onzorgvuldig is geweest en in zijn voordeel had moeten uitvallen. Hij voert daartoe aan dat hij binnen de terugkijktermijn maar één keer met justitie in aanraking is gekomen. De geregistreerde feiten betreffen slechts een verdenking. Voorts is het, gelet op het tijdsverloop van dertien jaar, onredelijk om het buiten de terugkijktermijn geregistreerde gegeven bij de beoordeling te betrekken, aldus [appellant]. Hij voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het niet kunnen emigreren door de weigering een VOG te verstrekken is verdisconteerd in het beleid.

7.1. De staatssecretaris heeft bij de belangenafweging onder andere betrokken dat het strafbare feit waarvan [appellant] wordt verdacht zich op voorhand niet laat aanzien als een licht vergrijp. [appellant] wordt er namelijk van verdacht dat hij in vereniging een grote hoeveelheid, in elk geval elf kilogram, hennep voorhanden had en dat hij in vereniging een geldbedrag van € 110.000,00 heeft witgewassen. Voorts heeft de staatssecretaris het beperkte tijdsverloop tussen de pleegdatum en de beoordeling in zijn afweging betrokken, evenals de omstandigheid dat de vermeende gepleegde strafbare feiten naar hun aard niet verenigbaar zijn met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang bij bescherming van de samenleving tegen het op grond van het objectieve criterium vastgestelde risico zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. Uit de besluitvorming blijkt dat aan de veroordeling van dertien jaar geleden tot een gevangenisstraf wegens poging tot zware mishandeling in die afweging geen zwaar gewicht is toegekend. Deze veroordeling is blijkens het besluit van 17 oktober 2014 niet een zelfstandig dragende grond voor de afwijzing en heeft slechts een rol gespeeld bij de beoordeling aan de hand van het subjectieve criterium. Dit gewicht heeft de staatssecretaris in redelijkheid aan deze veroordeling kunnen toekennen. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van een VOG niet naar Curaçao kan emigreren, inherent is aan de weigering en derhalve als zodanig moet worden geacht in de toepasselijke Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409) te zijn verdisconteerd. De Afdeling is niet gebleken van zeer bijzondere omstandigheden waardoor het niet kunnen emigreren als gevolg van de weigering van de afgifte van de VOG, zodanig ingrijpende gevolgen heeft dat die buiten het kennelijk aan het beleid ten grondslag liggende wegingskader treden.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

176-773.

BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 6. Recht op een eerlijk proces

(…)

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

(…)

Artikel 8. Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14. Verbod van discriminatie

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Artikel 18. Inperking van de toepassing van beperkingen op rechten

De beperkingen die volgens dit Verdrag op de omschreven rechten en vrijheden zijn toegestaan, mogen slechts worden toegepast ten behoeve van het doel waarvoor zij zijn gegeven.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest EU)

Artikel 7. De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Artikel 51. Toepassingsgebied

1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. (…).

(…)

Artikel 52. Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2. De door dit Handvest erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld.

3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.

(…)

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)

Artikel 8

1. Ten behoeve van de rechtspleging worden justitiële gegevens verstrekt aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen.

(…).

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

(…)

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409)

Paragraaf 1. Inleiding

Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) geeft op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) namens de Minister van Veiligheid en Justitie verklaringen omtrent het gedrag (VOG) af aan natuurlijke personen (VOG-NP) en rechtspersonen (VOG-RP).

Paragraaf 2.1 Aanvraag VOG

Het COVOG neemt een aanvraag om afgifte van de VOG in behandeling onder de voorwaarden dat:

a. voldaan is aan de vereisten die de Algemene wet bestuursrecht stelt aan het in behandeling nemen van een aanvraag en

b. een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken.

Met betrekking tot de onder b genoemde voorwaarde geldt ten aanzien van de VOG-NP dat een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager in ieder geval noodzakelijk is indien:

(…)

2. het doel van de aanvraag voor een VOG ziet op het bestendigen dan wel aangaan van een al dan niet betaalde werkrelatie, het aanvragen van een visum of op emigratie.

(…)

Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag

Ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag ontvangt het COVOG alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS. De justitiële gegevens kunnen zowel uit Nederland als uit het buitenland afkomstig zijn. Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een VOG afgegeven.

Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium (zie hieronder paragraaf 3.2 en 3.3).

Paragraaf 3.1.1 Periode terugkijktermijn

Terugkijktermijn in duur beperkt

De beoordeling van de aanvraag vindt in beginsel plaats aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS.

Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt het COVOG bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Paragraaf 3.2 Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens (strafbaar feit);

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.2.3 Risico voor de samenleving

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Paragraaf 3.3 Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Screeningsprofielen 1 juni 2013 (zie paragraaf 3.2.3 van de Beleidsregels)

De risicogebieden van het algemeen screeningsprofiel en de specifieke screeningsprofielen geven weer welke risico’s zich voor kunnen doen. De risico’s die worden benoemd zijn niet limitatief. Het is dus mogelijk dat een VOG wordt geweigerd op grond van een justitieel gegeven dat niet wordt vermeld in het risicogebied of het specifieke screeningsprofiel. Indien in een screeningsprofiel het risico van bijvoorbeeld gewelds- en zedendelicten niet is vermeld, kan even goed dit justitieel gegeven voor de specifieke taak of bezigheid waarvoor een VOG wordt aangevraagd relevant zijn.

06. Visum en emigratie

Bij dit screeningsprofiel worden de risico’s getoetst indien men voor kortere of langere duur in het buitenland wenst te verblijven. Getoetst wordt of de openbare orde van het betreffende land in gevaar komt indien betrokkene tot dat land wordt toegelaten. Door het plegen van bijvoorbeeld drugs-, gewelds- en zedendelicten kan de openbare orde van het ontvangende land in gevaar komen.