Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201505028/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:4429, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2014 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505028/1/A1.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2015 in zaak nr. 15/488 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

(hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2014 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

Bij besluit van 9 januari 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J.H. van der Wal, advocaat te Hengelo, en de directie van het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft het besluit van 17 september 2014 genomen naar aanleiding van een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994, van de politie district Drenthe van 11 september 2014. Aan die mededeling is ten grondslag gelegd dat volgens een onderliggend op ambtsbelofte opgemaakt ‘Proces-verbaal ter zake artikel 8 Wvw’ van 9 september 2014, [appellant] op 9 september 2014 een motorrijtuig heeft bestuurd en bij hem een ademalcoholgehalte van 525 µg/l is geconstateerd. Het CBR heeft hem daarom op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling de EMA opgelegd.

2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, is het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, besluit het CBR tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR de EMA niet aan hem heeft mogen opleggen. Hij voert daartoe aan dat het CBR er ten onrechte van uitgaat dat hij op de bewuste avond de motor, waarbij hij is aangetroffen nadat hij daarmee een val had gemaakt, heeft bestuurd.

Volgens [appellant] was niet hij, maar een vriend, [persoon], de bestuurder van de motor toen zij daarmee gezamenlijk ten val zijn gekomen. [persoon] werd echter door de verbalisanten niet op de plaats van het ongeval aangetroffen, omdat hij inmiddels hulp was gaan halen. [appellant] stelt dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende tegenbewijs heeft geleverd om aannemelijk te maken dat zijn lezing van het gebeurde op de bewuste avond juist is en niet datgene wat daarover is vermeld in de voorhanden zijnde processen-verbaal van 9 september 2014. Daarbij wijst hij op de door hem in het geding gebrachte foto’s van de motor, alsmede op de omstandigheid dat de verbalisanten hem niet hebben zien rijden.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566), mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

3.2. Blijkens het besluit van 9 januari 2015 heeft het CBR het besluit om [appellant] een EMA op te leggen, mede gebaseerd op twee op ambtsbelofte door verbalisanten van de politie opgemaakte ‘Processen-verbaal van bevindingen’, beiden gedateerd op 9 september 2014. Uit een van deze processen-verbaal blijkt, samengevat weergegeven, dat de verbalisanten [appellant] in de vroege ochtend van 9 september 2014 zittend op een motor aantroffen. De verbalisanten zagen dat de motor een zogenoemde ‘eenzitter’ was. Bij [appellant] was een getuige aanwezig, die verklaarde volkszanger te zijn en zojuist te hebben opgetreden in de club die [appellant] had bezocht. Hij verklaarde te zijn gebeld door [appellant] die hem vertelde te zijn gevallen met de motor en dat hij ergens op een fietspad onder de motor lag. De getuige is [appellant] gaan zoeken en zag hem op het betreffende fietspad liggen met zijn been onder de motor. De getuige verklaarde verder dat hij tegen [appellant] had gezegd dat de accu leeg was, om te verhinderen dat [appellant] weer weg wilde rijden. Toen de verbalisanten naar [appellant] toeliepen, zagen zij dat deze de motor wilde starten om weg te rijden, maar dat dit niet lukte. Daarna zagen zij dat [appellant] met moeite van de motor afstapte omdat hij wankel op zijn benen stond. Zij constateerden dat [appellant] niet geheel aanspreekbaar was en met dubbele tong sprak. Hij reageerde niet op vragen van de verbalisanten. [appellant] is daarop aangehouden en meegenomen naar het politiebureau in Emmen.

Uit het andere proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een van de verbalisanten op het politiebureau te Emmen de getuige heeft opgebeld en hem nog eens heeft gevraagd hoe een en ander nu precies was gegaan. Daarop heeft de getuige aanvullend op zijn eerdere verklaring medegedeeld dat hij naar aanleiding van de telefonische oproep van [appellant] het fietspad bij het clubhuis heeft afgezocht en [appellant] daar alleen heeft aangetroffen, liggend met zijn been onder de motor. De getuige heeft [appellant] overeind geholpen. Hij heeft hem gezegd dat de motor niet meer wilde starten omdat de accu leeg was. De getuige wilde [appellant] er op die manier van weerhouden te gaan rijden. De getuige heeft verder de dochter van [appellant] gebeld. Zij zou de motor komen ophalen.

3.3. De vraag die dient te worden beantwoord is of [appellant] met zijn beschrijving van de gebeurtenissen en de door hem daarbij gegeven onderbouwing, tegenbewijs heeft geleverd dat ertoe noopt af te wijken van het uitgangspunt dat een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uit mag gaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.

De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank deze vraag terecht ontkennend heeft beantwoord. Daartoe wordt overwogen dat de gedingstukken onvoldoende objectieve aanknopingspunten bieden om [appellant] te volgen in diens stelling dat hij op de bewuste avond niet degene was die de motor bestuurde, omdat hij zich had gerealiseerd dat hij daarvoor teveel alcohol had gebruikt en hij juist om die reden een vriend had gevraagd om hem op zijn motor naar huis te brengen. Hetgeen [appellant] daartoe in het geding heeft gebracht, te weten zijn eigen verklaring, een bevestigende verklaring ter zitting bij de rechtbank van [persoon], alsmede twee ter zitting bij de rechtbank overgelegde foto’s van de motor waarop het ongeval zou hebben plaatsgevonden, kunnen niet dienen als het benodigde tegenbewijs. Daarbij is, zoals de rechtbank heeft overwogen, van belang dat [appellant] de bewuste avond alleen bij zijn motor is aangetroffen en hij, toen de verbalisanten op hem toeliepen, aanstalten maakte om zelf op de motor weg te rijden. Dat hij, zoals gesteld in het hoger beroepschrift, alleen wilde controleren of de motor nog functioneerde na de val, acht de Afdeling niet aannemelijk, nu uit de getuigenverklaring blijkt dat ook de getuige reeds had geprobeerd [appellant] ervan te weerhouden na de val als bestuurder van de motor van de plaats van het ongeval weg te rijden. Blijkens de processen-verbaal heeft [appellant] in de bewuste nacht ook in het geheel niet tegen de verbalisanten gesproken over de betrokkenheid van [persoon] en dat deze hulp was gaan halen. Overigens lag het, als dit het geval was, niet in de rede dat hij daarnaast nog telefonisch hulp van iemand anders heeft ingeroepen.

Het betoog van [appellant] dat de betrokken motor, anders dan in de processen-verbaal wordt vermeld, geen zogenoemde éénzitter, maar een tweezitter is, heeft de rechtbank eveneens terecht niet tot het oordeel geleid dat [appellant] voldoende tegenbewijs heeft geleverd om niet van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal uit te gaan. Hoe dit ook zij, de omstandigheid dat op de desbetreffende motor twee personen tegelijk zouden kunnen plaatsnemen, zoals [appellant] stelt, maakt niet dat daarmee vaststaat dat in de betreffende nacht ook twee personen op de motor hebben gereden. Hetgeen daarover door [appellant] naar voren is gebracht, is zoals hiervoor reeds is vermeld, onvoldoende om dat aan te nemen.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het CBR bij het nemen van het besluit tot het opleggen van een EMA heeft mogen uitgaan van de juistheid van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Dat zoals [appellant] stelt, de verbalisanten hem niet daadwerkelijk op de motor hebben zien rijden, maakt dit, gelet op al het voorgaande, niet anders.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

641.