Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201506589/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5175, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft de burgemeester aanvragen van Hoeckse Bowling-de Posthoorn om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning ten behoeve van een horecagelegenheid in een pand aan de Strijenseweg 109 te 's-Gravendeel afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Drank- en Horecawet
Besluit Bibob
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/586
Gst. 2016/118 met annotatie van B. van der Vorm
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506589/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hoeckse Bowling-de Posthoorn B.V., gevestigd te Puttershoek, gemeente Binnenmaas,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2015 in zaak nr. 14/6264 in het geding tussen:

Hoeckse Bowling-de Posthoorn

en

de burgemeester van Binnenmaas.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft de burgemeester aanvragen van Hoeckse Bowling-de Posthoorn om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning ten behoeve van een horecagelegenheid in een pand aan de Strijenseweg 109 te 's-Gravendeel afgewezen.

Hoeckse Bowling-de Posthoorn heeft daartegen bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij de burgemeester verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De burgemeester heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het door Hoeckse Bowling-de Posthoorn ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Hoeckse Bowling-de Posthoorn hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De burgemeester heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de door de burgemeester verzochte beperking van de kennisneming ervan gerechtvaardigd geacht en Hoeckse Bowling-de Posthoorn gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Deze toestemming is verleend. De Afdeling heeft kennis genomen van deze stukken.

Hoeckse Bowling-de Posthoorn heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2016, waar Hoeckse Bowling-de Posthoorn, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Stubenrouch, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en drs. P.J. van Dijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1. Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2. De horecagelegenheid is gevestigd in een wellnesscentrum van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Thermen binnen den Maas B.V. en wordt gepacht door Hoeckse Bowling-de Posthoorn, waarvan [persoon] via besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [persoon] Beheer BV bestuurder is. Ook is hij via de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [persoon] Investments BV enig aandeelhouder. De grond waarop het wellnesscentrum is gevestigd, is in eigendom van [eigenaar]. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid F-S Sport- en Ontspanningscentrum BV huurt die grond, heeft een opstalrecht op het daarop geplaatste pand en verhuurt een gedeelte ervan aan Thermen binnen den Maas ten behoeve van het wellnesscentrum. [zoon], zoon van [eigenaar], is bestuurder en enig aandeelhouder van zowel F-S als Thermen binnen den Maas.

3. In 2013 heeft [zoon] aanvragen ingediend voor de exploitatie van de horecagelegenheid en een daartoe benodigde drank- en horecavergunning. Nadat het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bureau) ter zake een advies had uitgebracht, heeft [zoon] de aanvragen ingetrokken.

Vervolgens heeft Hoeckse Bowling-de Posthoorn op 26 november 2013 gelijksoortige aanvragen ingediend. In afwachting van een besluit op die aanvragen is Hoeckse Bowling-de Posthoorn de horecagelegenheid reeds gaan exploiteren vanaf 14 februari 2014. De exploitatie is op 12 februari 2015 beëindigd naar aanleiding van een door de burgemeester opgelegde last onder dwangsom. Die last ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor.

Besluit van 6 augustus 2014

4. Aan het besluit van 6 augustus 2014 tot afwijzing van de aanvragen heeft de burgemeester een advies van 8 april 2014, aangevuld bij dat van 7 juli 2014, van het Bureau ten grondslag gelegd. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het advies een grondig en zorgvuldig onderzoek is voorafgegaan en de in het advies vermelde feiten de conclusies kunnen dragen.

Uit het advies volgt dat Hoeckse Bowling-de Posthoorn en Thermen binnen den Maas in een zakelijk samenwerkingsverband tot elkaar staan en dat Thermen binnen den Maas in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [eigenaar]. Via dit zakelijk samenwerkingsverband staat Hoeckse Bowling-de Posthoorn ook in een zakelijk samenwerkingsverband tot [eigenaar]. Aannemelijk is dat [eigenaar] in de periode van 28 juni 2001 tot en met 8 januari 2002, alsmede vanaf 2007 structureel, maar in ieder geval herhaaldelijk, strafbare feiten heeft gepleegd.

Gezien het zakelijk samenwerkingsverband staat Hoeckse Bowling-de Posthoorn in relatie tot deze strafbare feiten. Er bestaat dan ook een ernstig gevaar dat de door Hoeckse Bowling-de Posthoorn aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen dan wel uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob), aldus het Bureau.

Aangevallen uitspraak

5. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester op de in het advies van het Bureau vermelde gronden ervan uit heeft kunnen gaan dat een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob bestaat tussen Hoeckse Bowling-de Posthoorn, Thermen binnen den Maas en [eigenaar]. De burgemeester heeft ervan uit mogen gaan dat - gegeven het zakelijk samenwerkingsverband - een ernstig vermoeden bestaat dat Hoeckse Bowling-de Posthoorn in relatie staat tot de in het advies van het Bureau vermelde strafbare feiten. Voorts heeft de burgemeester ervan uit mogen gaan dat die strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd en dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. De burgemeester heeft de afwijzing van de desbetreffende aanvragen evenredig mogen achten en was niet bevoegd op grond van het zevende lid van dit artikel te volstaan met het verbinden van voorschriften aan de vergunningen. Geen aanleiding bestaat te oordelen dat de burgemeester met het besluit van 6 augustus 2014 heeft gehandeld in strijd met enig door Hoeckse Bowling-de Posthoorn in beroep naar voren gebracht algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Nu het besluit stand kan houden op de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob vermelde grond, behoeven de beroepsgronden voor zover gericht tegen de in onderdeel a van dit artikellid bedoelde grond geen verdere bespreking meer, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

6. Hoeckse Bowling-de Posthoorn betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester het besluit van 6 augustus 2014 heeft mogen baseren op het advies van het Bureau. De burgemeester heeft zich er onvoldoende van vergewist of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de daarin vermelde feiten de conclusies kunnen dragen.

Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de burgemeester op grond van dat advies ervan heeft mogen uitgaan dat een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen [eigenaar] en Thermen binnen den Maas en tussen laatstgenoemde en haar, zodat kan worden uitgegaan van een zakelijk samenwerkingsverband in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob. Er bestaat geen machtsverhouding of een financieringsrelatie met Thermen binnen den Maas en er vindt geen bedrijfsbeïnvloeding plaats vanuit het wellnesscentrum. Evenmin doet zich medefinanciering of bedrijfsbeïnvloeding door [eigenaar] bij Thermen binnen den Maas voor.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester gezien de in het advies vermelde strafbare feiten, gepleegd door [eigenaar], ervan uit heeft mogen gaan dat zich een ernstig gevaar voordoet dat de gevraagde vergunningen zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. De rechtbank heeft daarbij nagelaten aandacht te besteden aan de relevante, door haar aangedragen jurisprudentie, waaruit volgt dat voor het aannemen van de zogenaamde b-grond een verband moet bestaan tussen de strafbare feiten en de activiteiten waarvoor de vergunningen zijn gevraagd en dus dat eerder is witgewassen met soortgelijke of samenhangende activiteiten als waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd, wat bij [eigenaar] niet het geval is. Tussen het toenmalige witwassen door [eigenaar] en de door haar te exploiteren activiteiten waarvoor de vergunningen zijn gevraagd, ontbreekt ieder verband. Verder heeft de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [eigenaar] sinds 2005 gehouden was aangifte inkomstenbelasting te doen, maar dit heeft nagelaten en dus van 2005 tot en met 2011 stelselmatig heeft gehandeld in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

Nu artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob toepassing mist, heeft de rechtbank niet onderkend dat de beroepsgronden gericht tegen de toepassing van onderdeel a van dit artikellid wel bespreking behoeven. De burgemeester heeft zich in het besluit van 6 augustus 2014 ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte nauwelijks aandacht besteed aan het door haar in beroep gedane beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob, die de burgemeester bij het nemen van het besluit van 6 augustus 2014 niet in acht heeft genomen. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. De burgemeester had, gezien de beginselen van behoorlijk bestuur, met toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Wet bibob voorschriften, gericht op het wegnemen of het beperken van gevaar, aan de vergunningen moeten verbinden, aldus Hoeckse Bowling-de Posthoorn.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:410), mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van het bibob-advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

In hetgeen Hoeckse Bowling-de Posthoorn heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de burgemeester niet heeft voldaan aan de in artikel 3:9 van de Awb neergelegde vergewisplicht. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat de burgemeester naar aanleiding van de zienswijze van Hoeckse Bowling-de Posthoorn op het voornemen tot weigering van de gevraagde vergunningen aanvullende vragen aan het Bureau heeft gesteld. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het Bureau de gestelde vragen in afdoende mate heeft beantwoord. Voorts heeft de burgemeester zich aan de hand van de zienswijze ervan vergewist of de feiten en omstandigheden de in het advies gestelde conclusies kunnen dragen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt mogen stellen dat het advies, bezien in samenhang met de aanvulling, zorgvuldig is voorbereid en tot stand is gekomen en de daarin vermelde feiten de conclusies kunnen dragen. Niet is gebleken van feiten die voor de in het advies gestelde, door de burgemeester overgenomen conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of die in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

6.2. Wat betreft de relatie tussen [eigenaar] en Thermen binnen den Maas heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester op grond van het advies van het Bureau redengevend heeft mogen achten dat [eigenaar] de verhuurder is van het pand waarin het wellnesscentrum van Thermen binnen den Maas is gevestigd. Dat, naar Hoeckse Bowling-de Posthoorn betoogt, de grond waarop het wellnesscentrum met de horecagelegenheid is gevestigd wordt verhuurd aan F-S, die een deel van de daarop geplaatste panden verhuurt aan Thermen binnen den Maas, doet aan deze constatering op zichzelf niet af. Verder is niet in geschil dat [eigenaar] financier is van F-S, waarvan, zoals onder 2 vermeld, [zoon] enig aandeelhouder en bestuurder is. In een uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1050, in de procedure tussen F-S enerzijds en de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas anderzijds, heeft de Afdeling overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de conclusie in een advies van 28 juli 2010 van het Bureau dat [eigenaar] betrokken is bij de exploitatie van F-S.

Voorts heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen een door besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Martholo BV aan [zoon] verstrekte hypothecaire lening ter financiering van een registergoed op het perceel Strijenseweg 109 te ‘s-Gravendeel. Hoeckse Bowling-de Posthoorn voert aan dat [eigenaar] slechts als borg heeft meegetekend. Dit neemt echter niet weg dat, naar het Bureau in diens advies heeft gesteld, [eigenaar] blijkens de desbetreffende hypotheekakte van 5 april 2013 ter meerdere zekerheid voor de terugbetaling van de lening een hypotheekrecht heeft gevestigd op "het woonhuis met bedrijfsgebouwen, garage, zwembad, erf, tuin, en onder- en bijgelegen grond en verder aanbehoren, plaatselijk bekend Strijenseweg 105, 107 en 109 te 3295 KN ’s-Gravendeel". [eigenaar] is aldus degene die mede het risico draagt van de afgesloten lening. Gelet hierop zijn Wellness binnen den Maas, in de persoon van [zoon], en [eigenaar] financieel van elkaar afhankelijk. Ook heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen de uitlatingen op de facebookpagina van Wellness binnen den Maas, die Hoeckse Bowling-de Posthoorn niet heeft betwist. Uit het advies van het Bureau volgt dat [eigenaar] op die facebookpagina op 23 januari 2014 duidelijk heeft gemaakt wat de prijsacties zijn van het wellnesscentrum. Voorts heeft "Juwelier Armand Vos" op die facebookpagina het bericht geplaatst: "Vandaag geopend, Thermen Binnen den Maas!! Succes Freek [eigenaar]!!". In reactie hierop heeft [eigenaar] door middel van een zogenaamde like een blijk van waardering gegeven. Op 7 maart 2014 is voorts door Thermen binnen den Maas geplaatst: "Geweldig om te lezen dat gasten zo lovend over ons spreken! Onwijs leuke brief ontvangen van een zeer tevreden gast!". [eigenaar] heeft hierop als volgt gereageerd: "Dit maakt een jaar lang bloed zweet tranen en een gesneuvelde i-phone HELEMAAL goed!" De burgemeester heeft zich met het Bureau op het standpunt mogen stellen dat uit deze berichten op de facebookpagina van Wellness binnen den Maas de betrokkenheid van [eigenaar] bij het wellnesscentrum blijkt. Voorts heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen dat tussen [eigenaar] en [zoon] een vader-zoon familierelatie bestaat. Reeds gezien alle voormelde feiten en omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen [eigenaar] en Thermen binnen den Maas.

Voorts is de rechtbank met de burgemeester terecht uitgegaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen Hoeckse Bowling-de Posthoorn en Thermen binnen den Maas. Hiertoe heeft de burgemeester aan de hand van het advies van het Bureau redengevend mogen achten dat tussen beide partijen een financieringsrelatie bestaat. Hoeckse Bowling-de Posthoorn is exploitant van de horecagelegenheid in het wellnesscentrum. Blijkens de desbetreffende pacht-/huurovereenkomst van 25 november 2013 pacht zij de horecagelegenheid geheel ingericht en voorzien van alle voor de exploitatie benodigde apparatuur en inventaris van Thermen binnen den Maas. Verder is bepaald dat Hoeckse Bowling-de Posthoorn "in de beginfase […] voor de duur van één jaar" haar voorraden zal afnemen van Thermen binnen den Maas, die hiervoor geen kosten in rekening brengt maar Hoeckse Bowling-de Posthoorn wel de mogelijkheid biedt tot dertig dagen na iedere bestelling te betalen. [persoon] heeft volgens het Bureau te kennen gegeven dat hij voor het starten van de exploitatie geen investeringen heeft hoeven doen en niets heeft hoeven financieren. Daarbij komt dat in een brief van 8 januari 2014 van Thermen binnen den Maas aan Hoeckse Bowling-de Posthoorn is vermeld dat eerstgenoemde akkoord gaat met een uitgestelde pachtbetaling. Voorts volgt uit het advies van het Bureau dat [persoon] een negatief eigen vermogen heeft en "financieel aan de grond zit", hetgeen ondersteuning vindt in financiële jaarverslagen van Hoeckse Bowling-de Posthoorn, J.C. [persoon] Beheer en [persoon] Investments. Verder heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen dat bij Hoeckse Bowling-de Posthoorn geen personeel in dienst is, terwijl degene die zich als leidinggevende van de horecagelegenheid heeft gepresenteerd volgens informatie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in loondienst is bij Thermen binnen den Maas. Ook heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen dat in het wellnesscentrum en de horecagelegenheid gebruik wordt gemaakt van gezamenlijke polsbandjes, waarop alles wordt geregistreerd waarvan hun cliënten gebruik maken en waarmee aan het einde van een bezoek bij een centrale kassa wordt afgerekend. Dat volgens Hoeckse Bowling-de Posthoorn het desbetreffende kassasysteem en het administratiesysteem Dimbizz (X-Plan), dat speciaal is ontwikkeld voor sport- en wellnesscentra, volledig onderscheid maken tussen de horeca- en de wellnessbestellingen en aldus tussen haar inkomsten en die van Thermen binnen den Maas en bovendien het gebruik van polsbandjes in dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, neemt niet weg dat Hoeckse Bowling-de Posthoorn en Thermen binnen den Maas op deze wijze afhankelijk van elkaar zijn. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de exploitatie van het wellnesscentrum en de exploitatie van de horecagelegenheid nauw met elkaar zijn verbonden. Dit geldt temeer nu in de desbetreffende pacht-/huurovereenkomst is afgesproken dat wat betreft de vaststelling van de openings- en sluitingstijden, de menu- en drankenkaart, reclame-uitingen en "speciale door de pachter te organiseren acties" schriftelijke instemming van Thermen binnen den Maas is benodigd. Dat, naar Hoeckse Bowling-de Posthoorn betoogt, dergelijke afspraken niet ongewoon zijn en niet leiden tot machtsinvloeden, doet er niet aan af dat zij en Thermen binnen den Maas ten opzichte van elkaar in een afhankelijkheidsrelatie staan. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de exploitatie van de horecagelegenheid van groot belang is voor en afhankelijk is van de exploitatie van het wellnesscentrum en andersom.

Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester ervan heeft mogen uitgaan dat Hoeckse Bowling- de Posthoorn, via de relatie met Thermen binnen den Maas, tot [eigenaar] in een zakelijk samenwerkingsverband staat als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob. Hetgeen Hoeckse Bowling-de Posthoorn verder op dit punt heeft aangevoerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel.

6.3. Zoals voorts onder 4 vermeld, heeft de burgemeester zich aan de hand van het advies van het Bureau op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat [eigenaar] in de periode van 28 juni 2001 tot en met 8 januari 2002, alsmede vanaf 2007 structureel, maar in ieder geval herhaaldelijk, strafbare feiten heeft gepleegd. Aan dit standpunt heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat [eigenaar] in 2003 is veroordeeld voor opzetheling en in 2009 voor witwassen en handelen in strijd met de Opiumwet. De veroordelingen zijn onherroepelijk geworden. Voorts bestaat het ernstige vermoeden dat [eigenaar] stelselmatig heeft gehandeld in strijd met de Awr door over verschillende jaren geen aangifte inkomstenbelasting ter zake van de waarde van zijn bezit van onroerende zaken in Nederland te doen. Hem zijn een aantal verzuimboetes opgelegd, aldus de burgemeester.

De burgemeester heeft zich in navolging van het advies van het Bureau op het standpunt gesteld dat een ernstige mate van gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob.

6.4. Bij de beoordeling of zich een gevaar als bedoeld in onderdeel b van dit artikellid voordoet, worden ingevolge het derde artikellid feiten en omstandigheden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven.

Gezien hetgeen onder 6.2 is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester ervan heeft mogen uitgaan dat - gegeven het zakelijk samenwerkingsverband - een ernstig vermoeden bestaat dat Hoeckse Bowling-de Posthoorn in relatie staat tot de strafbare feiten waarvoor [eigenaar] is veroordeeld, alsmede de vermoedelijk door hem gepleegde feiten waarvoor verzuimboetes zijn opgelegd. De Belastingdienst heeft de verzuimboetes opgelegd omdat [eigenaar] over de jaren 2005 tot en met 2008 geen aangifte inkomstenbelasting had gedaan. Bij brief van 7 mei 2015 heeft de inspecteur van de Belastingdienst gesteld dat [eigenaar] hoe dan ook, dus ook terwijl hij in het buitenland woonde, gehouden was over het vastgoed in Nederland dat hij in bezit had aangifte in Nederland te doen. Met hetgeen Hoeckse Bowling-de Posthoorn aan de hand van verschillende brieven van de belastingadviseur van [eigenaar] naar voren heeft gebracht, heeft zij het tegendeel onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het advies van het Bureau is gesteld, hetgeen door Hoeckse Bowling-de Posthoorn niet is weersproken, dat in ieder geval aannemelijk is dat de verzuimboete van 2007 onherroepelijk is geworden. Gelet hierop wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het ernstige vermoeden bestaat dat [eigenaar] heeft gehandeld in strijd met de Awr. Het enkele feit dat, naar Hoeckse Bowling-de Posthoorn ter zitting naar voren heeft gebracht, [eigenaar] tegen de oplegging van bepaalde verzuimboetes bezwaar heeft gemaakt, welke procedures nog niet zijn afgerond, leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de strafbare feiten zijn gepleegd of vermoedelijk zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunningen zijn gevraagd. Anders dan Hoeckse Bowling-de Posthoorn betoogt, heeft de rechtbank hiertoe onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 26 maart 2014 van belang mogen achten dat de gevraagde vergunningen het plegen van die strafbare feiten kunnen faciliteren. De horecabranche is kwetsbaar voor risico’s die voortkomen uit die feiten. Hetgeen Hoeckse Bowling-de Posthoorn onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2721) naar voren heeft gebracht, biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Anders dan Hoeckse Bowling-de Posthoorn betoogt, valt uit hetgeen in die uitspraak is overwogen, gelet op de in die uitspraak aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, niet af te leiden dat de burgemeester in de in geding zijnde situatie geen samenhang heeft mogen aannemen.

6.5. Gezien het vorenoverwogene heeft de rechtbank in hetgeen Hoeckse Bowling-de Posthoorn in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester zich niet aan de hand van het advies van het Bureau op het standpunt heeft mogen stellen dat zich, mede gezien de aard van de relatie en het aantal gepleegde strafbare feiten, een ernstig gevaar voordoet dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob.

Reeds hierom heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester redelijkerwijs geen grond heeft hoeven zien toepassing te geven aan artikel 3, zevende lid, van de Wet bibob.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank geen aanleiding meer hoeven zien de beroepsgronden voor zover gericht tegen de toepassing in het besluit van 6 augustus 2014 van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob, te bespreken. Thans behoeft evenmin bespreking hetgeen Hoeckse Bowling-de Posthoorn hierover in hoger beroep naar voren heeft gebracht.

6.6. Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het besluit van 6 augustus 2014 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Anders dan Hoeckse Bowling-de Posthoorn aanvoert, heeft de burgemeester haar belangen afgewogen tegen de belangen bij weigering van de vergunningen. In het besluit heeft de burgemeester daarover gesteld dat weigering van de vergunningen zal inhouden dat de horecagelegenheid bij het wellnesscentrum niet geëxploiteerd zal kunnen worden, hetgeen gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van niet alleen Hoeckse Bowling-de Posthoorn, maar ook voor Thermen binnen den Maas. Anderzijds zijn er volgens de burgemeester verschillende (vermoedelijke) strafbare feiten over een periode van ruim tien jaar die betrekking hebben op in ieder geval heling en drugshandel. [eigenaar] is daarbij tweemaal veroordeeld, waarvan eenmaal tot een aanzienlijke vrijheidsstraf. Ook houden alle strafbare feiten verband met het mogelijke misbruik van de gevraagde vergunningen. De ernst van de feiten is zodanig dat weigering van de vergunningen proportioneel is. Weigering is in verhouding tot het te bereiken doel, aldus de burgemeester in het besluit.

De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van Hoeckse Bowling-de Posthoorn bij exploitatie van de horecagelegenheid niet opwegen tegen het algemeen belang van het voorkomen van het plegen van strafbare feiten met de gevraagde exploitatievergunning en drank- en horecavergunning. Nu, zoals onder 6.5 is overwogen, de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in dit geval een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de weigering van de vergunning niet evenredig is met de mate van gevaar in de zin van artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de weigering niet evenredig is met de ernst van de (vermoedelijk) gepleegde dan wel te plegen strafbare feiten in de zin van onderdeel b van dit artikellid.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop blijft het besluit van 6 augustus 2014 van de burgemeester tot afwijzing van de aanvragen van Hoeckse Bowling-de Posthoorn om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning in stand.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Mossel, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Mossel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

741.

BIJLAGE

Drank- en Horecawet

Artikel 3

1 Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Artikel 27

3 Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob).

Wet bibob

Artikel 3

1 Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2 Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3 Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4 De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5 De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

7 Voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Artikel 7

1 Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2 Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen.

Algemene plaatselijke verordening gemeente Binnenmaas 2010

Artikel 2:28

1 Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.