Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201505644/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 maart 2014 heeft het college [appellant] medegedeeld dat hem van rechtswege omgevingsvergunning is gegeven voor de activiteiten bouwen en wijzigen van een monument in verband met het vernieuwen en vergroten van de achterzijde van de woning aan de [locatie] te Beverwijk (hierna: het bouwplan).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/573
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505644/1/A1.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Beverwijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2015 in zaak nr. 14/5083 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.

Procesverloop

Bij brief van 11 maart 2014 heeft het college [appellant] medegedeeld dat hem van rechtswege omgevingsvergunning is gegeven voor de activiteiten bouwen en wijzigen van een monument in verband met het vernieuwen en vergroten van de achterzijde van de woning aan de [locatie] te Beverwijk (hierna: het bouwplan).

Bij afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2014 heeft het college de door [partij] en het Historisch Genootschap Midden-Kennemerland daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, de van rechtswege gegeven vergunning herroepen en alsnog geweigerd voor het bouwplan omgevingsvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 18 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. de Boorder, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.L. Riddersma en C.H. van Rijn-Spits, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van de woning op het perceel. De woning is in 2008 aangewezen als gemeentelijk monument. [appellant] heeft nadien de uitbouw met een aflopend met pannen gedekt dak aan de achterzijde van de woning gesloopt. Hij heeft op 31 oktober 2013 een omgevingsvergunning verzocht voor een nieuwe, reeds gerealiseerde uitbouw met een plat dak. [appellant] is het er niet mee eens dat het college de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de nieuwe uitbouw heeft herroepen uit oogpunt van monumentenzorg, nu deze uitbouw volgens hem overeenkomt met de oorspronkelijke uitbouw uit 1901.

2. Het betoog van [appellant], dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het Historisch Genootschap Midden-Kennemerland ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt bij de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning, nu het Historisch Genootschap Midden-Kennemerland zich niet in de zaak heeft verdiept, faalt. Uit artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt dat deze enkele omstandigheid op zich, wat daarvan ook zij, niet maakt dat het Historisch Genootschap Midden-Kennemerland geen belanghebbende is.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het herroepen van de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat hij er op mocht vertrouwen dat aan de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning een positief advies van de Monumentencommissie Beverwijk (hierna: de monumentencommissie) ten grondslag lag. Voorts voert hij in dit verband aan dat hij pas na de bouw van de uitbouw ervan op de hoogte is gesteld dat bezwaar was gemaakt tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning en dat het college in de bezwaarfase aanvankelijk instemde met de uitbouw.

3.1. [appellant] is een omgevingsvergunning van rechtswege gegeven, omdat niet tijdig op zijn aanvraag is beslist. Bij een vergunning van rechtswege speelt een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag geen rol. Het standpunt van [appellant], dat hij er op mocht vertrouwen dat aan de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning een positief advies van de monumentencommissie ten grondslag lag, wordt derhalve niet gevolgd.

Voorts stelt [appellant] ten onrechte dat hij pas na het verlenen van de vergunning met de werkzaamheden is begonnen en dat hij eerst na realisering van de uitbouw door het college is geïnformeerd over de gemaakte bezwaren tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. [appellant] heeft een omgevingsvergunning verzocht ter legalisering van de reeds gebouwde uitbouw, nadat het college hem op 15 augustus 2012 een bouwstop had opgelegd en bij brief van 1 mei 2013 had aangekondigd dat het voornemens was een last onder dwangsom op te leggen, omdat [appellant] niet beschikte over de voor de uitbouw vereiste omgevingsvergunning.

Dat het college aanvankelijk bereid was de uitbouw toe te staan, kan [appellant] niet baten. Gedurende de bezwaarfase mag en kan een bestuursorgaan van inzicht veranderen, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Daarbij is van belang dat de bezwaarfase wordt gekenmerkt door een volledige heroverweging. Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft. Het college heeft aan deze bepaling toepassing gegeven.

De conclusie is derhalve dat het herroepen van de van rechtswege aan [appellant] gegeven omgevingsvergunning niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen verslag van de hoorzitting in bezwaar bij de rechtbank heeft ingediend, nu dat een onmisbaar processtuk betreft.

4.1. In het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften (hierna: de bezwaarschriftencommissie) van 8 oktober 2014 naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften tegen het besluit van 11 maart 2014 is vermeld dat van het horen een digitale geluidsopname is gemaakt die, indien gewenst, kan worden opgevraagd of uitgewerkt. Reeds omdat [appellant] eerst bij brief van 2 april 2015, derhalve na de aangevallen uitspraak, heeft verzocht om een afschrift van het verslag, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bedoeld verslag ten onrechte bij de processtukken in beroep ontbrak. Voorts wordt in aanmerking genomen dat in de Awb niet is bepaald op welk moment het verslag dient te worden gemaakt en [appellant] door de late uitwerking van de digitale geluidsopname van de hoorzitting niet in zijn belangen is geschaad.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte alsnog heeft geweigerd voor de uitbouw omgevingsvergunning te verlenen. Volgens hem verzet het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de uitbouw, nu deze overeenkomt met de oorspronkelijke uitbouw uit 1901. De redengevende omschrijving moet aldus worden geïnterpreteerd dat deze ziet op deze oorspronkelijke aanbouw, zoals die blijkt uit de verleende bouwvergunning van 27 februari 1901 met bijbehorende bouwtekening in plaats van op de uitbouw, die zijn voorganger nadien illegaal heeft gebouwd en die het aanzien had van een kippenhok, aldus [appellant].

Voorts wijst [appellant] er op dat het college tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat de monumentencommissie niet op de hoogte was van de oorspronkelijke uitbouw uit 1901. Volgens hem stelt het college ten onrechte dat de monumentencommissie niet tot een ander advies zou kunnen zijn gekomen als het, zoals de bezwaarschriftencommissie in haar advies van 9 oktober 2014 heeft geadviseerd, alsnog was benaderd met de vraag of de door hem gebouwde uitbouw overeenkomt met de op 27 februari 1901 vergunde uitbouw. Indien dat wel zou zijn gebeurd, zou dat tot een positief monumentenadvies hebben kunnen leiden, zonodig na het verrichten van eventuele aanpassingen aan de uitbouw, waartoe hij bereid zou zijn geweest, aldus [appellant].

5.1. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een monument als bedoeld in een zodanige verordening te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, een zodanig bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.18 kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2. slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, onder 1, van de Nieuwe Erfgoedverordening gemeente Beverwijk 2010, vastgesteld door de raad van de gemeente Beverwijk op 23 september 2010 (hierna: de verordening) wordt onder monument verstaan: onroerende zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder c, wordt onder gemeentelijk monument verstaan: onroerend monument als bedoeld in onderdeel a, dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening als zodanig is aangewezen.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder g, wordt onder redengevende omschrijving verstaan: de omschrijving van de specifiek te beschermen waarden en kwaliteiten die onderdeel moet uitmaken van de aanwijzing als gemeentelijk monument.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 1, onder c, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 12 kan de vergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

5.2. De monumentencommissie heeft in haar advies van 15 februari 2013 geadviseerd om niet in te stemmen met de uitbouw. Volgens het advies heeft de nieuwe uitbouw met een L-vormige plattegrond een groter vloeroppervlak dan de oorspronkelijke bijkeukenuitbouw, die onderdeel uitmaakte van het gemeentelijk monument. Gelet op de maatvoering van de raamkozijnen en van de uitbouw als geheel, het nieuwe volume ten opzichte van de oorspronkelijke uitbouw, alsmede de materialisering van de uitbouw heeft deze uitbouw volgens het advies geen aansluiting met het woonhuis.

Ook volgens het aanvullende advies van 22 november 2013 van de monumentencommissie sluit het ontwerp van de nieuwe uitbouw wat betreft maat en schaal architectonisch niet aan bij het woonhuis en doet het afbreuk aan de monumentale waarde daarvan. In dit advies is voorts vermeld dat de tekening bij de bouwvergunning van de woning uit 1901 blijk geeft van een uitbouw met een plat dak en dat bouwhistorisch onderzoek had kunnen uitwijzen of de uitbouw in 1901 daadwerkelijk met een plat dak is uitgevoerd of meteen met een aflopend met pannen gedekt dak. De gesloopte bijkeukenuitbouw met een aflopend met pannen gedekt dak maakte onderdeel uit van het monument, aldus dit aanvullende advies. Vervolgens zijn in dit advies de passages uit redengevende omschrijving aangehaald die zien op de bijkeukenuitbouw.

5.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de beoordeling of het belang van monumentenzorg zich tegen het verlenen van een omgevingsvergunning verzet de redengevende omschrijving als uitgangspunt dient te gelden. Daarin is het gesloopte bijkeukengebouw omschreven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3778. Dat, als gesteld, het college tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat de monumentencommissie niet op de hoogte was van de oorspronkelijke uitbouw uit 1901, kan hem derhalve niet baten, nu dat niet van belang is, omdat hetgeen staat vermeld in de redengevende omschrijving het uitgangspunt is. Bovendien volgt uit het aanvullende advies van de monumentencommissie van 22 november 2013 dat zij op de hoogte was van de verleende bouwvergunning van 27 februari 1901 met bijbehorende bouwtekening. Gelet hierop, heeft het college ervan af mogen zien om zich opnieuw voor advies tot de monumentencommissie te wenden, zoals de bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd. Dit geldt te meer nu de uitbouw, zoals [appellant] ter zitting heeft bevestigd, 10 m² groter is gebouwd dan de oorspronkelijk vergunde uitbouw en voorts vanwege zijn L-vorm van de oorspronkelijke vergunde uitbouw afwijkt.

Het college heeft derhalve de negatieve adviezen van de welstandscommissie van 15 februari 2013 en 22 november 2013 aan zijn besluiten op bezwaar ten grondslag mogen leggen, zoals het heeft gedaan. Nu uit deze adviezen volgt dat het belang van de monumentenzorg zich tegen de uitbouw verzet, was het college niet bevoegd voor de uitbouw omgevingsvergunning verlenen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn belang bij het behoud van de uitbouw. Dat het college niet bevoegd was voor de uitbouw omgevingsvergunning te verlenen, brengt mee dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen ruimte is voor de door Bartels voorgestane belangenafweging.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

414-757.