Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201503888/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:1603, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bijgebouwen op het perceel [locatie] te Dedemsvaart (hierna: het perceel) voor 1 juli 2014 te verwijderen en verwijderd te houden. Voorts is [appellant] bij dit besluit gelast het gebruik van de bijgebouwen voor de huisvesting van personen voor 1 juli 2014 te beëindigen en beëindigd te houden, en is hem een preventieve dwangsom opgelegd teneinde te voorkomen dat hij opnieuw zonder vergunning bouwt op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/325 met annotatie van C.M.M. van Mil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503888/1/A1.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 maart 2015 in zaak nr. 14/3024 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bijgebouwen op het perceel [locatie] te Dedemsvaart (hierna: het perceel) voor 1 juli 2014 te verwijderen en verwijderd te houden. Voorts is [appellant] bij dit besluit gelast het gebruik van de bijgebouwen voor de huisvesting van personen voor 1 juli 2014 te beëindigen en beëindigd te houden, en is hem een preventieve dwangsom opgelegd teneinde te voorkomen dat hij opnieuw zonder vergunning bouwt op het perceel.

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 8 april 2014 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij dit besluit is voorts de begunstigingstermijn verlengd tot 6 weken na het besluit op bezwaar.

Bij uitspraak van 31 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. Nijenhuis, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Uit de gedingstukken blijkt dat zich sinds in ieder geval het jaar 1998 op het perceel van [appellant] verschillende zonder vergunning gebouwde bijgebouwen bevinden. Een aantal daarvan wordt gebruikt voor de huisvesting van personen. Volgens het besluit van 8 april 2014 is op 24 september 2013 geconstateerd dat inmiddels ongeveer 585 m² aan illegale bouwwerken op het perceel aanwezig is.

[appellant] stelt dat hij de bijgebouwen op zijn perceel om sociale redenen voor huisvesting aan minder zelfredzame personen beschikbaar stelt.

2. [appellant] is bij het in bezwaar gehandhaafde besluit onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 per week, met een maximum van € 75.000,00, gelast om vóór 1 juli 2014 de op de bij dat besluit behorende tekening weergegeven bijgebouwen met de nummers 1 tot en met 7 en 9 tot en met 26 op het perceel, waarvan het college zich op het standpunt stelt dat deze niet zonder omgevingsvergunning konden worden gebouwd en waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend, te verwijderen, met uitzondering van bijgebouw 17. Indien [appellant] voor dat bijgebouw een omgevingsvergunning aanvraagt die vóór 1 juli 2014 wordt verleend, behoeft dit niet worden verwijderd. Het college stelt hiermee een besluit van 10 november 1998 van de voormalige gemeente Avereest te respecteren, waarbij is besloten tegen dat bijgebouw niet handhavend op te treden.

[appellant] is bij dit besluit verder, onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,00 per week, met een maximum van € 37.500,00, gelast het gebruiken of het laten gebruiken van de bijgebouwen op het perceel voor de huisvesting van personen in strijd met het bestemmingsplan te staken, dan wel te doen staken vóór 1 juli 2014 en dit gebruiken dan wel laten gebruiken daarna gestaakt te houden.

Bij het besluit is ten slotte een preventieve last onder dwangsom van € 2.500,00 per constatering, met een maximum van € 25.000,00 opgelegd, waarmee is beoogd te voorkomen dat [appellant] wederom zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning bouwt op het perceel. Deze last is volgens het besluit opgelegd omdat een overtreding klaarblijkelijk dreigde.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zo er al een bevoegdheidsgebrek aan het besluit van 8 april 2014 kleeft vanwege het in mandaat nemen daarvan, dit gebrek bij het besluit op bezwaar door het college is hersteld. Volgens [appellant] vergen de rechtszekerheid, de zorgvuldigheid en de overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom direct bevoegd wordt genomen. Volgens hem kan een bevoegdheidsgebrek in een dergelijk besluit, vanwege het belastende karakter daarvan, niet in bezwaar worden hersteld.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8563, vindt ingevolge artikel 7:11 van de Awb, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Eventuele aan dit besluit klevende gebreken kunnen bij het besluit op bezwaar worden hersteld.

Nu het besluit op bezwaar van 11 november 2014 is genomen door het college als het bevoegde bestuursorgaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voor zover er al een bevoegdheidsgebrek aan het besluit van 8 april 2014 kleeft, dit gebrek bij het besluit op bezwaar door het college is hersteld. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat deze rechtspraak niet zou gelden met betrekking tot een bevoegdheidsgebrek zoals hier, naar gesteld, aan de orde.

Het betoog faalt.

De last met betrekking tot de zonder vergunning gebouwde bijgebouwen

4. Niet in geschil is dat [appellant] alle bijgebouwen waarop de last onder dwangsom ziet, zonder een daartoe strekkende omgevingsvergunning heeft gebouwd. Daarmee heeft [appellant] artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo overtreden.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep op het overgangsrecht met betrekking tot het bouwen in het bestemmingsplan ten onrechte heeft verworpen. Volgens hem is het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel 42.1 van de planregels van toepassing en legaliseert dit de bijbehorende bouwwerken op het perceel. Daartoe voert hij aan dat de desbetreffende bouwwerken reeds door het overgangsrecht in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Avereest (hierna: het voorheen geldende bestemmingplan) werden beschermd en dat deze bescherming daarom door het vigerende bestemmingsplan wordt voortgezet.

5.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:262), terecht overwogen dat een met succes gedaan beroep op het overgangsrecht voor een bouwwerk geen bouwvergunning vervangende titel verschaft en het bouwwerk daardoor evenmin anderszins wordt gelegaliseerd. Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat de bouwwerken op de peildatum van het overgangsrecht op het perceel aanwezig waren en dus een gerechtvaardigd beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan, laat dit derhalve onverlet dat dit de bouwwerken zelf niet legaliseert en dat een omgevingsvergunning vereist blijft. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de bescherming door het overgangsrecht slechts onder voorwaarden een bouwtitel geeft voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van de bouwwerken. De bouwwerken als zodanig blijven illegaal, omdat deze zijn opgericht zonder vergunning.

Anders dan [appellant] betoogt, legaliseert een met succes gedaan beroep op het overgangsrecht de bouwwerken dus niet. Dit betekent dat het college in het aangevoerde geen belemmering heeft hoeven zien voor het handhavend optreden.

Het betoog faalt.

De last met betrekking tot het gebruiken of het laten gebruiken van de bijgebouwen voor bewoning

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruiken of het laten gebruiken van de bijgebouwen ten behoeve van bewoning, niet in strijd is met de geldende bestemming "Wonen-besloten veenontginningslandschap" op het perceel. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat deze bestemming op het gehele perceel rust en niet alleen op het daarop aanwezige hoofdgebouw. Verder stelt het bestemmingsplan geen beperkingen aan het gebruik van de bijgebouwen en beperkt dit evenmin het aantal toegestane huishoudens op het perceel, aldus [appellant].

Voor zover dit betoog niet wordt gevolgd, betoogt [appellant] dat het gebruik voor bewoning mag worden voortgezet volgens het overgangsrecht met betrekking tot gebruik in het bestemmingsplan. Hij wijst er daarbij op dat de bewoning van de bijgebouwen op zijn perceel reeds op 4 oktober 2001, de datum van inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan, plaatsvond, zodat artikel 42.2, eerste lid, van de planregels van het vigerende bestemmingsplan van toepassing is. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de bewijslast ter zake van het overgangsrecht met betrekking tot het gebruik op hem rust, alsmede dat hij in het leveren van dat bewijs niet is geslaagd.

6.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het gebruik voor bewoning van verschillende bijgebouwen op het perceel niet in overeenstemming is met de geldende bestemming "Wonen - besloten veenontginningslandschap". Daarbij is van belang dat volgens artikel 26.2.2, aanhef en onder b, van de planregels binnen deze bestemming het aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal, tenzij de verbeelding anders aangeeft. De verbeelding geeft niet anders aan, zodat ter plaatse slechts de bestaande woning van [appellant] is toegestaan. Uitsluitend die woning is immers aan te merken als bestaand in de zin van artikel 1.24 van de planregels, nu uitsluitend dat bouwwerk in de vorm van een woning rechtens bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan op 29 november 2012.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door [appellant] op het perceel opgerichte bijgebouwen, voor zover deze worden bewoond, eveneens zijn aan te merken als woningen in de zin van artikel 1.104 van de planregels, nu zij door huurders van [appellant] worden gebruikt voor bewoning ten behoeve van hun afzonderlijke huishoudens. Aangezien op het perceel slechts één woning ten behoeve van de huisvesting van een afzonderlijk huishouden is toegestaan, is dit in strijd met het bestemmingsplan.

Aldus verbiedt het bestemmingsplan, anders dan [appellant] betoogt, het gebruik van de bijgebouwen voor bewoning wel.

6.2. Wat betreft het beroep van [appellant] op de beschermende werking van het overgangsrecht met betrekking tot het gebruik heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM6440), terecht overwogen dat de bewijslast ter zake rust op degene die zich daarop beroept.

[appellant] dient daarom, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft geoordeeld, te bewijzen dat de bijgebouwen waarvan het college heeft vastgesteld dat deze worden bewoond, op de datum van het rechtskracht verkrijgen van het voorheen geldende bestemmingsplan, 4 oktober 2001, reeds werden gebruikt voor bewoning, wat de omvang van dit gebruik was en is van dit gebruik per specifiek bijgebouw, en dat dit gebruik in deze omvang sinds de peildatum ononderbroken is voortgezet.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] met de door hem in het geding gebrachte stukken niet is geslaagd in het leveren van het benodigde bewijs. De in het geding gebrachte huurovereenkomsten kunnen niet als zodanig bewijs dienen, nu deze zonder uitzondering zien op een periode van slechts één maand, gelegen vóór, of ver na 4 oktober 2001.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem bij het leveren van het vereiste bewijs behulpzaam had moeten zijn door het overleggen van een historisch overzicht uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: het gba), van de personen die in de relevante jaren op zijn perceel als bewoner ingeschreven hebben gestaan, slaagt niet. Daargelaten dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat ter zake aan het gba niet de bewijskracht toekomt die [appellant] daaraan toegekend wenst te zien, staat voorop dat de bewijslast met betrekking tot het gebruiksovergangsrecht op [appellant] zelf rust.

De betogen falen.

De preventieve last onder dwangsom

7. Het college heeft met het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 april 2014 verder beoogd een preventieve last onder dwangsom op te leggen, teneinde te voorkomen dat [appellant] opnieuw zou overgaan tot het bouwen zonder vergunning op het perceel. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het op 26 maart 2014 heeft geconstateerd dat [appellant] daarmee opnieuw bezig was, door op bijgebouw nr. 17 een constructie voor zonnepanelen te plaatsen, alsmede een overkapping met een afmeting van 2,5 m bij 14 m op het perceel.

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom, omdat volgens hem niet was voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarde dat klaarblijkelijk gevaar voor het begaan van een overtreding dreigde. Hij voert daartoe aan dat hij in de veronderstelling verkeerde geen overtreding te begaan door het plaatsen van de constructie voor de zonnepanelen, omdat hij is uitgegaan van een mededeling van de leverancier, dat de zonnepanelen zonder vergunning konden worden geplaatst.

8.1. Daargelaten of dit onderdeel van het besluit kan worden aangemerkt als een preventieve last onder dwangsom, zoals het college heeft gedaan, was het college in elk geval bevoegd om handhavend op te treden tegen het opnieuw zonder vergunning bouwen op het perceel door [appellant]. Een herstelsanctie kan ingevolge artikel 5:2, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht immers ook dienen ter voorkoming van herhaling van een overtreding.

Aangezien vaststaat dat [appellant] gedurende een periode van jaren meerdere bouwwerken op het perceel zonder vergunning heeft opgericht, alsmede dat het college op 26 maart 2014 heeft geconstateerd dat hij dit opnieuw deed, heeft het college ook dit onderdeel van de last terecht kunnen opleggen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

De last met betrekking tot alle onderdelen daarvan

9. De rechtbank is gelet op het voorgaande terecht tot het oordeel gekomen dat het college bevoegd was om handhavend op te treden door middel van het opleggen van de lasten onder dwangsom, waaronder de preventieve last.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, die het college hadden moeten doen afzien van het handhavend optreden.

Hij voert daartoe aan dat voor bijgebouw nr. 17 concreet zicht op legalisatie bestaat. De handhaving is volgens [appellant] verder in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, nu de gemeente hem lange tijd de indruk heeft gegeven dat de situatie op het perceel werd gedoogd, zodat hij er, naar hij stelt, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het college niet meer tot handhaving zou overgaan. Nu voorts geen verzoeken tot handhaving zijn ingediend, wegen de belangen van de handhaving niet op tegen zijn belangen en die van de bewoners, bij het achterwege blijven daarvan.

10.1. Met betrekking tot bijgebouw nr. 17 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant], naar niet is weersproken, op 7 oktober 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend. Volgens het college voldeed deze aanvraag echter niet aan de daaraan volgens de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) te stellen eisen, zodat het [appellant] tweemaal in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen. Omdat [appellant] hieraan geen gevolg heeft gegeven, heeft het college daarna besloten de aanvraag buiten behandeling te stellen.

Nu [appellant] aldus heeft nagelaten een ontvankelijke aanvraag in te dienen, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voor dit bijgebouw geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 6 april 2016; ECLI:NL:RVS:2014:920) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke toezeggingen, dat niet tegen de bouw van de bijgebouwen, alsmede tegen het huisvesten van personen daarin zal worden opgetreden, zijn gedaan. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel verder terecht van belang geacht dat uit hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, is gebleken dat hij wist dat het bouwen zonder vergunning en het gebruiken van de bijgebouwen voor bewoning in strijd is met wettelijke voorschriften en dat het college hierin niet zou berusten. Zij heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat het college niet onmiddellijk tegen de overtredingen op het perceel is opgetreden, niet maakt dat daarmee de mogelijkheid om handhavend op te treden verloren is gegaan.

De rechtbank heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Zij heeft terecht overwogen dat de overtredingen waartegen wordt opgetreden niet van geringe aard en ernst zijn. Voor zover [appellant] de gestelde onevenredigheid van de handhaving heeft gebaseerd op de doelgroep waaraan hij opvang biedt, heeft de rechtbank verder terecht overwogen dat dergelijke opvang dient plaats te vinden op percelen met een daartoe strekkende maatschappelijke bestemming. De omstandigheid dat [appellant] de keuze heeft gemaakt om op zijn perceel in strijd met de geldende regelgeving opvang te bieden aan de bedoelde doelgroep, maakt het handhavend optreden niet onevenredig.

Het betoog faalt.

11. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hem geen redelijke begunstigingstermijn is gegund en dat de aan hem opgelegde dwangsommen buitenproportioneel hoog zijn.

11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 december 2015; ECLI:NL:RVS:2015:3891), komt aan het college bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Echter, als uitgangspunt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de begunstigingstermijn van, na verlenging bij de beslissing op bezwaar, uiteindelijk 8,5 maand, voldoende moet worden geacht voor de bewoners om in andere woonruimte te voorzien, alsmede voor [appellant] om de bouwwerken af te breken en te verwijderen. De rechtbank heeft terecht in het betoog dat meer tijd was benodigd omdat de illegale situatie lang heeft bestaan en de bewoners huurbescherming genieten, geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Zij heeft terecht overwogen dat laatstgenoemde omstandigheid voor risico van [appellant] moet blijven, nu hij kon weten dat het college op enig moment tot handhaving zou kunnen overgaan.

Wat betreft de hoogte van de dwangsommen heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze hoogte als doel heeft de betrokkene ertoe te bewegen om binnen de begunstigingstermijn aan de last te voldoen. De rechtbank heeft de hoogte van de dwangsommen afgezet tegen de huurinkomsten die [appellant] volgens de door hemzelf in het geding gebrachte huurovereenkomsten ontvangt en mede daaruit afgeleid dat de hoogte van de dwangsommen niet onevenredig is. Verder heeft zij in aanmerking genomen dat de hoogte van de dwangsommen [appellant] in het schriftelijke voornemen tot handhaving van 23 januari 2014 reeds is voorgehouden, en dat dit hem er niet toe heeft gebracht de overtredingen tijdig op te heffen. De rechtbank heeft gelet daarop, terecht geoordeeld dat de bedragen niet onevenredig hoog zijn.

Het betoog faalt.

12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

641.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:2

1. In deze wet wordt verstaan onder:

(…);

b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;

(…).

Bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid"

Ingevolge dit bestemmingsplan rusten op het perceel de bestemmingen "Wonen - besloten veenontginningslandschap" en "Agrarisch met waarden - besloten veenontginningslandschap" .

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.24 bestaand(e) aantal, afmeting, afstand, bedrijf, bouwhoogte, bouwwerk, goothoogte, inhoud, inrichting, object, oppervlakte, plaats, situatie en vorm:

aantal, afmeting, afstand, bedrijf, bouwhoogte, bouwwerk, goothoogte, inhoud, inrichting, object, oppervlakte, plaats, situatie of vorm, zoals dat of die rechtens bestaat op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan, dan wel nadien krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag is ingediend voor dat tijdstip, kan worden gerealiseerd.

1.29 bijgebouw: een gebouw dat in ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.37 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.49 gebouw: elk bouwwerk, met uitzondering van windturbines, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.55 huishouden: een of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen.

1.104 woning: een complex van ruimten volgens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden.

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Agrarisch met waarden - besloten veenontginningslandschap" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw;

(…).

5.2 Bouwregels

5.2.1 Toegestane bouwwerken binnen bouwvlakken

Binnen elk bouwvlak op de gronden als bedoeld in lid 5.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a. de bij één agrarisch bedrijf behorende bedrijfsgebouwen en aanbouwen;

b. binnen elk bouwvlak het bestaande aantal bedrijfswoningen, met bijbehorende bouwwerken, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;

c. andere bouwwerken, waaronder begrepen mestplaten, mestsilo’s en kuilvoerplaten.

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen-besloten veenontginningslandschap" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, met inbegrip van aan huis gebonden beroepen;

b. tuinen en erven.

26.2 Bouwregels

26.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de gronden als bedoeld in lid 26.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a. woningen;

b. een recreatiewoning met berging, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning";

c. bijbehorende bouwwerken;

d. andere bouwwerken.

26.2.2 Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in sublid 26.2.1, gelden de volgende bepalingen:

(…)

b. het aantal woningen per bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan het bestaande aantal, tenzij op de verbeelding anders is weergegeven;

(…);

e. de gezamenlijke oppervlakte van de bij de woning behorende bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m² als de oppervlakte van de bij de woning behorende en aansluitend gelegen gronden minder dan 1 hectare bedraagt;

(…).

26.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

a. wonen in een woning, anders dan ten behoeve van een huishouding, met dien verstande dat een huishouden wel mag worden aangevuld met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of

sociaal-economische redenen;

(…).

42.1 Overgangsrecht bouwwerken

1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

(…);

3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

42.2 Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

(…);

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Avereest"

26 Gebruiksbepaling

A 1. Het is verboden gronden of opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

(…).

B. Het gebruik van gronden en opstallen strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, mag worden gehandhaafd.