Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201504369/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3133, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2014 heeft de burgemeester [appellant A] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het pand aan de [locatie] te Tilburg (hierna: het pand) met ingang van 9 oktober 2014 voor de duur van zes maanden te sluiten en gesloten te houden.

Wetsverwijzingen
Opiumwet
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2016/157
AB 2016/274 met annotatie van J.G. Brouwer, L.M. Bruijn
Gst. 2016/150 met annotatie van F.A. Pommer
JG 2016/48 met annotatie van mr. L.M. Bruijn en prof. mr. dr. M. Vols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504369/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [appellant A] Investments B.V. en [appellant B] Beheer en Administratie B.V., beide gevestigd te Tilburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 mei 2015 in zaak nr. 14/7336 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B].

en

de burgemeester van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2014 heeft de burgemeester [appellant A] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het pand aan de [locatie] te Tilburg (hierna: het pand) met ingang van 9 oktober 2014 voor de duur van zes maanden te sluiten en gesloten te houden.

Bij besluit van 25 november 2014 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd, met dien verstande dat de datum waarop uitvoering moet zijn gegeven aan dat besluit wordt vastgesteld op 15 december 2014.

Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2015, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. van Weeren, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van den Biggelaar en mr. G.D.A. Dellevoet, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het pand is eigendom van [appellant A] en wordt door [appellant B] gehuurd. [appellant B] is bestuurder van de besloten vennootschappen [bedrijf A], [bedrijf B], [bedrijf C] en [bedrijf D] Deze vier besloten vennootschappen exploiteren ieder voor zich een coffeeshop onder de naam [bedrijven] (hierna: de coffeeshops), waarvan er twee in Tilburg en twee in ’s-Hertogenbosch zijn gevestigd. Op 4 juli 2014 heeft de politie een handelshoeveelheid softdrugs, vermeld op lijst II bij de Opiumwet, van 9.870,09 gram, waarvan 2.713 gram in 10.852 joints was verwerkt, in de kelderruimten van het pand aangetroffen. Tevens zijn daar aangetroffen zeven personen die bezig waren met de verwerking van softdrugs in onder meer joints. Nu in het pand geen coffeeshop is gevestigd, heeft de burgemeester het pand aangemerkt als een niet-gedoogd verkooppunt van drugs als bedoeld in de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet in de B5-gemeenten, Breda, Eindhoven, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg (hierna: het beleid).

Het hoger beroep

2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester het pand terecht als een niet-gedoogd verkooppunt van drugs als bedoeld in het beleid heeft aangemerkt. [appellant A] en [appellant B] voeren daartoe aan dat niet in geschil is dat de in het pand aangetroffen softdrugs niet voor verkoop vanuit het pand, maar voor verkoop vanuit de coffeeshops bestemd waren.

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

Volgens hoofdstuk 3 van het beleid wordt in het beleid onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig hebben, van drugs in een pand en de daarbij behorende erven. Een hoeveelheid softdrugs vanaf 30 gram wordt beschouwd als een voor drugshandel bestemde hoeveelheid. Het beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b van de Opiumwet wordt onderverdeeld in de volgende rubrieken:

I Gedoogde verkooppunten van softdrugs (de zogenoemde coffeeshops);

II Woningen: de niet-gedoogde drugshandel in woningen, dan wel bij woningen behorende erven;

III Niet-gedoogde verkooppunten van drugs: de drugshandel in (al dan niet voor het publiek opengestelde) lokalen, dan wel in of bij zodanige lokalen behorende erven.

Volgens dit hoofdstuk, onder Ad I, is een coffeeshop een alcoholvrije horecagelegenheid waarin met inachtneming van gedoogcriteria de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig hebben, van softdrugs wordt gedoogd. Er wordt bestuursrechtelijk handhavend opgetreden, indien een coffeeshop zich niet houdt aan de in de aanwijzing Opiumwet van het openbaar ministerie (hierna: de aanwijzing Opiumwet) vervatte AHOJGI-criteria die onder meer inhouden dat de voorraad softdrugs van een coffeeshop niet meer dan 500 gram mag bedragen.

Volgens dit hoofdstuk, onder Ad III, wordt onder niet-gedoogde verkooppunten van drugs verstaan: de drugshandel en hennepteelt in al dan niet voor het publiek toegankelijke lokalen, dan wel in of bij zodanige lokalen behorende erven. Drugshandel in of bij lokalen vormt een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Daarbij legt een illegaal verkooppunt een zware druk op de omgeving. Bij een eerste constatering van handel in softdrugs in een lokaal wordt dat lokaal voor de duur van zes maanden gesloten.

2.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1764, is voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen, vereist dat een hoeveelheid drugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, aanwezig is. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik overschrijdt. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het desbetreffende pand om het tegendeel aannemelijk te maken.

2.3. Volgens het beleid is voor beantwoording van de vraag of een lokaal een niet-gedoogd verkooppunt is, niet uitsluitend bepalend of vanuit het lokaal drugs worden verkocht, dan wel daartoe voorhanden zijn, maar óók of vanuit het lokaal drugs worden afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe voorhanden zijn. Dit is in overeenstemming met artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De burgemeester heeft aannemelijk mogen achten dat deze softdrugs in het pand aanwezig waren om aan de coffeeshops te worden afgeleverd, dan wel daaraan te worden verstrekt. [appellant A] en [appellant B] hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de burgemeester volgens het beleid het pand terecht als een niet-gedoogd verkooppunt van drugs heeft aangemerkt en ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd was bestuursdwang toe te passen.

Het betoog faalt.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanwijzing Opiumwet, voor zover daarin de voorraad softdrugs van coffeeshops op 500 gram is gemaximeerd, onverbindend is en dat het beleid onredelijk is. [appellant A] en [appellant B] wijzen daartoe naar de zogenoemde achterdeurproblematiek. In dat kader voeren zij aan dat een coffeeshop niet kan functioneren met een voorraad softdrugs van maximaal 500 gram, zodat, om de continuïteit van de bedrijfsvoering te kunnen garanderen, de noodzaak bestaat extern een voorraad softdrugs aan te houden waarmee de coffeeshop voortdurend van softdrugs van een zekere kwaliteit kan worden voorzien. Deze noodzaak wordt door de strafrechter onderkend in onder meer het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7083, en het arrest van Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2207. In het rechtbankvonnis heeft deze onderkenning, in het licht van de omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat de verdachte in het kader van de exploitatie van een coffeeshop, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een grote hoeveelheid softdrugs in een bedrijfspand aanwezig heeft gehad, ertoe geleid dat de strafrechter geen straf of maatregel aan de verdachte heeft opgelegd. In bedoeld arrest heeft deze onderkenning, in het licht van de omstandigheden van het geval, ertoe geleid dat de strafrechter het openbaar ministerie niet ontvankelijk heeft geacht om verdachte verder te vervolgen voor het in meer dan één pand aanwezig hebben van grote hoeveelheden softdrugs die voor verkoop in meer dan één coffeeshop waren bestemd. Gelet hierop zijn de aanwijzing Opiumwet en het beleid in strijd met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en zorgvuldigheid en met het willekeurverbod, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.1. De Afdeling komt in deze zaak niet toe aan toetsing van de aanwijzing Opiumwet, reeds omdat de burgemeester zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet op deze aanwijzing heeft gebaseerd. De aanwijzing Opiumwet bevat beleidsregels van het College van procureurs-generaal over de opsporing en vervolging van personen ter zake van delicten uit de Opiumwet.

3.2. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt de burgemeester bij de uitoefening van de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid over beleidsruimte. In het beleid heeft de burgemeester daaraan invulling gegeven. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het onderscheid in het beleid tussen drie rubrieken, namelijk coffeeshops, woningen en niet-gedoogde verkooppunten van drugs, niet onredelijk of onduidelijk is. Nu de burgemeester het pand, gezien hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, terecht als een niet-gedoogd verkooppunt van drugs heeft aangemerkt en het beleid alleen heeft toegepast voor zover dat op deze rubriek ziet, komt de Afdeling niet toe aan toetsing van het beleid, voor zover dat op de overige rubrieken ziet.

3.3. [appellant A] en [appellant B] achten het onredelijk dat de burgemeester in het beleid geen rekening houdt met de noodzaak voor coffeeshophouders om in verband met de exploitatie van coffeeshops extern voorraden softdrugs aan te houden, de zogenoemde achterdeurproblematiek. Dat de strafrechter de noodzaak daartoe in voormeld vonnis van 16 oktober 2014 en voormeld arrest van 2 juli 2014 heeft onderkend, laat onverlet dat het aanhouden van dergelijke voorraden illegaal is en dat de burgemeester ingevolge artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is dergelijke illegale situaties te herstellen. Deze bestuursrechtelijke bevoegdheid tot herstel van een illegale situatie kan niet op één lijn worden gesteld met, en staat los van, de bevoegdheid van het openbaar ministerie om een verdachte strafrechtelijk te vervolgen, dan wel de bevoegdheid van de strafrechter om een verdachte, na een bewezenverklaring, al dan niet een straf op te leggen. De in het beleid vervatte regels over niet-gedoogde verkooppunten van drugs blijven binnen de grenzen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de burgemeester ter zitting bij de rechtbank te kennen gegeven dat hij in het beleid nadrukkelijk slechts de voorraad in de coffeeshop heeft willen regelen en dat hij de achterdeurproblematiek bewust en weloverwogen daarbuiten heeft gehouden. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het aan de wetgever is die problematiek op te lossen en voorts dat coffeeshops in zoverre nu eenmaal niet op één lijn kunnen worden gesteld met ondernemingen in legale branches. Ter zitting van de Afdeling heeft de burgemeester zijn standpunt herhaald door te stellen dat hij in het beleid geen uitzondering heeft willen maken voor het geval de in een niet-gedoogd verkooppunt aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs voor verkoop in een coffeeshop is bestemd. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de met het gedoogbeleid van coffeeshops samenhangende achterdeurproblematiek niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat de burgemeester in zijn beleid de bevoorrading van coffeeshops met softdrugs zou moeten gedogen. Gezien de door de burgemeester bij deze keuze gegeven toelichting heeft de rechtbank het beleid in zoverre terecht niet onredelijk geacht. Gelet hierop is het beleid op dit punt evenmin in strijd met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en zorgvuldigheid, dan wel met het willekeurverbod. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat sluiting voor de duur van zes maanden van een niet-gedoogd verkooppunt van drugs na een eerste constatering van handel in softdrugs in zijn algemeenheid onredelijk is.

Het betoog faalt.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van het beleid had moeten afwijken. [appellant A] en [appellant B] beroepen zich daarbij op voormelde achterdeurproblematiek. Verder beroepen zij zich erop dat de coffeeshops al meer dan 30 jaren naar volle tevredenheid van de gedogende autoriteiten worden geëxploiteerd. Voorts heeft de opslag van softdrugs in het pand en de bevoorrading van de coffeeshops vanuit het pand altijd op een veilige en verantwoorde wijze plaatsgevonden, zodat, gezien de noodzakelijke bevoorrading van de coffeeshops, de openbare orde niet is gebaat bij sluiting van het pand, aldus [appellant A] en [appellant B].

4.1. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.2. De burgemeester heeft zich in het besluit van 25 november 2014 op het standpunt gesteld dat in de door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde omstandigheden en belangen geen grond is gelegen om van het beleid af te wijken. De burgemeester heeft zich in dat besluit, bezien in samenhang met de door hem in beroep en hoger beroep gegeven nadere toelichting daarbij, op het standpunt gesteld dat zowel het aanhouden en verwerken van grote hoeveelheden softdrugs in het pand, het vervoer van deze softdrugs naar het pand alsook het frequente vervoer van softdrugs van het pand naar de coffeeshops, veiligheidsrisico's en dus een verstoring van de openbare orde met zich brengt. Als voorbeeld noemt de burgemeester het risico op beroving. Hierbij heeft de burgemeester erop gewezen dat hij, gezien de faciliterende rol die het pand de laatste jaren in de softdrugshandel heeft vervuld, aannemelijk acht dat het pand als zodanig in het drugscircuit bekend staat. Voorts heeft hij erop gewezen dat de in het pand aangetroffen softdrugs niet alleen voor door hem gedoogde coffeeshops, maar tevens voor buiten Tilburg gelegen coffeeshops waren bestemd. Om herhaling van de overtreding te voorkomen en de gewenste situatie te herstellen door een einde te maken aan de negatieve invloed op de directe omgeving van het pand, acht de burgemeester het noodzakelijk het pand voor de duur van zes maanden te sluiten. Dat de coffeeshops hun bevoorrading op een andere wijze zullen gaan regelen, laat onverlet dat het gebruik van het pand als centrale opslag en inpakafdeling van de coffeeshops onacceptabel is, aldus de burgemeester. Het standpunt van [appellant A] en [appellant B] dat de coffeeshops al meer dan 30 jaren naar volle tevredenheid van de gedogende autoriteiten worden geëxploiteerd, heeft de burgemeester weersproken. Daartoe heeft hij erop gewezen dat de politie op 4 juli 2014 in drie van de coffeeshops een overschrijding van de maximaal toegestane handelsvoorraad softdrugs heeft geconstateerd, waardoor de coffeeshops, voor zover deze in Tilburg worden geëxploiteerd, volgens het beleid een waarschuwing van hem hebben gekregen. Daarnaast is één van de coffeeshops in 's-Hertogenbosch voor de duur van zes maanden is gesloten. Tevens heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat [appellant A] en [appellant B] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de opslag van softdrugs in het pand en de bevoorrading van de coffeeshops vanuit het pand op een veilige en verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

4.3. Gezien het vermelde onder 4.2 heeft de burgemeester onderkend dat sluiting van het pand met zich brengt dat de coffeeshops hun bevoorrading met softdrugs vanuit een andere locatie dan het pand zullen gaan organiseren. In weerwil daarvan heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat hij sluiting van het pand voor de duur van zes maanden noodzakelijk acht. Daarbij heeft hij gewezen op de omvang van de voorraad softdrugs in het pand, de verwerking van softdrugs in het pand, het vervoer van softdrugs naar het pand en vanaf het pand naar de coffeeshops, het aantal jaren dat het pand deze rol heeft vervuld en de daarmee door de burgemeester aannemelijk geachte bekendheid van het pand als drugspand. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in deze door de burgemeester van belang geachte omstandigheden geen reële veiligheidsrisico's zijn gelegen. Voorts kunnen [appellant A] en [appellant B] niet worden gevolgd in hun stelling dat de coffeeshops al meer dan 30 jaren naar volle tevredenheid van de gedogende autoriteiten worden geëxploiteerd, omdat zij het hiervoor onder 4.2 door de burgemeester daartegen aangevoerde verweer niet hebben weersproken. De burgemeester heeft in hetgeen [appellant A] en [appellant B] over de achterdeurproblematiek hebben aangevoerd in redelijkheid geen grond hoeven zien voor het oordeel dat toepassing van het beleid in dit geval voor [appellant A] en [appellant B] gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd terecht geen grond heeft gezien om van het beleid af te wijken.

Het betoog faalt.

5. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. [appellant A] en [appellant B] voeren daartoe aan dat de burgemeester het vertrouwen bij coffeeshophouders heeft gewekt dat hij niet actief naar externe voorraden softdrugs van coffeeshops op zoek zal gaan en dat hij in het verleden vaker een oogje heeft toegeknepen.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:485) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

5.2. Het betoog faalt, omdat [appellant A] en [appellant B] zich niet beroepen op een aan de burgemeester toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging waaraan zij de verwachting hebben kunnen ontlenen dat het beleid in hun geval niet zal worden toegepast.

6. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. [appellant A] en [appellant B] voeren daartoe aan dat de burgemeester niet handhavend heeft opgetreden tegen de externe voorraden softdrugs en de inpakafdelingen van andere coffeeshops.

6.1. Dit betoog faalt, omdat [appellant A] en [appellant B] zich niet beroepen op een concreet geval waarbij de burgemeester een externe voorraad softdrugs van een andere coffeeshop in een lokaal heeft aangetroffen en niet tot sluiting van het desbetreffende lokaal is overgegaan.

7. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de sluiting van het pand geen strafsanctie is in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). [appellant A] en [appellant B] voeren daartoe aan dat de sluiting niet als een vorm van herstel kan worden aangemerkt, omdat de door de burgemeester geconstateerde overtreding met de inbeslagname van de in het pand aangetroffen softdrugs was beëindigd. Voorts voeren zij aan dat het aanhouden van een externe voorraad softdrugs voor de coffeeshops geen te herstellen schending van de openbare orde met zich brengt, omdat het aanhouden van een dergelijke voorraad een logisch gevolg is van het gedoogbeleid voor coffeeshops.

7.1. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het EVRM wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

7.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447, volgt dat een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel strekt tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb, waarbij door toepassing van een herstelsanctie wordt opgetreden tegen schending van verboden, neergelegd in de Opiumwet. Ingevolge artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt onder herstelsanctie verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Nu de toepassing van bestuursdwang in het onderhavige geval niet verder strekt, is geen sprake van een strafsanctie.

Het betoog faalt.

8. [appellant A] en [appellant B] betogen ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 25 november 2014 een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM oplevert, omdat de toepassing van bestuursdwang in dit geval onevenredig is verhouding in tot het daarmee beoogde doel.

8.1. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

8.2. Voor zover het besluit van 25 november 2014 inbreuk maakt op het ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde recht van [appellant A], dan wel [appellant B], is de bij dat besluit aangewende bevoegdheid neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en dus bij wettelijk voorschrift voorzien. Gezien het hiervoor onder 3.3 en 4.3 is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat in dit geval een redelijk evenwicht ontbreekt tussen het met de toepassing van deze bepaling gediende algemeen belang en de nadelige gevolgen daarvan voor [appellant A] en [appellant B].

Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Borman w.g. Robben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

610.