Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201503879/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4105, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 van [appellante] op nihil vastgesteld en het uitbetaalde voorschot van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503879/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2015 in zaak nr. 14/7955 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 van [appellante] op nihil vastgesteld en het uitbetaalde voorschot van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 17 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2015 heeft de rechtbank het door

[appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 201503889/1/A2 op 23 december 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.B. Spaargaren, advocaat te Den Haag, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij deze dienst, zijn verschenen.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. De Afdeling heeft het onderzoek heropend.

[appellante] heeft een nadere reactie ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. [appellante] heeft de maanden januari tot en met september van het jaar 2009 gebruik gemaakt van gastouderopvang via gastouderbureau [gastouderbureau 2] en van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 via gastouderbureau [gastouderbureau 1]. In verband hiermee heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan haar over 2009 een voorschot toegekend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit voorschot daarna nog enkele keren herzien.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 24 december 2010, als gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft gereageerd op het herhaald verzoek om informatie over de daadwerkelijk in 2009 gemaakte kosten van kinderopvang en dat daarom niet kan worden vastgesteld of zij recht heeft op een kinderopvangtoeslag over 2009.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2009 terecht op nihil heeft vastgesteld en het uitbetaalde voorschot terecht van haar heeft teruggevorderd. Zij voert daartoe aan dat zij slachtoffer is geworden van frauduleus handelen door gastouderbureau [gastouderbureau 2]. Het voorschot kinderopvangtoeslag is door de Belastingdienst/Toeslagen rechtstreeks aan dit gastouderbureau uitbetaald en het gastouderbureau heeft vervolgens de gastouder betaald, maar voor een veel lager bedrag dan waarop de gastouder recht had.

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de draagkracht en de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:770) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte ervan is. Hieruit volgt dat het aan [appellante], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, is om documenten over te leggen waaruit de hoogte van de gemaakte kosten van kinderopvang kan worden afgeleid.

[appellante] heeft over 2009 alleen een jaaropgave van [gastouderbureau 1] overgelegd over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009. Zij heeft geen documenten, zoals een jaaropgave of facturen, overgelegd waaruit de hoogte van de kosten van kinderopvang via gastouderbureau [gastouderbureau 2] kan worden afgeleid. Nu de hoogte van de kosten via gastouderbureau [gastouderbureau 2] niet is gebleken, heeft [appellante] ook niet kunnen aantonen dat zij deze kosten heeft betaald. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] geen betaalbewijzen heeft overgelegd met betrekking tot de periode waarin zij gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang via gastouderbureau [gastouderbureau 1], terwijl de Belastingdienst/Toeslagen daar meerdere keren om heeft verzocht. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] geen recht heeft op een kinderopvangtoeslag over 2009. Dat, zoals

[appellante] heeft gesteld, zij het slachtoffer is geworden van frauduleus handelen door gastouderbureau [gastouderbureau 2], maakt het voorgaande niet anders. Het is aan haar, als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, om een deugdelijke administratie bij te houden, waaruit de hoogte van de verschuldigde en daadwerkelijk betaalde kosten van de genoten kinderopvang blijkt en om aan te tonen dat zij alle kosten van kinderopvang daadwerkelijk heeft betaald. Gelet hierop komt het voor rekening en risico van [appellante] dat zij, zoals zij heeft aangevoerd, vanaf september 2009 niets meer van gastouderbureau [gastouderbureau 2] heeft vernomen, dat zowel gastouderbureau [gastouderbureau 2] als gastouderbureau [gastouderbureau 1] failliet zijn en niet meer te bereiken zijn en dat zij daarom niet meer aan de benodigde documenten heeft kunnen komen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 terecht op nihil heeft vastgesteld.

2.3. In artikel 26 van de Awir is dwingend bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. Nu de kinderopvangtoeslag over 2009 aan [appellante] als aanvrager en belanghebbende is toegekend en de toeslag is uitbetaald op het door haar in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de te veel betaalde voorschotten terecht van haar teruggevorderd.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Kramer

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

362-680.