Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201505503/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5878, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2014 heeft de minister krachtens artikel 9 van de Paspoortwet en de artikelen 9 en 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: de Pub), een aanvraag van het kind om hem een nationaal paspoort te verlenen niet in behandeling genomen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 1
Rijkswet op het Nederlanderschap 3
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/219 met annotatie van mr. V. Kidjan en mr. T. van Houwelingen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505503/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groot-Brittannië, voor het minderjarige kind [naam kind],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2015 in zaak nr. 14/11009 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2014 heeft de minister krachtens artikel 9 van de Paspoortwet en de artikelen 9 en 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: de Pub), een aanvraag van het kind om hem een nationaal paspoort te verlenen niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de minister het daartegen door [appellant] mede namens het kind gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] mede namens het kind ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] mede namens het kind hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat te Amersfoort, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. van Dinter, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is bij Koninklijk Besluit van 21 december 1998 het Nederlanderschap verleend. Hij heeft zijn Liberiaanse nationaliteit behouden. Op 23 mei 2004 is hij in Liberia getrouwd. Dit huwelijk (hierna: het eerste huwelijk) is door het overlijden van de vrouw (hierna: de eerste echtgenote) geëindigd. Op 27 januari 2007 is [appellant] in Liberia met de moeder van het kind getrouwd. Het kind is op 8 november 2007 in Liberia geboren. Het kind heeft de Liberiaanse nationaliteit. In geschil is of het ook de Nederlandse nationaliteit heeft.

2. De minister heeft de aanvraag van het kind niet in behandeling genomen, omdat het huwelijk waaruit het is geboren ten tijde van zijn geboorte polygaam was en derhalve wegens strijd met de openbare orde niet kan worden erkend. Het eerste huwelijk is namelijk eerst na de geboorte van het kind, door het overlijden van de eerste echtgenote op 30 december 2007, geëindigd. Volgens de minister heeft [appellant] daarom nooit in een familierechtelijke betrekking tot het kind gestaan, was hij ten tijde van de geboorte van het kind daarom niet zijn vader in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) en heeft het kind niet van rechtswege het Nederlanderschap verkregen.

3. [appellant] heeft bij brief van 27 januari 2016 nadere stukken overgelegd. Het gaat om een kopie van een brief van zijn Liberiaanse advocaat van 17 juni 2015 aan het Liberiaanse Ministry of Health & Social Welfare, waarin wordt verzocht de overlijdensdatum van de eerste echtgenote te corrigeren van 30 december 2007 naar 30 september 2007, een kopie van een overlijdensakte van de eerste echtgenote, waarin 30 september 2007 als overlijdensdatum is vermeld, een kopie van bijbehorende legalisatiedocumenten en een kopie van een brief van de principal registrar van het Bureau of Vital and Health Statistics van het Liberiaanse Ministry of Health and Social Welfare van 22 juni 2015, waarin onder meer is vermeld dat de eerste echtgenote op 30 september 2007 is overleden. Volgens [appellant] blijkt uit die stukken dat de eerste echtgenote voor de geboorte van het kind is overleden, zodat het huwelijk waaruit het kind is geboren ten tijde van diens geboorte niet polygaam was.

De minister stelt zich op het standpunt dat [appellant] in de besluitvormingsfase, in beroep en in zijn hogerberoepschrift niet heeft aangevoerd dat de overlijdensdatum van 30 december 2007 incorrect is. Volgens hem is onderzoek noodzakelijk om de echtheid van de bij de brief van 27 januari 2016 overgelegde stukken en de juistheid van de inhoud van die stukken vast te stellen. Die stukken moeten in hoger beroep buiten beschouwing blijven, aldus de minister.

3.1. [appellant] heeft in de besluitvormingsfase een overlijdensakte overgelegd waarin is vermeld dat de eerste echtgenote op 30 december 2007 is overleden. De minister is op grond daarvan bij zijn besluitvorming van die datum uitgegaan. Gedurende de besluitvorming noch in beroep heeft [appellant] aangevoerd dat die overlijdensdatum onjuist is. Nu de rechtbank het besluit van 28 oktober 2014 aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden moest toetsen naar het recht en de feiten ten tijde van dat besluit, kunnen de door [appellant] bij de brief van 27 januari 2016 overgelegde stukken niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De Afdeling zal deze stukken daarom verder niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrekken.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond heeft verworpen dat het huwelijk waaruit het kind is geboren, hoewel dat polygaam was, in zijn geval toch moet worden erkend. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat dat huwelijk feitelijk niet polygaam was, omdat hij niet tegelijkertijd twee gemeenschappelijke huishoudingen heeft gevoerd, en de polygame situatie slechts kort heeft geduurd. Voorts is de rechtbank niet ingegaan op de door hem aangehaalde beschikkingen van het gerechtshof Amsterdam van 12 november 1998 in zaak nr. 69/98 (NIPR 1999/137) en het gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:4394), aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder vader verstaan: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend.

Ingevolge artikel 32 wordt, ongeacht artikel 31, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Ingevolge artikel 33 zijn de artikelen 31 en 32 van toepassing ongeacht of over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een huwelijk als hoofdvraag, dan wel in verband met een andere vraag wordt beslist.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:

a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;

b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, is artikel 100, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.

4.2. Aan de beoordeling of [appellant] bij de geboorte van het kind in een familierechtelijke betrekking tot hem stond, gaat ingevolge artikel 33 van Boek 10 van het BW de vraag vooraf of het huwelijk waaruit het kind is geboren overeenkomstig de artikelen 31 en 32 als rechtsgeldig kan worden erkend. Voor zover [appellant] met zijn verwijzing naar de beschikking van 1 oktober 2014 bedoelt te betogen dat op grond van de Liberiaanse geboorteakte van het kind ingevolge artikel 101, eerste lid, van Boek 10 van het BW, van diens familierechtelijke betrekking met de in die geboorteakte als vader vermelde [appellant] moet worden uitgegaan, kan dit betoog niet worden gevolgd. Uit die geboorteakte blijkt immers niet meer dan dat het kind is geboren uit het huwelijk van zijn moeder met [appellant]. Dat het gerechtshof Den Haag in de beschikking van 1 oktober 2014 in het daarin voorliggende geval wel tot toepassing van artikel 101, eerste lid, is gekomen, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7705) volgt dat met de Nederlandse openbare orde onverenigbaar is dat een persoon tegelijkertijd met meer dan een persoon gehuwd kan zijn en dat erkenning van een polygaam huwelijk dat in het buitenland is gesloten slechts kan worden onthouden indien de Nederlandse rechtsorde er in voldoende mate bij is betrokken. Het huwelijk waaruit het kind is geboren is in voldoende mate bij de Nederlandse rechtsorde betrokken, reeds omdat voor hem op grond van dat huwelijk een nationaal paspoort is aangevraagd. Nu dat huwelijk ten tijde van de geboorte van het kind polygaam was, kan dat ingevolge artikel 32 van Boek 10 van het BW wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde niet als rechtsgeldig worden erkend. De feitelijke invulling en de duur van de polygame situatie is hierbij niet van belang. Dit betekent dat [appellant] niet op grond van dat huwelijk in een familierechtelijke betrekking tot het kind is komen te staan. [appellant] was ten tijde van de geboorte van het kind derhalve niet diens vader in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, zodat het kind niet ingevolge artikel 3, eerste lid, van de RWN, het Nederlanderschap heeft verkregen. Voormelde beschikking van 12 november 1998 kan aan het voorgaande niet afdoen, omdat het daarin ging om de erkenning van een in het buitenland gesloten huwelijk dat door de ontbinding gedurende dat huwelijk van een eerder gesloten huwelijk op het in die zaak van belang zijnde moment niet meer polygaam was. Een dergelijke situatie doet zich in deze zaak, waarin de geboortedag van het kind het van belang zijnde moment is, niet voor.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft verworpen. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank uitsluitend heeft beoordeeld of het niet erkennen van het huwelijk waaruit het kind is geboren in strijd is met die bepaling en heeft nagelaten te beoordelen of het niet verlenen van een nationaal paspoort daarmee in strijd is. Volgens hem is het onthouden van een nationaal paspoort in strijd met het door die bepaling beschermde recht op het privéleven van het kind, omdat het van invloed is op diens sociale identiteit. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op het door hem in dit kader gedane beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 oktober 2011, Genovese/Malta, nr. 53124/09, (www.echr.coe.int) aldus [appellant].

5.1. Voor zover [appellant] met zijn verwijzing in beroep naar het arrest Genovese/Malta heeft bedoeld te betogen dat het in strijd is met artikel 14 van het EVRM, gelezen in samenhang met artikel 8, om een persoon die uit een polygaam huwelijk is geboren ongelijk te behandelen met een persoon die uit een monogaam huwelijk is geboren, door alleen die eerste persoon op grond van het niet erkennen van het desbetreffende huwelijk een paspoort te weigeren, heeft de rechtbank dat betoog terecht niet gehonoreerd. Voor die ongelijke behandeling bestaat immers een objectieve en redelijke rechtvaardiging in de handhaving van de openbare orde. Dat het onthouden van een paspoort onder het toepassingsbereik van artikel 8 van het EVRM kan vallen, zoals uit het arrest Genovese/Malta kan worden afgeleid, betekent voorts niet dat dat onthouden van een paspoort in dit geval in strijd met die bepaling is. [appellant] heeft immers geen omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het privéleven van het kind door dat onthouden in zodanige mate wordt beperkt dat artikel 8 van het EVRM tot verlening ervan noopt.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

620.