Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201506944/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2015, kenmerk 15R.00234, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Harmelen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/591
JBO 2016/186 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506944/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Harmelen, gemeente Woerden,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Harmelen, gemeente Woerden, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

appellanten,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015, kenmerk 15R.00234, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Harmelen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2016, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. Pothast, en de raad, vertegenwoordigd door S. Gabriel, M. Luhulima en M. Dutting, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van Harmelen.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1] (hierna: het betrokken perceel) te Harmelen. Hij betoogt dat een op het betrokken perceel aanwezige tweede bedrijfswoning, met huisnummer [.], ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl deze bedrijfswoning al meer dan 100 jaar op het perceel aanwezig is en al lange tijd wordt bewoond. Volgens [appellant sub 1] blijkt dit bijvoorbeeld uit de jaarlijkse beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) en uit een bij een op 21 januari 1997 verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer (hierna: milieuvergunning) behorende tekening, waarop de tweede bedrijfswoning staat weergegeven. [appellant sub 1] vreest dat het plan tot gevolg heeft dat zijn in het betrokken gebouw wonende moeder - die zorg behoeft - haar huis zal moeten verlaten.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het als tweede bedrijfswoning bestemmen van het gebouw aan de [locatie 2] in strijd zou zijn met het gemeentelijk beleid om geen nieuwe bedrijfswoningen in het buitengebied toe te staan. De raad wijst erop dat ook op grond van het voorheen geldende plan slechts één bedrijfswoning op het perceel was toegestaan. Volgens de raad is geen vergunning verleend voor de tweede bedrijfswoning. Verder stelt de raad dat voor [locatie 2] niet is aangetoond dat deze woning reeds lange tijd wordt bewoond en dat dat in ieder geval ook niet uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) is af te leiden. Volgens de raad volgt wel uit de BRP dat pas sinds 2011 iemand staat ingeschreven op het adres [locatie 2]. Gelet daarop gaat hij ervan uit dat de woning op dat adres pas sinds 2011 bewoond wordt. Volgens de raad kan voorts aan de WOZ-beschikkingen geen recht worden ontleend dat [locatie 2] als bedrijfswoning zou worden bestemd.

3.2. Aan het betrokken perceel is, voor zover van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder k, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor het wonen ten behoeve van het bedrijf, waarbij het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak niet meer bedraagt dan één, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden". Hieruit volgt dat naast de bedrijfswoning aan de [locatie 1] een tweede bedrijfswoning op het betrokken perceel niet bij recht is toegestaan.

3.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Harmelen", vastgesteld door de raad op 28 februari 2002 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Utrecht op 14 oktober 2002, was aan het betrokken perceel de bestemming "Agrarisch gebied met Landschapswaarden" toegekend. Verder was aan de gronden van het betrokken perceel één bouwperceel toegekend. Het plan is in zoverre onherroepelijk geworden op 17 december 2003.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften mocht binnen elk bouwperceel op de gronden met deze bestemming uitsluitend worden gebouwd de bij één agrarisch bedrijf passende en doelmatige bebouwing. Onder die bebouwing waren begrepen ten hoogste één woning, zijnde de bedrijfswoning, en daarbij behorende gebouwen.

Ingevolge artikel 27, vijfde lid, mocht het gebruik dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het plan van in het plan begrepen gronden en bouwwerken in afwijking van het plan - behoudens het in dit artikel bepaalde - werd gemaakt:

a. worden voorgezet en

b. worden veranderd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot.

3.4. In de plantoelichting staat dat op basis van de inventarisatie, gebiedsbeschrijving en gebiedsanalyse ten behoeve van het plan de keuze is gemaakt om per agrarisch bedrijf één bedrijfswoning toe te staan. Volgens de plantoelichting wordt het gevoerde terughoudende beleid met betrekking tot tweede bedrijfswoningen ingegeven door het feit dat in het verleden tweede bedrijfswoningen vaak zijn afgesplitst van het bedrijf en daardoor feitelijk burgerwoningen zijn geworden. Dit is enerzijds in strijd met het beleid om geen nieuwe burgerwoningen aan het buitengebied toe te voegen. Anderzijds kan de agrariër zich daarmee ook zelf in de vingers snijden, omdat de milieutoetsing op het aspect stankhinder dan zwaarder kan gaan uitvallen. Overigens zou een tweede bedrijfswoning slechts dan kunnen worden toegelaten indien er sprake is van intensief toezicht op het bedrijf en het bedrijf werkgelegenheid biedt aan twee volwaardige arbeidskrachten. Een tweede bedrijfswoning zal daarom alleen bij hoge uitzondering kunnen worden toegelaten. Op dat moment kan daarvoor een planherziening worden opgesteld, aldus de plantoelichting. Verder staat in de plantoelichting dat het beleid met betrekking tot nieuwe tweede agrarische bedrijfswoningen uit het voorgaande bestemmingsplan ongewijzigd is overgenomen.

3.5. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant sub 1], noch de raad over een vergunning voor het oprichten van een tweede (bedrijfs)woning op het betrokken perceel beschikt. Gelet hierop moet het ervoor gehouden worden dat voor de oprichting van de woning aan de [locatie 2] geen bouw- of omgevingsvergunning is verleend. Uit de plankaart van het voorheen geldende plan "Buitengebied Harmelen", in samenhang bezien met artikel 5, lid 2, van de voorschriften van dat plan, volgt verder dat op het betrokken perceel ingevolge dat plan slechts één woning bij recht was toegestaan. De raad heeft zich onder die omstandigheid in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het als tweede bedrijfswoning bestemmen van dat gebouw, in strijd met het door hem gevoerde beleid, in planologisch opzicht een nieuwe tweede bedrijfswoning mogelijk zou maken. Niet is gebleken dat aan de in het beleid geformuleerde voorwaarden voor het toestaan van een tweede bedrijfswoning is voldaan. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niettemin dit gebouw als bedrijfswoning had moeten bestemmen. Voor zover het betoog van [appellant sub 1] dat het betrokken gebouw al lange tijd als woning wordt gebruikt zo moet worden begrepen, dat het gebruik onder het voorheen geldende plan al onder het overgangsrecht viel en daarmee thans opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY7991, dat de bewijslast dat het overgangsrecht van toepassing is rust op degene die zich daarop beroept. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het betrokken gebouw al plaatsvond op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het vorige bestemmingsplan en nadien is voortgezet, zodat geen grond bestaat om aan te nemen dat dit gebruik onder de beschermende werking van het overgangsrecht van dat plan viel. Voor zover [appellant sub 1] ter bewijs van het bestaande gebruik als bedrijfswoning heeft verwezen naar de tekening behorende bij de milieuvergunning voor de veehouderij op het perceel uit 1997, overweegt de Afdeling dat het betrokken gebouw daarop weliswaar is weergegeven, maar dat daaraan op die tekening de aanduiding "zomerhuis" is toegekend, zodat ook daaruit niet kan worden afgeleid dat destijds het gebouw als bedrijfswoning werd gebruikt.

Voorts overweegt de Afdeling, zoals eerder in de uitspraak van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:285, dat aan gebruik in strijd met een geldende bestemmingsregeling geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen kunnen worden ontleend dat voor dat gebruik of het niet als woning vergunde bouwwerk een regeling in het plan moet worden opgenomen. Aan de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat het betrokken gebouw al lange tijd wordt bewoond heeft hij dan ook geen gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat het gebouw thans als bedrijfswoning bestemd zou worden. Ook aan de omstandigheid dat bewoning van het betrokken gebouw in de WOZ-beschikkingen is betrokken, wat daar verder ook van zij, kan die verwachting niet worden ontleend, aangezien de waardevaststelling in het kader van de WOZ niet relevant is bij de beoordeling of een bepaald gebruik tot een goede ruimtelijke ordening strekt. Verder levert ook de omstandigheid dat [appellant sub 1] vreest dat zijn moeder het gebouw zal moeten verlaten, terwijl zij zorg behoeft, geen bijzondere omstandigheid op waarin de raad aanleiding had moeten zien om het gebouw als bedrijfswoning te bestemmen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad er ter zitting op heeft gewezen dat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is neergelegd dat geen omgevingsvergunning is vereist voor activiteiten die betrekking hebben op het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor de huisvesting in verband met mantelzorg. Voor zover bij [appellant sub 1] de wens bestaat om het gebouw als mantelzorgwoning voor zijn moeder te gebruiken kan zijn moeder mogelijk op grond van deze regeling in het betrokken gebouw blijven wonen, aldus de raad.

Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de tweede bedrijfswoning als zodanig had moeten bestemmen.

Het betoog faalt.

4. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

Intrekking beroepsgrond

5. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond dat onvoldoende duidelijk in de planregels is neergelegd dat de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bij herbouw gelijk mag zijn aan de inhoud van de bestaande woning, ingetrokken.

De dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3"

6. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 3] te Harmelen en exploiteert ter plaatse een agrarisch bedrijf. Hij richt zich tegen de in het plan aan dat perceel toegekende dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Acheologie 3". Volgens [appellant sub 2] heeft de raad zich bij het toekennen van deze dubbelbestemmingen uitsluitend gebaseerd op de in 2010 vastgestelde archeologische beleidskaart en is ten onrechte geen nader onderzoek verricht tijdens de voorbereiding van het plan. [appellant sub 2] stelt dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid, te meer nu hij er in zijn naar voren gebrachte zienswijze op heeft gewezen dat op zijn perceel reeds bodemverstoring heeft plaatsgevonden.

Voorts stelt [appellant sub 2] dat, anders dan de raad in de Nota van Beantwoording Zienswijzen heeft toegezegd, ten onrechte niet in de planregels is opgenomen dat als door middel van schriftelijke bronnen kan worden aangetoond dat sprake is van bodemverstoring, archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Daarnaast acht [appellant sub 2] de aan de dubbelbestemmingen verbonden verplichtingen en gebruiksbeperkingen onnodig belemmerend voor zijn bedrijfsvoering. Ter zitting heeft hij in dit verband aangevoerd dat hij voor bijvoorbeeld het aanleggen van een leiding, dan wel het trekken van kabels steeds een omgevingsvergunning zal moeten aanvragen.

6.1. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch met Waarden" toegekend. Aan het noordelijke gedeelte van het perceel is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. Aan het zuidelijke gedeelte is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" toegekend.

Voor gronden met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" is in de planregels bepaald dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, tenzij de aanvraag betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het peil niet wordt uitgebreid, wanneer de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 500 m2, respectievelijk 10.000 m2, en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm, respectievelijk 100 cm wordt uitgevoerd. Voorts is in de planregels opgenomen dat voor diverse werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden over een oppervlakte van meer dan 500 m2, respectievelijk 10.000 m2 en op een diepte van meer dan 30 cm, respectievelijk 100 cm, een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, tenzij één van de uitzonderingen als genoemd in artikel 25, lid 25.4.2, en artikel 26, lid 26.4.2, van de planregels van toepassing zijn. Voorts is bepaald dat alvorens een vergunning wordt verleend een rapport dient te zijn overgelegd waarin van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad, tenzij naar het oordeel van een door het college aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg de archeologische waarde van het betreffende terrein in andere beschikbare informatie in voldoende mate is vastgesteld. De gehele tekst van de planregels behorende bij de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

6.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verplicht worden gesteld.

Ingevolge het tweede lid kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.

6.3. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5866, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 op het gemeentebestuur de plicht rust zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5437, is voor het opnemen van een beschermingsregeling ten aanzien van archeologische waarden niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vaststaat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen.

In de plantoelichting staat dat voor het toekennen van dubbelbestemmingen met betrekking tot de archeologische verwachtingen in de verbeelding de begrenzingen van de in 2010 door de raad vastgestelde archeologische beleidskaart, opgesteld door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie, zijn aangehouden. Op de archeologische beleidskaart staan volgens de plantoelichting per gebied archeologische waarden en archeologische verwachtingen aangegeven. Uit de archeologische beleidskaart volgt dat het noordelijke gedeelte van het perceel van [appellant sub 2] een hoge verwachtingswaarde, en het zuidelijke gedeelte een lage verwachtingswaarde heeft.

Naar het oordeel van de Afdeling geeft hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op basis van de archeologische beleidskaart op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van beschermingswaardige archeologische waarden in de bodem van het perceel van [appellant sub 2] aannemelijk is en dat het toekennen van archeologische dubbelbestemmingen gelet op de bescherming van die waarden is gewenst. Daartoe is van belang dat de stelling van [appellant sub 2] dat op zijn perceel bodemverstoringen door werkzaamheden als het leggen van kabels en leidingen hebben plaatsgevonden onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat de beleidskaart zodanige onjuistheden of leemten in kennis bevat dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten. In dat verband wordt overwogen dat bodemverstoring niet per definitie tot gevolg heeft dat geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, omdat beschermingswaardige archeologische resten ook direct onder of zelfs tussen verstoringen, zoals kabels en leidingen, aanwezig kunnen zijn. Voorts is van belang dat in het onderzoek dat Vestigia aan de archeologische beleidskaart ten grondslag heeft gelegd grootschalige verstoringen zijn geïnventariseerd en dat de historische kaart met de titel "kadastrale minuut van 1811-1832", waar [appellant sub 2] op heeft gewezen, behoort tot de in het onderzoek betrokken bronnen.

Voor zover [appellant sub 2] ter zitting heeft betoogd dat sprake is van willekeur, nu de breedte van de stroken grond waarop ingevolge de archeologische beleidskaart een hoge verwachtingswaarde aanwezig is in het noorden van de gemeente Woerden slechts 40 m bedraagt, terwijl voor de breedte van de strook met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" waarin zijn perceel is gelegen een breedte van 100 m is gehanteerd, wordt het volgende overwogen. In verband met de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking heeft de raad ter zitting toegelicht dat de breedtes van de stroken grond met een bepaalde archeologische verwachtingswaarde binnen het plangebied kunnen verschillen, omdat dit afhankelijk is van de archeologische waarden die in een specifiek deelgebied aanwezig kunnen zijn. Volgens de raad ligt het perceel van [appellant sub 2] in een historisch bewoningslint, waarvoor in verband met de oppervlakte van vroegere boerenerven en verspreiding van mogelijke archeologische waarden een breedte van 100 m is aangehouden. Bij andere deelgebieden gaat het bijvoorbeeld om landschappelijke eenheden zoals stroomruggen, waarbij de breedte is bepaald aan de hand van paleogeografisch onderzoek en afhankelijk is van fysiogeografische factoren. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

6.4. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat in de planregels onvoldoende is geborgd dat als door middel van schriftelijke bronnen kan worden aangetoond dat sprake is van bodemverstoring, archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 25, lid 25.4.3, sub b, en artikel 26, lid 26.4.3, sub b, van de planregels is bepaald dat alvorens een vergunning wordt verleend een rapport dient te zijn overgelegd waarin van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad, tenzij naar het oordeel van een door het college aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg de archeologische waarde van het betreffende terrein in andere beschikbare informatie in voldoende mate is vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit deze planregels eenduidig volgt dat indien een initiatiefnemer door middel van andere beschikbare informatie kan aantonen dat, bijvoorbeeld door verstoring, archeologische resten niet (meer) aanwezig zijn, archeologisch onderzoek ten behoeve van een omgevingsvergunning achterwege kan blijven. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de raad hiermee de onderzoeksplicht ten onrechte bij hem heeft neergelegd, overweegt de Afdeling dat artikel 39, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt - waarvan in dit plan gebruik is gemaakt - om in een plan te bepalen dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

6.5. Met betrekking tot de vrees van [appellant sub 2] voor belemmering van zijn bedrijfsvoering omdat hij voor allerlei werkzaamheden, zoals het trekken van kabels en het aanleggen van leidingen, een vergunning zal moeten aanvragen, overweegt de Afdeling dat de ingevolge artikel 25, lid 25.4.1, en artikel 26, lid 26.4.1, van de planregels vereiste omgevingsvergunning uitsluitend ziet op de daarin genoemde werken en werkzaamheden en dan uitsluitend voor zover die betrekking hebben op bodemingrepen met een diepte van meer dan 30 cm en een oppervlakte van meer dan 500 m2 op gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en een diepte van meer dan 100 cm en een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 op gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3". [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke werkzaamheden op zijn perceel, anders dan op incidentele basis, deel uitmaken van zijn reguliere bedrijfsvoering. Voorts zijn hiervan uitgezonderd werken en werkzaamheden in het kader van het normale gebruik en onderhoud, werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het vaststellen van het plan en het vervangen van bestaande drainage. Hetgeen Van Zijlen heeft aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat hij ten gevolge van de aan zijn perceel toegekende dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" en het daaraan verbonden vereiste van een voorafgaande omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de in artikel 25, lid 25.4.1, en artikel 26, lid 26.4.1, van de planregels genoemde werken en werkzaamheden onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd.

Het betoog faalt.

De planregels

7. [appellant sub 2] stelt dat onduidelijk is wat onder ‘normaal gebruik’ als bedoeld in artikel 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en artikel 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, van de planregels moet worden verstaan, zodat het plan in zoverre rechtsonzeker is.

Voorts richt [appellant sub 2] zich tegen artikel 28, lid 28.3, sub a, onder 4, van de planregels, voor zover daarin is bepaald dat de breedte van percelen na het dempen van watergangen 100 m mag bedragen. Volgens [appellant sub 2] is in reactie op zijn zienswijze de toezegging gedaan dat de breedte na demping 110 m mag bedragen.

7.1. Ingevolge artikel 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en artikel 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, van de planregels, samengevat weergegeven, geldt het verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die zijn genoemd in artikel 25, lid 25.4.1, respectievelijk artikel 26, lid 26.4.1, uit te voeren niet voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale gebruik en onderhoud.

Ingevolge artikel 1, lid 1.44, wordt onder normaal beheer en onderhoud verstaan: onderhoud dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren.

Ingevolge artikel 28, lid 28.3, sub a, aanhef en onder 4, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning watergangen, sloten en waterpartijen te dempen, voor zover daardoor percelen ontstaan die breder zijn dan 100 m na dempen.

7.2. De raad heeft ter zitting erkend dat het opnemen van de zinsnede "normale gebruik" in de artikelen 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, van de planregels onjuist is en dat hij heeft beoogd aldaar de zinsnede "normaal beheer" op te nemen.

Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat het opnemen van 100 m in plaats van 110 m in artikel 28, lid 28.3, sub a, onder 4, van de planregels in strijd is met zijn bedoeling en de Afdeling verzocht het beroep gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien door de planregel in zoverre te wijzigen.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de artikelen 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, en artikel 28, lid 28.3, sub a, aanhef en onder 4, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Inlassen zienswijzen

8. [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de Nota van Beantwoording zienswijzen is ingegaan op deze zienswijze. Afgezien van wat hiervoor aan de orde is geweest heeft [appellant sub 2] in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onvoldoende of onjuist zou zijn.

Conclusie

9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.2 is het beroep van [appellant sub 2] gegrond. Het bestreden besluit, voor zover het betreft de tekst "normale gebruik" in de artikelen 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, en de tekst "100 m" in artikel 28, lid 28.3, sub a, onder 4, van de planregels, dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe zal de Afdeling bepalen dat in artikel 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en artikel 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, van de planregels de tekst "normale gebruik" wordt vervangen door "normaal beheer". Verder zal de Afdeling bepalen dat in artikel 28, lid 28.3, sub a, onder 4, van de planregels de tekst "100 m" wordt vervangen door "110 m". De uitspraak treedt voor deze planonderdelen in de plaats van het bestreden besluit.

Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat het een in beide gevallen een verschrijving betreft en dat [appellant sub 2] ter zitting heeft verklaard dat als de planregels op de hierboven beschreven wijze worden aangepast, zijn bezwaar tegen die planregels vervalt. Verder acht de Afdeling het niet aannemelijk dat derde belanghebbenden door deze wijzigingen in hun belangen kunnen worden geschaad.

10. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro ziet de Afdeling voorts aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van deze uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Woerden van 25 juni 2015, kenmerk 15R.00234, voor zover het betreft de tekst "normale gebruik" in de artikelen 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, van de planregels en de tekst "100 m" in artikel 28, lid 28.3, sub a, onder 4, van de planregels;

III. bepaalt dat in artikel 25, lid 25.4.2, sub a, onder 1, en artikel 26, lid 26.4.2, sub a, onder 1, van de planregels de tekst "normale gebruik" wordt vervangen door "normaal beheer", en in artikel 28, lid 28.3, sub a, onder 4, van de planregels de tekst "100 m" wordt vervangen door "110 m";

IV. bepaalt dat deze uitspraak, voor zover het betreft de planonderdelen genoemd onder III, in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het betreft de planonderdelen genoemd onder II;

V. draagt de raad van de gemeente Woerden op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hierdoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Woerden tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Woerden aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Koeman w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

325-820.

BIJLAGE

Planregels behorende bij de bestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en Waarde - Archeologie 3"

Artikel 25 Waarde - Archeologie 2

25.1 Bestemmingsomschrijving

De op voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden (middelhoge verwachtingswaarde).

25.2 Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 500 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd:

a. dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in de Wabo een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, tenzij de aanvraag betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid;

b. kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo de volgende regels worden verbonden:

1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

3. de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties;

c. kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde onder b indien in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van burgemeester en wethouders is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.

25.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 25.2 sub a voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport indien naar oordeel van een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in andere beschikbare informatie in voldoende mate is vastgesteld.

25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

25.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op een diepte van meer dan 0,3 m beneden maaiveld en over een oppervlakte van meer dan 500 m2 uit te voeren:

a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;

b. het ploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte;

c. het verbreden, verdiepen, graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen;

d. het aanplanten en/of het rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd en/of voorzover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem wordt geroerd;

e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en bovengrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

f. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van het grondwaterpeil;

g. het verwijderen van fundamenten;

h. het ophogen van gronden;

i. het scheuren van grasland en diepploegen;

j. het aanbrengen van diepwortelende beplanting.

25.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

a. Het in sublid 25.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale gebruik en onderhoud;

2. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan;

3. het vervangen van bestaande drainage;

4. in het kader van archeologisch vooronderzoek, mits dit onderzoek wordt verricht door een hiertoe bevoegde instantie;

b. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein, binnen dan wel deel uitmakend van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven.

25.4.3 Beoordelingscriteria

a. De in sublid 25.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

b. Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in sublid 25.4.1 dient een rapport te zijn overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld;

2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn;

3. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad;

tenzij naar oordeel van een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in andere beschikbare informatie in voldoende mate is vastgesteld.

25.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 25.4.1 de volgende regels verbinden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen;

c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

25.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomen geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek daartoe aanleiding geeft.

Artikel 26 Waarde - Archeologie 3

26.1 Bestemmingsomschrijving

De op voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden (lage verwachtingswaarde).

26.2 Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 10.000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 100 cm wordt uitgevoerd:

a. dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in de Wabo een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, tenzij de aanvraag betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid;

b. kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo de volgende regels worden verbonden:

1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

3. de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties;

c. kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde onder b indien in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van burgemeester en wethouders is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.

26.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2 sub a voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport indien naar oordeel van een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in andere beschikbare informatie in voldoende mate is vastgesteld.

26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

26.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op een diepte van meer dan 100 cm beneden maaiveld en over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 uit te voeren:

a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;

b. het ploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte;

c. het verbreden, verdiepen, graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen;

d. het aanplanten en/of het rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd en/of voorzover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem wordt geroerd;

e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en bovengrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

f. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van het grondwaterpeil;

g. het verwijderen van fundamenten;

h. het ophogen van gronden;

i. het scheuren van grasland en diepploegen;

j. het aanbrengen van diepwortelende beplanting.

26.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

a. Het in sublid 26.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale gebruik en onderhoud;

2. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan;

3. het vervangen van bestaande drainage;

4. in het kader van archeologisch vooronderzoek, mits dit onderzoek wordt verricht door een hiertoe bevoegde instantie.

b. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein, binnen dan wel deel uitmakend van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven.

26.4.3 Beoordelingscriteria

a. De in sublid 26.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

b. Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in sublid 26.4.1 dient een rapport te zijn overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld;

2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn;

3. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad;

tenzij naar oordeel van een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in andere beschikbare informatie in voldoende mate is vastgesteld.

26.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 26.4.1 de volgende regels verbinden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen;

c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

26.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomen geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek daartoe aanleiding geeft.