Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1494

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201504853/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 mei 2013 heeft [appellant] bij de voorzitter van stadsdeel Noord (hierna: het stadsdeel) een verzoek ingediend om met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) documenten over het project voedseltuin IJplein (hierna: het project), waaronder de statuten en de financiële verantwoording en met name de allocatie van de toegekende subsidiesom, openbaar te maken.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/254 met annotatie van N. Jak
JG 2016/52 met annotatie van mr. M. Claessens en H. Ekici
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504853/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2015 in zaak nr. 14/390 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie Noord van de gemeente Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van 14 mei 2013 heeft [appellant] bij de voorzitter van stadsdeel Noord (hierna: het stadsdeel) een verzoek ingediend om met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) documenten over het project voedseltuin IJplein (hierna: het project), waaronder de statuten en de financiële verantwoording en met name de allocatie van de toegekende subsidiesom, openbaar te maken.

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel (thans: het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie Noord, hierna: het dagelijks bestuur) op dit verzoek beslist en daarbij stukken over het project toegezonden.

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2015, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 maart 2016 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2016, waar [appellant], bijgestaan door J.A.M. van Oers, advocaat in Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door D.M.B. Coumou, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het stadsdeel heeft een gebruiksovereenkomst gesloten met de stichting Stichting De Wending (hierna: de stichting) voor het gebruik om niet van twee percelen grond als moestuin en/of gebruikstuin door buurtbewoners (hierna: de gebruiksovereenkomst). De stichting BuitenRuimte voor Contact (hierna: BRvC) is uitvoerder van het project. De stichting beheert de aanpak van BRvC. Het stadsdeel heeft voor het project een aanvraag gedaan op grond van het reglement voor de Groengelden 2011-2014 (hierna: het reglement Groengelden). De Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam (hierna: de DRO) is beheerder van de Groengelden. De DRO heeft uit de Groengelden € 20.000 aan het project bijgedragen. Het stadsdeel kan de DRO een factuur sturen voor gemaakte kosten. Na goedkeuring door de accountant zal de DRO de bijdrage betalen.

2. De rechtbank heeft overwogen dat BRvC niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob, en het dagelijks bestuur derhalve niet gehouden was informatie te verstrekken waarover BRvC volgens [appellant] zou beschikken. Dat het project is gelegen in de openbare ruimte van Amsterdam-Noord en het dagelijks bestuur hieraan deelneemt, maakt niet dat het dagelijks bestuur een overwegende invloed op BRvC heeft. Ook uit de gebruiksovereenkomst volgt niet dat het dagelijks bestuur verantwoordelijkheid voor het project heeft.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur gemotiveerd heeft uiteengezet dat het over niet meer documenten beschikt dan aan [appellant] zijn verstrekt. Het is in beginsel aan [appellant] om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder het dagelijks bestuur berust. [appellant] heeft dit volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.

3. [appellant] bestrijdt deze overwegingen van de rechtbank.

Daartoe voert hij aan dat het project is gelegen in de openbare ruimte van Amsterdam-Noord en het dagelijks bestuur hieraan deelneemt. Voorts is in de gebruiksovereenkomst opgenomen dat het dagelijks bestuur als beheerder van de gronden optreedt. Ook vermeldt de website van de stichting dat de stichting een netwerk vormt met zelfstandige ondernemers, zij de aanpak van BRvC beheert en de ondernemers het in licentie uitvoeren. Dit duidt op een vorm van controle en invloed die rechtstreeks te herleiden is tot het dagelijks bestuur. Voorts lag het initiatief tot subsidieaanvraag voor het project bij het dagelijks bestuur. Voor zover de subsidieverordening niet van toepassing is op het project, had het dagelijks bestuur zijn verzoek moeten doorzenden naar de centrale stad, aldus [appellant].

Voorts is er ten onrechte geen subsidiebesluit genomen. Onder deze omstandigheden is het niet evenredig om hem aannemelijk te laten maken welke documenten ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 mei 2014 in zaak nr. 201307084/1/A3) is, om te kunnen bepalen of een instelling, dienst of bedrijf dat zelf geen bestuursorgaan is werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, bepalend in welke mate het bestuursorgaan opdrachten of aanwijzingen kan geven aan de instelling, dienst of bedrijf en/of in hoeverre de instelling, dienst of bedrijf zich dient te richten naar de opdrachten of aanwijzingen van het bestuursorgaan. Dit kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld de statuten van de instelling, dienst of bedrijf of een door het bestuursorgaan en de instelling, dienst of bedrijf gesloten overeenkomst.

De stichting is een privaatrechtelijke rechtspersoon. Zij is geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien zij niet is ingesteld krachtens publiekrecht en niet is bekleed met enig openbaar gezag. De stichting heeft als privaatrechtelijk rechtspersoon de gebruiksovereenkomst gesloten met het stadsdeel. Dat ingevolge artikel 9.1 van de gebruiksovereenkomst tot nader order de afdeling Bedrijven en Vastgoed van het stadsdeel als beheerder optreedt, biedt geen grond voor het oordeel dat de stichting en BRvC werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur. Uit die bepaling volgt niet dat het dagelijks bestuur bij de uitvoering van het project opdrachten of aanwijzingen kan geven of dat de stichting en BRvC zich in het kader van het project moeten richten naar de aanwijzingen of opdrachten van het dagelijks bestuur. Dat het stadsdeel de aanvraag heeft gedaan op grond van het reglement Groengelden en het project tot een bedrag van € 20.000 wordt bekostigd met publieke middelen, biedt op zichzelf evenmin grond voor het oordeel dat het project wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur (vergelijk voormelde uitspraak van 14 mei 2014). De vermelding op de website van de stichting over het beheer van de aanpak van BRvC en het uitvoeren in licentie ziet op de verhouding tussen de stichting en BRvC. Hieruit valt derhalve ook niet af te leiden dat de stichting en BRvC in het kader van het project werken onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat het dagelijks bestuur niet gehouden was informatie over het project te verstrekken waarover de stichting en BRvC beschikken.

3.2. Het dagelijks bestuur heeft bij het besluit van 11 juni 2013 documenten over het project die onder hem berustten aan [appellant] verstrekt. Daarbij is aan [appellant] meegedeeld dat geen subsidiebesluit is genomen. Nadat [appellant] tegen dat besluit bezwaar had gemaakt, heeft het dagelijks bestuur de door hem van de DRO verkregen documenten over het project aan [appellant] verstrekt. De DRO heeft ook eigener beweging documenten over het project aan [appellant] verstrekt. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur het verzoek had moeten doorzenden aan de centrale stad, meer in het bijzonder de DRO.

Zoals de rechtbank in het voetspoor van de Afdeling verder terecht heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 10 februari 2016 in zaak nr. 201503753/1/A3) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het niet ongeloofwaardig voorkomt dat ten tijde van het verzoek niet meer informatie over het project onder het dagelijks bestuur berustte dan aan [appellant] is verstrekt. [appellant] heeft met hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

3.3. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Borman w.g. Beerse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

382.