Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201600329/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2015, kenmerk 154939, heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/189 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2017/633
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600329/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Woudenberg,

en

de raad van de gemeente Woudenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2015, kenmerk 154939, heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [partij A], [partij B] en [partij C] (hierna: [partij] en anderen), eigenaren van de [locatie1] en [locatie 2], een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door B. Lowijs, en de raad, vertegenwoordigd door I.K. Kuperus, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partij en anderen, vertegenwoordigd door G.G. Prinsen, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied omvat de percelen [locatie 1] en [locatie 2], almede een daarachter gelegen agrarisch perceel (hierna: het agrarisch perceel). De percelen [locatie 1] en [locatie 2] zijn eigendom van [partij] en anderen. Het agrarisch perceel is eigendom van [appellant]. Voorheen was op deze percelen één agrarisch bedrijf gevestigd. In het voorheen geldend bestemmingsplan "Buitengebied Woudenberg 2010" was, voor zover thans van belang, aan de percelen de bestemming "Agrarisch" toegekend. Voorts was daaraan een bouwblok toegekend dat zich vrijwel geheel uitstrekte over de voormelde drie percelen. Op zowel het perceel [locatie 1]

als [locatie 2] staat een woning. Voorts staan op beide percelen gebouwen van het voormalige agrarische bedrijf. Op het agrarisch perceel is een object aanwezig dat wordt gebruikt voor de opslag van mest.

Het agrarisch perceel is op 26 maart 2013 door de eigenaren van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] verkocht aan [appellant]. De eigenaren hebben de raad gevraagd aan het perceel [locatie 2] een woonbestemming toe te kennen en aan het perceel [locatie 1] een bedrijfsbestemming.

Aan het perceel [locatie 1] is in het plan de bestemming "Bedrijf" toegekend. Binnen die bestemming is een bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van ongeveer 2.825 m2. Aan het perceel [locatie 2] is de bestemming "Wonen" toegekend. Voorts is aan een deel van dat perceel de aanduiding ‘bouwvlak’ toegekend. Aan het agrarisch perceel is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan een deel van die gronden is tevens de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mestzak’ toegekend.

3. [appellant] betoogt dat de aan het agrarische perceel toegekende bestemming het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maakt. Volgens hem zijn mogelijke gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] met de bestemmingen "Bedrijf", respectievelijk "Wonen" ten onrechte niet onderzocht. Hij vreest dat hij door die bestemmingen zal worden beperkt in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het agrarisch perceel.

[appellant] betoogt verder dat de in het plan mogelijk gemaakte bestemming "Bedrijf" op het perceel [locatie 1] niet uitvoerbaar is. In dat verband voert hij aan dat op de gronden met die bestemming ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ geurgevoelige objecten niet zijn toegestaan. Hij wijst er in dit verband op dat op de gronden met de bestemming "Bedrijf" bedrijven tot maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden toegestaan en die Staat nagenoeg alleen bedrijven met een geurgevoelige functie toestaat.

3.1. De Afdeling begrijpt dit betoog zo dat [appellant] daarmee beoogt te betogen dat aan de gronden van de percelen [locatie 1] respectievelijk [locatie 2] ten onrechte de bestemmingen "Bedrijf" respectievelijk "Wonen" zijn toegekend. [appellant] heeft uitsluitend een zienswijze ingediend over het agrarisch perceel dat hij in eigendom heeft en heeft in dat verband in zijn zienswijze gesteld alleen met een wijziging van het voorheen geldende bestemmingsplan in te kunnen stemmen als het daarin opgenomen bouwblok op dat perceel wordt behouden of wordt toegevoegd aan zijn bouwblok van het perceel [locatie 3]. Hij heeft daarmee geen zienswijzen over de plandelen met de bestemmingen "Bedrijf"en "Wonen" ingediend . Het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Bedrijf" en "Wonen" steunt derhalve niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan op het agrarisch perceel van [appellant] de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mestzak’ heeft opgenomen en op de gronden met de bestemmingen "Bedrijf" en "Wonen" de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’. Immers, met die aanduidingen zijn de aan die gronden toegekende bestemmingen "Bedrijf" en "Wonen" niet gewijzigd of verruimd en is het plan derhalve in zoverre niet gewijzigd vastgesteld. [appellant] is derhalve ten gevolge van die wijzigingen in zoverre niet in een nadeliger positie komen te verkeren. Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de einduitspraak.

4. [appellant] betoogt dat het op het agrarisch perceel aanwezige mestbassin ten onrechte niet als zodanig is bestemd. In dit verband voert hij aan dat het aanwezige mestbassin een zogenoemd foliebassin is, dat grotendeels ondergronds ligt, terwijl het plan uitsluitend voorziet in een mestzak die volgens de planregels wordt gedefinieerd als mestbassin dat grotendeels of geheel boven de grond ligt.

Voorts betoogt [appellant] dat deze bestemmingsregeling het voor hem ten onrechte niet mogelijk maakt om het mestbassin te vervangen door een andere vorm van mestopslag, zoals bijvoorbeeld een mestsilo.

Ten slotte betoogt hij dat krachtens artikel 3, lid 3.3.3, van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Woudenberg 2010" ter plaatse een mestbassin was toegestaan met een inhoud van 1.000 m3, en niet valt in te zien waarom in het bestemmingplan "[locatie1] en [locatie 2]" hier niet bij wordt aangesloten.

4.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mestzak’ een mestzak toegestaan met een maximum oppervlak van 200 m2 en een maximum inhoud van 300 m3.

Ingevolge artikel 1, lid 1.32, wordt onder mestzak verstaan: een mestbassin, geheel of grotendeels gelegen boven het aansluitende terrein, voornamelijk opgebouwd uit kunststoffolies, waarvan de bodemafdichting en afdekking één geheel vormen.

4.2. Op het agrarisch perceel ligt een mestbassin. Dit mestbassin heeft een oppervlakte van ongeveer 195 m2 en een inhoud van ongeveer 275 m3. Gelet op deze oppervlakte en inhoud is het mestbassin ongeveer 1,5 meter diep. Uit de door [appellant] overgelegde foto’s van het mestbassin blijkt, zoals ter zitting door hem is bevestigd, dat het mestbassin bestaat uit een aarden wal van ongeveer 1 meter hoog, met daarin een folie-afdekking. Nu het mestbassin ongeveer 1 meter boven het aangrenzende terrein uitsteekt, ligt dit, gelet op de totale diepte van ongeveer 1,5 meter, anders dan [appellant] stelt, voor het grootste deel bovengronds. Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.32, van de planregels, is het op het perceel bestaande mestbassin derhalve als zodanig bestemd.

4.3. Wat betreft het betoog van [appellant] dat het plan het ten onrechte niet mogelijk maakt om het mestbassin te vervangen door een andere vorm van mestopslag, zoals bijvoorbeeld een mestsilo, en dat krachtens artikel 3, lid 3.3.3, van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Woudenberg 2010" ter plaatse een mestbassin was toegestaan met een inhoud van 1.000 m3 en niet valt in te zien waarom in het bestemmingplan "[locatie 1] en [locatie 2]" hier niet bij wordt aangesloten, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3 van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan, mochten buiten het bouwvlak uitsluitend erf- en terreinafscheidingen en bouwwerken, geen gebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijnde, ten behoeve van het agrarisch bedrijf en ten behoeve van extensieve dagrecreatie zoals zitbanken en routeborden, worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 meter.

Ingevolge lid 3.3.3, aanhef en onder b, van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan, kon het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.2.3, voor het bouwen van een mestopslag buiten het bouwvlak tot een inhoud van 1.000 m3 en een maximale hoogte van 6 meter. De raad heeft met juistheid gesteld dat deze bepaling uitsluitend voorziet in de mogelijkheid voor het verlenen van zodanige ontheffing voor de oprichting van een mestbassin buiten het bouwvlak. Vast staat dat het mestbassin onder het voorheen geldende plan was gelegen binnen de gronden waaraan het bouwvlak voor het perceel was toegekend. Derhalve gold voormelde ontheffingsmogelijkheid, anders dan [appellant] stelt, onder het voorheen geldende plan niet ter plaatse van het onderhavige mestbassin.

Ter zitting heeft de raad voorts toegelicht dat hij het bestaande mestbassin als zodanig heeft willen bestemmen maar het, gelet op de in het plan mogelijk gemaakte woon- en bedrijfsbestemming, niet wenselijk acht dat dat mestbassin kan worden veranderd of vergroot, terwijl dat voor de bedrijfsvoering van [appellant] ook niet nodig is. De raad heeft zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen. Daarbij heeft hij in aanmerking kunnen nemen dat het voor [appellant] ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub n, van de planregels van het voor zijn perceel [locatie 4] geldende bestemmingsplan "Buitengebied Woudenberg 2010" mogelijk is op zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" binnen het bouwvlak een mestopslag te verwezenlijken met een hoogte van 10 meter en een maximale inhoud van 2.500 m3, exclusief de mestopslagruimten onder gebouwen. Voorts is de voormelde in artikel 3, lid 3.3.3, aanhef en onder b opgenomen ontheffingsmogelijkheid voor de gronden behorende bij zijn bedrijf van kracht, zodat hij met toepassing van die regeling elders op zijn gronden een mestbassin kan verwezenlijken. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor [appellant] derhalve voldoende mogelijkheden bestaan om voorzieningen ten behoeve van de mestopslag te verwezenlijken. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet vanaf heeft kunnen zien vervanging van het mestbassin door een andere vorm van mestopslag, zoals bijvoorbeeld een mestsilo, dan wel met een grotere inhoud op deze plaats mogelijk te maken.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat het plan het mogelijk maakt dat op de gronden met de bestemming "Bedrijf" binnen het bouwvlak geurgevoelige objecten kunnen worden opgericht binnen de gronden met de aanduiding ‘milieuzone-geurzone’. Volgens hem zou daarom in artikel 11 van de planregels moeten worden bepaald dat het bouwen van gebouwen ten behoeve van geurgevoelige objecten niet is toegestaan.

5.1. Ingevolge artikel 11 van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding ’milieuzone - geurzone’ niet toegestaan gebouwen ten behoeve van geurgevoelige objecten te gebruiken. De Afdeling ziet in de niet nader onderbouwde stelling van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met het bepaalde in artikel 11 van de planregels onvoldoende duidelijk heeft bepaald dat geurgevoelige objecten op de gronden met de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ niet zijn toegestaan.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt ten slotte dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mestzak’ en onder vernummering van de overige artikelen, artikel 1, lid 1.32 (mestzak) aan de planregels van het plan heeft toegevoegd, maar niet heeft besloten tot het opnemen van de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ en de daarbij behorende planregels. Hij heeft aangevoerd de raad na publicatie van het vastgestelde plan erop te hebben gewezen dat een dergelijke milieuzone niet in het plan is opgenomen. Nadien is in het plan zoals dat op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is in te zien, alsnog de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ opgenomen en zijn daarbij behorende planregels toegevoegd. Daaraan ligt evenwel geen besluit van de raad ten grondslag, aldus [appellant]. Hij stelt te betwijfelen of de raad het plan ook had vastgesteld als hij van de milieuzone en de gevolgen daarvan op de hoogte was geweest.

6.1. De raad heeft ter zitting gesteld dat de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ en de daarbij behorende planregels onlosmakelijk verbonden zijn met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mestzak’. Nu de raad heeft besloten de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mestzak’ aan de verbeelding toe te voegen, is daarmee eveneens bedoeld de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ en de daarbij behorende planregels in het plan op te nemen. Ter zitting heeft de raad voorts uitgelegd dat voorafgaand aan de raadsvergadering onduidelijk was of de raad daadwerkelijk tot het opnemen van de aanduiding ‘agrarisch - mestzak’ in de verbeelding zou besluiten en dat eerst nadat de raad daartoe had besloten aan het adviesbureau dat de raad heeft ondersteund bij de vaststelling van het plan de opdracht is gegeven die aanduiding in het plan te verwerken met alle daarbij noodzakelijke aanpassingen in het plan.

6.2. De Afdeling stelt vast dat in het plan, zoals dat kan worden geraadpleegd op www.ruimtelijkeplannen.nl, zijnde de landelijke voorziening waar in elektronische vorm bestemmingsplannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn, naast de door de raad vastgestelde hiervoor onder 6 genoemde wijzigingen ten opzichte van het ontwerp van het plan, tevens op de verbeelding de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ is opgenomen en, onder vernummering van de overige artikelen, aan de planregels de artikelen 1, lid 1.28 (geurgevoelig object), en 11 (algemene aanduidingsregels) zijn toegevoegd.

De toegevoegde planregels luiden als volgt:

"1.28 geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt;

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geurzone' is het gebruik van gebouwen ten behoeve van geurgevoelige objecten niet toegestaan."

Voormelde aanpassingen zijn evenwel niet vermeld in het besluit van de raad, maar aangebracht door de verbeelding en het plan te wijzigen op onder meer www.ruimtelijkeplannen.nl. De verbeelding en het plan stemmen in zoverre niet meer overeen met het plan zoals de raad dat heeft vastgesteld en op de voorgeschreven wijze heeft bekend gemaakt. Het staat de raad noch enig ander vrij om een aanpassing op de verbeelding en in de planregels die in overeenstemming zijn met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en die met dat besluit ter inzage is gelegd, aan te brengen, nadat dat besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6740). De verbeelding en planregels kunnen in dat geval slechts worden aangepast met een nieuw raadsbesluit.

Nu de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ en de artikelen 1, lid 1.28 en 11 van de planregels niet bij het besluit tot vaststelling van het plan in het plan zijn opgenomen en de raad zich inmiddels op het standpunt stelt dat dat wel had gemoeten, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

7. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op te dragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient alsnog te besluiten de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ op de verbeelding op te nemen en onder vernummering van de overige artikelen, de artikelen 1, lid 1.28 (geurgevoelig object) en 11 (algemene aanduidingsregels) in de planregels op te nemen, dan wel een andere passende regeling vast te stellen.

Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Woudenberg op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen hierin is overwogen het besluit van 29 oktober 2015, kenmerk 154939, tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" te herstellen door alsnog te besluiten:

- de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ op de verbeelding bij het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" op te nemen;

- onder vernummering van de overige artikelen, de artikelen 1, lid 1.28 (geurgevoelig object) en 11 (algemene aanduidingsregels) aan de planregels toe te voegen;

dan wel een andere passende regeling vast te stellen;

II. draagt de raad voorts op om de Afdeling en de andere partijen in het geding de uitkomst mede te delen en de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Koeman w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

325-803.