Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201507098/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:5003, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over het berekeningsjaar 2013 toegekende huurtoeslag definitief op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507098/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juli 2015 in zaak nr. 14/6073 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over het berekeningsjaar 2013 toegekende huurtoeslag definitief op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 18 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam bij de Belastingdienst/Toeslagen, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] woont aan de [locatie] in [plaats]. Zij heeft huurtoeslag aangevraagd, waarop de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 28 december 2012 aan [appellante] een voorschot huurtoeslag heeft toegekend van € 2.885,00.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze huurtoeslag bij besluit van 1 augustus 2014 op nihil vastgesteld, omdat, zo staat in het besluit van 18 augustus 2014, de [dochter] van [appellante] in de Basisregistratie personen (BRP), op het adres van [appellante] is ingeschreven met de aanduiding "woonadres volgens gemeente". Het inkomen van [appellante] en [dochter] bij elkaar opgeteld, komt volgens de Belastingdienst/Toeslagen uit op een bedrag dat ligt boven het inkomen waarvoor recht op huurtoeslag bestaat.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [dochter] tot het huishouden van [appellante] heeft mogen rekenen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de salarisspecificaties en transactieoverzichten niet kan worden afgeleid dat [dochter] in 2013 niet aan de [locatie] in [plaats], maar op andere adressen heeft gewoond. Volgens de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen [dochter] als medebewoner van [appellante] mogen aanmerken en het inkomen van [dochter] terecht meegenomen bij het vaststellen van het gezamenlijke toetsingsinkomen. Uit dat inkomen volgt volgens de rechtbank dat [appellante] geen recht op huurtoeslag heeft.

Hoger beroep van [appellante]

4. Of een aanvrager recht op huurtoeslag heeft, is, ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht), onder meer afhankelijk van het vermogen van de medebewoner. Een medebewoner is iemand die op hetzelfde woonadres in de BRP is ingeschreven als de aanvrager (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)). De vraag ligt voor of de Belastingdienst/Toeslagen [dochter] als medebewoner heeft mogen aanmerken en het inkomen van [dochter] heeft mogen meenemen bij de berekening van het gezamenlijke toetsingsinkomen.

5. [appellante] betoogt in haar hogerberoepschrift dat [dochter] niet als medebewoner mag worden aangemerkt. Zij licht toe dat zij verschillende bewijzen heeft ingebracht waaruit volgens haar blijkt dat [dochter] in 2013 in Amsterdam en Scheveningen heeft gewoond en gewerkt. Hieruit volgt volgens [appellante] dat [dochter] dus niet aan de [locatie] in [plaats] woonde.

Oordeel van de Afdeling

6. De Belastingdienst/Toeslagen bekijkt aan de hand van de gegevens die zijn opgenomen in de BRP of een aanvrager een medebewoner heeft. Die inschrijving in de BRP is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend.

Van deze BRP-inschrijving kan, ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Wht, de Belastingdienst/Toeslagen afwijken, in het geval dat die inschrijving onjuist is en de onjuiste inschrijving niet aan de huurder kan worden toegerekend. Verder kan de Belastingdienst/Toeslagen van de BRP-inschrijving afwijken, als de persoon die als medebewoner wordt aangemerkt, feitelijk ergens anders heeft gewoond. Dat volgt uit de toelichting bij artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir. Zodra de adreswijziging in de BRP is doorgevoerd, geldt dit feitelijke woonadres met terugwerkende kracht als inschrijvingsadres.

7. Uit het uittreksel van de BRP dat in het dossier is gevoegd, blijkt dat [dochter] vanaf 24 januari 2011 tot 30 september 2014 op het adres [locatie] in [plaats] is ingeschreven geweest. [appellante] heeft bij de rechtbank in dit verband opgemerkt dat zij het goed heeft gevonden om [dochter] op haar woonadres ingeschreven te laten staan, omdat zij in 2013 op verschillende tijdelijke adressen heeft gewoond en het ondoenlijk was om dit steeds in de BRP te laten registreren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de gestelde onjuiste BRP-inschrijving van [dochter] op het adres [locatie] in [plaats] aan [appellante] kan worden toegerekend. [appellante] heeft [dochter] immers bewust op dit adres ingeschreven laten staan. Voor de Belastingdienst/Toeslagen bestond er dus geen aanleiding om met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Wht van de BRP-inschrijving af te wijken.

8. [appellante] heeft bij de rechtbank een jaaropgave van de Strandclub [naam] in Scheveningen overgelegd, waaruit blijkt dat [dochter] vanaf 31 maart tot en met 20 juni 2013 daar heeft gewerkt. Ook heeft [appellante] een aantal bankoverschrijvingen van [dochter] overgelegd. Uit de transactiedetails van 8 juni, 12 juli en 12 augustus 2013 kan worden opgemaakt dat [dochter] voor de maanden juni tot en met juli huur heeft betaald.

De bewijzen die [appellante] heeft overgelegd, zijn onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [dochter] in 2013 haar feitelijke woonadres had verplaatst naar een ander adres in, zoals [appellante] heeft gesteld, Amsterdam dan wel Scheveningen. Zo kan op basis van de jaaropgave slechts worden vastgesteld dat [dochter] vanaf april tot en met midden juni 2013 in Scheveningen heeft gewerkt, maar daaruit volgt op zichzelf niet dat zij daar ook woonde. Daarnaast kan uit de bankoverschrijvingen hooguit worden afgeleid dat [dochter] voor de maanden juli tot en met augustus huur heeft betaald voor een woning. Niet duidelijk is echter waar [dochter] deze woning heeft gehuurd. Ten slotte heeft [appellante] niet inzichtelijk gemaakt dat [dochter] tot juni 2013 én na juli 2013 een woning heeft gehuurd en daar ook feitelijk heeft gewoond.

9. De Afdeling komt, net als de rechtbank, tot de conclusie dat [appellante] niet heeft bewezen dat [dochter] in 2013 feitelijk op een ander adres heeft gewoond dan het adres [locatie] in [plaats]. De Belastingdienst/Toeslagen is terecht van de BRP-inschrijving uitgegaan en heeft [dochter] dus als medebewoner mogen aanmerken en haar inkomen mogen meenemen bij de berekening van het gezamenlijke toetsingsinkomen.

Conclusie

10. Als de inkomens van [appellante] en [dochter] bij elkaar worden opgeteld, komt er een bedrag uit dat te hoog is, namelijk boven het norminkomen van € 28.550,00, om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. [appellante] heeft daarmee geen recht op huurtoeslag. Dit betekent dat [appellante] het voorschot dat zij heeft ontvangen, aan de Belastingdienst/Toeslagen moet terugbetalen.

11. Het hoger beroep van [appellante] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, griffier.

w.g. Verheij w.g. De Heer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

636.