Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1462

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201505433/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2013 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een winkelwoonhuis ten behoeve van detailhandel en kamerverhuur op het perceel [locatie] te Berkel-Enschot (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505433/1/A1.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juni 2015 in zaak nr. 14/6693 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2013 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een winkelwoonhuis ten behoeve van detailhandel en kamerverhuur op het perceel [locatie] te Berkel-Enschot (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 juni 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 7 november 2013 herroepen en geweigerd omgevingsvergunning te verlenen.

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft het college het besluit van 12 juni 2014 ingetrokken, het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en bepaald dat de verleende vergunning slechts betrekking heeft op het veranderen van de achterzijde van het pand ten behoeve van het gebruik als logiesgebouw en geen betrekking heeft op het gebruik van het voormalig winkelgedeelte van het pand.

Bij uitspraak van 11 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, en het college, vertegenwoordigd door L.P.A. Janssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde] gehoord.

Overwegingen

1. De achterzijde en de verdieping van het pand wordt gebruikt voor de huisvesting van buitenlandse werknemers. In het aan de voorzijde van het pand gelegen winkelgedeelte werd ten tijde van belang een shoarmazaak geëxploiteerd. Het gebruik van het pand is in strijd met het bestemmingsplan "Berkel 2008" (hierna: het bestemmingsplan).

[appellant] woont op het naburige perceel en heeft bezwaar tegen het, reeds uitgevoerde, bouwplan omdat dit leidt tot aantasting van zijn woongenot.

2. De relevante bepalingen van de hierna als Wabo aangemerkte Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omgevingsvergunning niet ziet op het gebruik van het winkelgedeelte van het perceel. Daartoe voert hij aan dat de aanvraag ziet op zowel het gebruik van het pand ten behoeve van kamerverhuur als op het gebruik van het pand voor horeca dan wel detailhandel. In dit verband merkt hij verder op dat in het besluit van 7 november 2013 wordt verwezen naar de aanvraag die volgens dat besluit ziet op het wijzigen van een winkelwoonhuis ten behoeve van detailhandel en kamerverhuur.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omgevingsvergunning niet ziet op het gebruik van het winkelgedeelte van het pand. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het project als volgt in de aanvraag is omschreven ‘in het pand aan de Molenstraat zal een functionele scheiding plaatsvinden van detailhandel aan de voorzijde van het pand en kamerverhuur aan de achterzijde en op de verdieping van het pand’. Voorts wordt in aanmerking genomen dat op het aanvraagformulier is vermeld dat het beoogd gebruik wonen is. De rechtbank heeft voorts terecht van belang geacht dat in het bij de rechtbank bestreden besluit van 16 oktober 2014 expliciet is vermeld dat de verleende vergunning geen betrekking heeft op het gebruik van het voormalig winkelgedeelte. Dat het besluit van 7 november 2013, als gesteld, wel ziet op het gebruik van het winkelgedeelte van het pand leidt niet tot een ander oordeel nu dat besluit, nadat het college was gebleken dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op het kamerverhuurgedeelte, met het besluit van 16 oktober 2014 in zoverre is gewijzigd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik waarvoor het college omgevingsvergunning heeft verleend te weten horeca in strijd is met het bestemmingsplan. Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen ziet de verleende omgevingsvergunning slechts op het gebruik van het pand ten behoeve van kamerverhuur en niet op horeca. Dat gebruik van het pand ten behoeve van horeca in strijd is met het bestemmingsplan kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend en behoeft derhalve geen bespreking. Dat geldt evenzeer voor hetgeen [appellant] overigens nog over dat gebruik heeft aangevoerd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4.5.6 van de planvoorschriften omgevingsvergunning te verlenen. Daartoe voert hij aan dat het gebruik niet past onder logiesgebouw als bedoeld in artikel 1.68 van de planvoorschriften. In dit verband merkt hij op dat het gebouw niet wordt gebruikt voor recreatief verblijf of tijdelijk onderdak als bedoeld in voormeld artikel. In het pand zullen buitenlandse werknemers voor langere tijd worden gehuisvest.

5.1. Het gebruik van het pand ten behoeve van tijdelijke kamerverhuur is in strijd met het bestemmingsplan. Om dat gebruik niettemin mogelijk te maken heeft het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4.5.6 van de planvoorschriften omgevingsvergunning verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

5.2. Tussen partijen is in geschil of het pand gelet op voormeld gebruik kan worden aangemerkt als een logiesgebouw als bedoeld in artikel 4.5.6 van de planvoorschriften. Tussen partijen is niet in geschil dat de overige voorwaarden die in dit artikel zijn gesteld geen beletsel vormen voor de toepassing daarvan.

De aanvraag strekt tot legalisering van de tijdelijke huisvesting van maximaal tien personen in het pand. Volgens [partij] verblijven er telkens maximaal tien personen voor de duur van maximaal drie maanden in het pand. Gelet op de aanvraag en de verklaring van [partij] heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat hier tijdelijk onderdak wordt geboden en derhalve sprake is van een logiesgebouw als bedoeld in artikel 1.68 van de planvoorschriften. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er geen aanwijzingen zijn dat het pand op een andere wijze zal worden gebruikt. De enkele stelling van [partij] dat het verblijf van sommige personen langer dan drie maanden duurt, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het college terecht bevoegd geacht om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4.5.6 van de planvoorschriften omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat het college, gelet op de planologische inbreuk, had moeten onderzoeken hoe het gebruik van het pand voor kamerverhuur zich verhoudt tot de in het gebied aanwezige functies en waarden. Voorts voert hij aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen dan wel dat het college niet heeft gemotiveerd waarom meer waarde wordt toegekend aan de belangen van vergunninghouder dan aan zijn belangen. In dit verband merkt hij op dat het bouwplan een ernstige aantasting van zijn privacy tot gevolg heeft en dat hij overlast ondervindt van de bewoners.

6.1. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen.

6.2. Over de vraag of het gebruik van het pand voor tijdelijke kamerverhuur past binnen het gebied heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de ter plaatse geldende bestemming "Gemengd-Dorps" een logiesgebouw voor tien personen geen onacceptabele inbreuk maakt op de bestaande situatie op een manier welke niet verwacht kan worden binnen de bestemming. Het betreft hier geen rustig woongebied. Naast wonen zijn ook andere gebruiksvormen, waaronder bedrijven, toegestaan.

Hoewel aannemelijk is dat door het gebruik van het pand voor tijdelijke kamerverhuur het woongenot van [appellant] in betekenende mate verslechtert, biedt hetgeen [appellant] daarover heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank die verslechtering ten onrechte niet zwaarwegend genoeg heeft geacht om te oordelen dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat het perceel is gelegen in een gebied met een gemengd karakter waar ingevolge de daaraan toegekende bestemming naast wonen ook verschillende bedrijfsmatige functies zijn toegestaan.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

374-712.

BIJLAGE WETTELIJK KADER

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.

Planvoorschriften bestemmingsplan "Berkel 2008"

Artikel 1.68

In deze voorschriften wordt verstaan onder "logiesgebouw": Een verblijfsgelegenheid waarbij het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen centraal staat.

Artikel 4.1.1

De op de plankaart voor "Gemengd-Dorps" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven, behorende tot en met maximaal categorie 2 uit de bijgevoegde bedrijvenlijst, met uitzondering van bedrijven als bedoeld in artikel 31 van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van de Wet Milieubeheer, zoals deze luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan en met uitzondering van risicovolle inrichtingen;

b. kantoren tot maximaal 250 m² bruto vloeroppervlak per zelfstandige eenheid met een maximum van 700 m² bruto vloeroppervlak per bestemmingsvlak;

c. maatschappelijke instellingen;

d. zorg- en dienstverlening (zakelijk en persoonlijk);

e. wonen, met dien verstande dat sprake is van grondgebonden woningen;

f. bouwwerken van algemeen nut,

met dien verstande dat de maximale omvang per functionele eenheid, niet zijnde kantoren, 100 m² bruto vloeroppervlak bedraagt.

Artikel 4.5.6

Burgemeester en wethouders zijn, met in achtneming van de procedurevoorschriften in artikel 27.1, bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan ten behoeve van logiesgebouwen onder voorwaarden dat:

a. het bepaalde in artikel 22 voor wat betreft parkeren hierbij van toepassing is;

b. er geen sprake is van een ontoelaatbare publieks- en/of verkeersaantrekkende werking;

c. in redelijke nabijheid sprake is van een goede ontsluiting door openbaar vervoer;

d. voldoende afstand tot de bestemmingsvlakken "Wonen" en "Wonen-Gestapeld" in acht wordt genomen ter voorkoming van overlast;

e. situering alleen mogelijk is binnen de "hoofdstructuur oude gebieden" zoals is opgenomen in Bijlage 4 Plankaart A. structuurbeeld plansystematiek;

f. de bruto vloeroppervlakte voor deze functie niet meer dan 300 m² mag bedragen.

De voorwaarden genoemd onder d t/m g zijn niet van toepassing indien niet meer dan 60 m² bruto vloeroppervlakte voor logiesfunctie wordt gebruikt.