Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201507276/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015, nummer Z-13-06271/INT-15-05490, heeft de raad het bestemmingsplan "Asperen, Buiten de Poort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507276/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Asperen, gemeente Lingewaal,

appellant,

en

de raad van de gemeente Lingewaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015, nummer Z-13-06271/INT-15-05490, heeft de raad het bestemmingsplan "Asperen, Buiten de Poort" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Woningcorporatie Kleurrijk Wonen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.T.F. van Berkel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.J.E. Walkate-Helderop en M. Smits-de Keizer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Woningcorporatie Kleurrijk Wonen, vertegenwoordigd door P.T.W. Duijkers en A.J. Hakkert, bijgestaan door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan heeft betrekking op de gronden ter plaatse van het bestaande woningbouwcomplex ‘Buiten de Poort’ te Asperen. In de plantoelichting staat dat dit complex met 42 woningen bouw- en woontechnisch verouderd is en de woningen te klein en moeilijk toegankelijk zijn. Voorts wordt vermeld dat het complex niet meer efficiënt te renoveren is voor de beoogde doelgroep senioren en dat om die reden is gekozen voor sloop van de thans bestaande woningen en vervanging daarvan door nieuwbouw.

Omdat de verwezenlijking van de gewenste bouw niet paste binnen het vorige bestemmingsplan is het plan vastgesteld. Het plan maakt de bouw van maximaal 40 woningen mogelijk. Dit betekent dat na verwezenlijking van het plan in het plangebied twee woningen minder zullen staan, dan in de huidige bestaande situatie.

3. [appellant] woont aan de [locatie] te Asperen ten noorden van het plangebied. Vanuit de achterzijde van zijn woning en zijn achtertuin heeft hij zicht op het plangebied. Hij kan zich niet vinden in de vaststelling van het plan. Daartoe betoogt hij allereerst dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) niet is beschreven dat de in het plan mogelijk gemaakte woningen in een actuele regionale behoefte voorzien. Hij stelt daartoe dat in de plantoelichting de behoefte aan seniorenwoningen wordt besproken, terwijl volgens de planregels reguliere woningen zijn toegestaan en de behoefte aan reguliere woningen niet in het licht van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is gemotiveerd.

3.1. De raad stelt dat de in het plan voorziene ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

3.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro, voor zover thans van belang, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarde:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

3.3. In de plantoelichting staat dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 12 januari 2010 het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (hierna: het KWP) heeft vastgesteld, waarin afspraken zijn gemaakt tussen de provincie, de gemeenten en de regio’s in Gelderland over de woningbouw en de bestaande woningvoorraad voor de komende tien jaar. De afspraak in het KWP is dat de gemeenten in de regio Rivierenland in de periode 2010-2019 maximaal 9.800 woningen netto mogen toevoegen. Voorts is daarin bepaald dat 74% van de woningen dient te voldoen aan de definitie van nultredenwoningen, aldus de plantoelichting. In de plantoelichting staat verder dat in Asperen nog 160 woningen mogen worden toegevoegd, waarvan 77 zijn voorzien in de huursector en 83 in de koopsector.

Tevens staat in de plantoelichting dat de herontwikkeling van het complex "Buiten de Poort", waarin het plan voorziet, niet leidt tot nieuwe woningen in de kern Asperen, nu de bestaande 42 wooneenheden, verdwijnen ten behoeve van de bouw van 40 nieuwe woningen. Daarbij is vermeld dat de primaire doelgroep voor deze woningen senioren en mensen met een lichamelijke beperking zijn. Getracht wordt de mensen langer thuis te laten wonen. De woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd, zodat deze in de toekomst flexibel ingezet kunnen worden. Mocht bijvoorbeeld te zijner tijd meer behoefte bestaan aan starters- en/of gezinswoningen dan kunnen de woningen hier eenvoudig op aangepast worden.

Verder vermeldt de plantoelichting dat in het door de samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland opgestelde document "… in gesprek met Rivierenland", waarin de regionale input voor de omgevingsvisie is weergegeven, staat dat, omdat nog op (zeer) beperkte schaal woningen aan de voorraad worden toegevoegd, maatwerk op het gebied van woningbouw van groot belang is. De grootste uitdaging daarbij ligt in het aanpassen van de bestaande woningvoorraad aan de toekomstige behoefte. Daarbij moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen in wonen en zorg en een vergrijzende bevolking. Daarnaast moet aandacht worden gevraagd voor het onderwerp sociale woningbouw. Veel woningzoekenden in dit segment zijn vertrokken naar de omliggende steden, omdat niet voldoende woningen voorhanden waren, aldus de plantoelichting.

3.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het grootste deel van de gronden van het plangebied een woonbestemming toegekend. Vast staat dat binnen het plangebied thans 42 woningen staan in overeenstemming met die bestemming. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels mogen in het plangebied maximaal 40 woningen worden gebouwd. Alvorens deze kunnen worden gebouwd moeten de thans in het plangebied staande woningen, nu de nieuw te bouwen woningen op dezelfde plaats komen te staan als de bestaande woningen, worden gesloopt. Verwezenlijking van de in het plan voorziene woningen leidt derhalve tot een afname van het aantal woningen in de kern van Asperen en de regio met twee. Voorts maakt het plan mogelijk dat de daarin voorziene woningen geschikt zijn voor bewoning door senioren.

Nu verwezenlijking van het plan leidt tot een afname van het aantal woningen in de regio, terwijl binnen die regio volgens het KWP tot en met 2020 een behoefte bestaat aan een toename van 9.800 woningen en het plan voorts voorziet in de behoefte aan woningen voor senioren, hetgeen in zowel het KWP als het document "… in gesprek met Rivierenland" als kwalitatief aandachtspunt staat vermeld, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de met het plan mogelijk gemaakte woningen voorzien in een actuele regionale behoefte. Reeds hierom faalt het betoog van [appellant] dat in de plantoelichting in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro niet is beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Derhalve kan in dit geval in het midden worden gelaten of de ontwikkeling - die leidt tot een toename van het bebouwde oppervlak met ongeveer 700 m2 - een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is.

4. [appellant] betoogt dat niet is aangetoond dat het plan financieel en maatschappelijk uitvoerbaar is. Hij stelt daartoe dat uit de plantoelichting volgt dat behoefte bestaat aan seniorenwoningen en beoogd wordt dergelijke woningen te realiseren, maar dat er wel een ruime woonbestemming wordt toegekend voor het geval de seniorenwoningen niet worden verkocht dan wel verhuurd. Op voorhand staat daarom niet vast dat het plan financieel en maatschappelijk uitvoerbaar is, aldus [appellant].

4.1. Zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen voorzien de met het plan mogelijk gemaakte woningen in een behoefte. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is.

[appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de initiatiefnemer van het plan, Woningcorporatie Kleurrijk Wonen, dan wel enige andere projectontwikkelaar niet in staat zou zijn de kosten voor verwezenlijking van het plan en de exploitatie van de woningen te kunnen dragen en het plan om die reden financieel niet uitvoerbaar zou zijn.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is binnen de planperiode.

5. [appellant] betoogt dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hij stelt dat thans reeds problemen bestaan met de afwatering van zijn perceel. Volgens hem is in de planregels ten onrechte niet voorzien in een voorziening in verband met het water, terwijl in de plantoelichting uitdrukkelijk is opgenomen dat dit wel moet. Volgens hem dient het plan zekerheid te bieden dat de afwatering in orde is.

5.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding is neergelegd.

5.2. De plantoelichting bevat een waterparagraaf. Daarin staat dat ten behoeve van de herontwikkeling van het plangebied een watertoets is opgesteld, waarbij het waterschap Rivierenland is betrokken. Uit de watertoets volgt dat de realisatie van het nieuwe complex leidt tot een toename van het verharde oppervlak met ongeveer 910 m2 ten opzichte van de bestaande situatie. Een toename moet worden gecompenseerd, waarbij 500 m2 is vrijgesteld, hetgeen betekent dat 410 m2 moet worden gecompenseerd. In de watertoets worden hiervoor drie verschillende opties besproken. De eerste optie is om ter plaatse van de binnentuin een wadi aan te leggen, in combinatie met grondverbetering en drainage. Ook het toepassen van waterpasserende verharding is een mogelijke oplossing. In de plantoelichting staat dat deze maatregelen in het plan mogelijk worden gemaakt omdat waterhuishoudkundige voorzieningen binnen de bestemmingen "Verkeer-Verblijfsgebied" en "Wonen" mogelijk worden gemaakt. Daarnaast is het mogelijk compensatie elders te realiseren. Wat betreft die compensatie elders staat in de plantoelichting dat het waterschap onderzoek doet naar de aanleg van watercompensatie in de omgeving van Asperen en in overleg met de initiatiefnemer van de woningen Kleurrijk Wonen en het waterschap daarbij wordt aangesloten. Dit betekent dat de benodigde compensatie voor het project "Buiten de Poort" elders in Asperen wordt gerealiseerd, aldus de plantoelichting. Voorts staat in de plantoelichting dat de locatie en de dimensies van die waterberging in een watervergunning worden opgenomen. Onder de aldus door de raad in de plantoelichting beschreven omstandigheden heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de noodzakelijke waterberging via een andere publiekrechtelijke weg kon worden verzekerd.

Voorts is gebleken dat het Waterschap Rivierenland op 23 november 2015 een watervergunning aan de gemeente Lingewaal heeft afgegeven voor de aanleg van een waterberging in de kern van Asperen nabij de Leerdamseweg en Graswalseweg te Asperen. De raad heeft onweersproken gesteld dat die waterberging onder meer voorziet in de hiervoor in overweging 4.2 beschreven benodigde compensatie voor de toename van het verharde oppervlak binnen het plangebied. Ter zitting heeft de raad voorts verklaard dat de waterberging inmiddels is aangelegd, zodat niet behoeft te worden gevreesd dat de waterberging waarvan in de waterparagraaf van de plantoelichting wordt uitgegaan niet zal worden gerealiseerd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de aanleg van de waterberging onvoldoende is om negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van de verwezenlijking van het plan te voorkomen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de raad zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan. Hij stelt daartoe dat de in het plan voorziene woningen dicht op zijn woning komen te staan en bovendien ten opzichte van de bestaande woningen worden voorzien van een extra bouwlaag. Hij stelt dat hiermee zijn privacy wordt aangetast. Voorts vreest hij voor een waardevermindering van zijn woning ten gevolge van de verwezenlijking van het plan.

6.1. [appellant] woont ten noordwesten van het plan. De kortste afstand tussen zijn woning en het meest noord-westelijke bouwvlak in het plan, bedraagt ongeveer 25 meter. De afstand tussen de bestaande bebouwing en de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 35 meter. [appellant] betoogt derhalve terecht dat de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing op kortere afstand van zijn woning kan komen te staan dan de bestaande bebouwing. De maximale bouwhoogte binnen dat bouwvlak bedraagt 6 meter. De kortste afstand tussen het bouwvlak waar de maximale bouwhoogte 14 meter bedraagt en de woning van [appellant], dat bezien vanuit de woning van [appellant] is gelegen achter het bouwvlak dat het dichtste bij zijn woning ligt, bedraagt ongeveer 50 meter. Gelet op de ligging van de woning van [appellant] en het plangebied in een bebouwde omgeving, de maximale hoogte van de dichtstbij de woning van [appellant] mogelijk gemaakte woningen en de omstandigheid dat zich tussen het plangebied en de rij met woningen waarvan die van [appellant] deel uitmaakt aansluitend aan de tuinen van die woningen een rij garages bevindt met een bouwhoogte van ongeveer 3 meter, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant].

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Koeman

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

325-803.